Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE7079

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-07-2002
Datum publicatie
02-09-2002
Zaaknummer
01/642 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:5, geldigheid: 2002-07-09
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2002/284
RSV 2002, 248

Uitspraak

01/642 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde] , wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 16 juni 1999, hierna: het bestreden besluit, heeft appellant een door gedaagde bij schrijven van 20 april 1999 ingediend bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank Zwolle heeft bij uitspraak van 21 december 2000 het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en een beslissing gegeven omtrent het griffierecht.

Appellant is bij beroepschrift van 25 januari 2001 van die uitspraak in hoger beroep gekomen, waarna bij schrijven van 11 mei 2001 de gronden zijn aangegeven waarop het beroep berust.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 28 mei 2002, waar namens appellant is verschenen mr. P.A.M. van Aarle, werkzaam bij het Uwv, terwijl gedaagde niet is verschenen.

II. MOTIVERING

Bij besluit van 10 maart 1999 heeft appellant geweigerd aan gedaagde per einde wachttijd een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen. Bij brief gedateerd 20 april 1999 heeft gedaagde appellant laten weten 'bezwaar aan te tekenen op de beslissing van dr. Seuren en over de onderzoeks-wijze van dr. Seuren'. Uit de brief blijkt dat het bezwaar betrekking heeft op een onderzoek door dr. Seuren inzake de WAO 'in plaats van de ziektewet zoals de laatste keer gebeurde 22 april 1998'. Uit de brief blijkt verder dat het gaat om een beslissing naar aanleiding van een spreekuurcontact met genoemde verzekeringsarts van 4 februari 1999, betrekking hebbende op de datum 21/22 april 1998. Gedaagde geeft in de brief aan dat zij dr. Seuren duidelijk heeft gemaakt 'dat ik nu (…) wel door ga naar de rechter'. Verder wijst gedaagde erop dat zij al tweemaal eerder een bezwaarschrift heeft ingediend en wel in juli 1997 en april 1998.

Bij brief gedateerd 29 april 1999 heeft appellant aan gedaagde de ontvangst van het bezwaarschrift bevestigd.

Bij brief van 10 mei 1999 schrijft appellant aan gedaagde dat hem niet duidelijk is of zij met de brief van 20 april 1999 beoogde bezwaar te maken tegen een door appellant genomen besluit. Uitgaande van de bedoeling om een bezwaarschrift in te dienen, stelt appellant dat gedaagde niet heeft voldaan aan de eisen die de wet stelt aan een bezwaarschrift, omdat niet is aangegeven tegen welk besluit het bezwaar zich richt. Gevolg hiervan kan zijn dat uw bezwaarschrift niet-ontvankelijk wordt verklaard. Om dit te voorkomen stellen wij u in de gelegenheid om binnen vier weken na dagtekening van deze brief het verzuim te herstellen, aldus het schrijven van appellant.

Bij brief van 8 juni 1999, door appellant voor ontvangst afgestempeld op 11 juni 1999, heeft gedaagde op deze brief gereageerd.

Uit een interne voorlegger van appellant van 10 juni 1999 blijkt dat door appellant is geconstateerd dat gedaagde van de gelegenheid om het verzuim te herstellen geen gebruik heeft gemaakt. Voorgesteld wordt het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. Blijkens een aantekening op deze voorlegger is op 15 juni 1999 in die zin beslist, waarna appellant op 16 juni 1999 het bestreden besluit heeft genomen.

Dit besluit, waarbij gedaagde niet-ontvankelijk is verklaard in haar bezwaar, is aldus gemotiveerd dat gedaagdes bezwaarschrift niet voldoet aan de daaraan door de wet gestelde vereisten, omdat niet is aangegeven tegen welk besluit het bezwaar is gericht en aan het verzoek om binnen vier weken na 10 mei 1999 dit verzuim te herstellen niet is voldaan.

Met een beroep op de kennelijkheid van de niet-ontvankelijkheid is gedaagde niet in de gelegenheid gesteld te worden gehoord.

In beroep heeft appellant een lijst overgelegd met ten aanzien van gedaagde recentelijk genomen WAO-besluiten waaraan is voorafgegaan een beoordeling door de verzekeringsarts Seuren. Uit deze lijst blijkt dat het laatste besluit vóór het besluit van 10 maart 1999 dateert van 15 december 1998.

Bij uitspraak van 16 mei 2000 heeft de rechtbank het beroep kennelijk gegrond verklaard. Na door appellant ingesteld verzet heeft de rechtbank het verzet gegrond geoordeeld.

Bij de in dit geding bestreden uitspraak heeft de rechtbank als volgt overwogen:

"De rechtbank constateert dat eiseres in haar bezwaarschrift van 20 april 1999 niet heeft aangegeven tegen welke besluit haar bezwaarschrift is gericht. De rechtbank is evenwel van oordeel dat verweerder naar aanleiding van dit bezwaarschrift had dienen te begrijpen dat dit bezwaarschrift was gericht tegen het besluit van 10 maart 1999, waarbij eiseres een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is geweigerd. Dit is immers het enige besluit waartegen het bezwaarschrift binnen de beroepstermijn gericht kon zijn. Het voorlaatste besluit van verweerder dateert van 15 december 1998, derhalve van vijf maanden voor het bezwaarschrift. De bezwaartermijn van dat besluit, alsmede van de daarvoor afgegeven besluiten was reeds ruimschoots verstreken.

Eiseres heeft in haar bezwaarschrift bovendien aangegeven zich niet te kunnen verenigen met de WAO-keuring door de verzekeringsarts.

Uit de context van het bezwaarschrift valt naar het oordeel van de rechtbank af te leiden dat het gaat om de keuring die ten grondslag heeft gelegen aan het besluit van 10 maart 1999, zodat verweerder heeft moeten begrijpen dat het eiseres om dit besluit ging. De rechtbank heeft hierbij mede in aanmerking genomen dat eiseres in haar brief van 20 april 1999 in de eerste volzin expliciet heeft aangegeven dat zij bezwaar wil aantekenen op de beslissing van dr. Seuren en over de onderzoekswijze van dr. Seuren. Nu niet dr. Seuren het besluit neemt maar verweerder, had het eerste deel van die zin voor verweerder aanleiding moeten zijn om de brief van eiseres van 20 april 1999 aan te merken als een bezwaar gericht tegen het besluit van 10 maart 1999.

Hetgeen door gemachtigde van verweerder ter zitting nog is aangevoerd ter zake van de vermelding van een kenmerk van een eerdere bezwaarprocedure in haar brief van 20 april 1999 en van het feit dat eiseres in die brief weer teruggrijpt op eerdere keuringen door de verzekeringsgeneeskundige, dr. Seuren geeft de rechtbank geen aanleiding voor een wijziging van haar oordeel.

De rechtbank overweegt hiertoe dat een uitvoeringsorgaan, dat een besluit tot weigering van uitkering neemt, erop bedacht kan zijn dat een betrokkene bezwaar aan zal tekenen tegen dit besluit. Voorts mag van een uitvoeringsorgaan bij de ontvangst van een bezwaarschrift, naar het oordeel van de rechtbank, worden verwacht dat deze enig onderzoek verricht met betrekking tot de vraag tegen welk besluit dit bezwaarschrift gericht is. Verwacht mag immers worden dat verweerder er van op de hoogte is welke besluiten recentelijk zijn afgegeven.

De rechtbank is gelet op het bovenstaande van oordeel dat in casu een verzoek tot het herstel van een verzuim niet op zijn plaats was. Verweerder heeft eiseres bij schrijven van 10 mei 1999 dan ook ten onrechte verzocht aan te geven tegen welk besluit haar bezwaarschrift was gericht."

Het gaat in dit geding om de vraag of appellant met recht gedaagdes bij brief van 20 april 1999 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Met overneming van de gronden in de aangevallen uitspraak beantwoordt de Raad deze vraag, evenals de rechtbank, ontkennend.

Ook de Raad is van oordeel dat in het schrijven van 20 april 1999 met genoegzame duidelijkheid het in bezwaar aangevochten besluit is aangegeven. Aan de feitelijke overwegingen van de rechtbank voegt de Raad nog toe, dat blijkens de wetsgeschiedenis van artikel 6:5, eerste lid, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de wetgever voldoende heeft geacht dat in het bezwaarschrift een zodanige aanduiding van het bestreden besluit wordt gegeven dat dit besluit voor het bestuursorgaan goed traceerbaar is. Gedaagdes schrijven van 20 april 1999 voldoet, ook naar het oordeel van de Raad, aan dit vereiste.

Daarnaast merkt de Raad op dat appellants schrijven van 10 mei 1999 weliswaar een niet-ontvankelijkheidsdreiging bevat, maar deze is niet, zoals naar het oordeel van de Raad is vereist, gekoppeld aan de overschrijding van de gestelde termijn tot herstel van het verzuim. Ook op deze grond zou appellants besluit in rechte geen stand hebben kunnen houden.

Nog meer ten overvloede merkt de Raad op dat in een geval als het onderhavige, waarin ten aanzien van gedaagde in het verleden reeds meerdere besluiten zijn genomen en bij appellant geen volstrekte zekerheid bestaat over de datum van het in bezwaar bestreden besluit, het voor de hand ligt dat appellant op grond van het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb bij gedaagde navraag doet naar de datum respectievelijk het kenmerk van het bestreden besluit.

De Raad concludeert dat het ingestelde hoger beroep niet slaagt.

De Raad acht, nu geen proceskosten zijn gevorderd en van proceskosten die vatbaar zijn voor ambtshalve toewijzing niet is gebleken, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

Gelet op het vorenstaande alsmede op het bepaalde in artikel 22, derde lid van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat van het Uwv een recht van € 327,- dient te worden geheven.

Uit het voorafgaande vloeit voort dat als volgt moet worden beslist.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een recht van € 327,- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. J.W. Schuttel als voorzitter en mr. H.J. Simon en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2002.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.W. Engelhart.

AF