Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE7046

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-07-2002
Datum publicatie
29-08-2002
Zaaknummer
00/1691 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2002-07-15
Wet terugdringing ziekteverzuim, geldigheid: 2002-07-15
Wet uitbreiding loondoorbetalingsplicht bij ziekte, geldigheid: 2002-07-15
Ziektewet 29, geldigheid: 2002-07-15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

00/1691 ZW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 16 juni 1998 heeft gedaagde besloten aan appellant met ingang van 1 juli 1996 geen uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) te verstrekken omdat appellant op en na die datum niet ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid.

Bij besluit van 21 februari 1999 (verder: het bestreden besluit) is het bezwaar tegen voornoemd besluit ongegrond verklaard.

De rechtbank Breda heeft het namens appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij uitspraak van 22 februari 2000 niet-ontvankelijk verklaard.

Namens appellant is mr. D.J.A. Smit, advocaat te Etten-Leur, op bij aanvullend beroepschrift van 18 mei 2000 aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft bij schrijven van 16 juni 2000 van verweer gediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 29 april 2002, waar partijen - na voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.

II. MOTIVERING

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant, geboren in 1943, is op 1 november 1995 wegens klachten aan de linkervoet uitgevallen uit zijn werk als grondwerker.

Na op 14 maart 1996 zijn werkzaamheden hervat te hebben, is appellant op 9 april 1996 opnieuw uitgevallen.

Op 31 mei 1996 is hij in het kader van de beoordeling van zijn mate van arbeidsongeschiktheid bij einde wachttijd onderzocht door de verzekeringsarts H. Oderkerk, die hem ingaande 10 juni 1996 arbeidsgeschikt achtte. Een hersteldverklaring is toen echter niet afgegeven. Op 1 juli 1996 heeft appellant zijn werkzaamheden hervat. Op 31 juli 1996 is hij wederom uitgevallen. Ingaande 7 augustus 1997 heeft gedaagde hem uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Uiteindelijk is appellant bij het in rubriek I vermelde besluit van 16 juni 1998 per 1 juli 1996 hersteld verklaard, welk besluit - na bezwaar - bij het bestreden besluit is gehandhaafd.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat appellant geen belang heeft bij een beslissing met betrekking tot het bestreden besluit.

De rechtbank heeft daarbij overwogen dat met de invoering van de nieuwe regelgeving inzake zieke werknemers per 1 maart 1996 in principe het verzuimrisico bij de werkgever ligt en dat ingevolge artikel 629, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek op de werkgever van appellant de verplichting tot betaling van 70% van het loon van appellant rustte.

Nu de werkgever deze verplichting is nagekomen, ligt het belang - zo dit er al is - bij de werkgever van appellant en niet bij appellant.

In hoger beroep heeft appellant - kort samengevat - aangevoerd dat hij vanaf 1 juli 1996 op therapeutische basis werkzaam was en dat de rechtbank de vraagstelling met betrekking tot het belang te beperkt heeft uitgelegd.

De Raad overweegt als volgt.

De rechtbank refereert in haar uitspraak aan de invoering van de nieuwe regelgeving inzake zieke werknemers per 1 maart 1996, daarmee kennelijk doelend op de per die datum in werking getreden Wet uitbreiding loondoorbetalingsplicht bij ziekte (Wulbz) en in het bijzonder het bij deze wet ingrijpend gewijzigde artikel 29 van de ZW.

In de overgangsbepalingen van Wulbz is evenwel in artikel XXXIV, eerste lid, onder b, bepaald dat de Ziektewet en de daarop berustende bepalingen zoals deze luidden op de dag voor de inwerkingtreding van deze wet van toepassing blijven op het recht op ziekengeld van de verzekerde wiens ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte intreedt op of na de datum van inwerkingtreding van deze wet en tevens binnen vier weken nadat een voor die inwerkingtreding gelegen periode van ongeschiktheid door herstel is geëindigd, zolang die ongeschiktheid duurt.

Naar het oordeel van de Raad doet evenvermelde situatie zich hier voor nu appellant van 1 november 1995 tot 14 maart 1996 en vanaf 9 april 1996 - derhalve met een onderbreking van minder dan vier weken - ongeschikt tot het verrichten van zijn arbeid is geweest.

Gelet op evenbedoelde overgangsbepaling is bij de beoordeling van de arbeidsgeschiktheid van appellant op en na 1 juli 1996 niet artikel 29 van de ZW zoals dat gewijzigd werd bij de invoering van Wulbz per 1 maart 1996 van toepassing, maar zoals dat luidde vóór de inwerkingtreding van deze wet. In het van toepassing zijnde artikel 29 van de ZW, zoals ingevoerd met de inwerkingtreding van de Wet terugdringing ziekteverzuim (Tz) per 1 januari 1994, is onder meer geregeld dat geen ziekengeld wordt uitgekeerd over een tijdvak van zes (dan wel twee) weken vanaf de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken.

De beantwoording van de vraag of appellant op 1 juli 1996 terecht arbeidsgeschikt is verklaard kan derhalve niet alleen gevolgen hebben voor de aanspraken van appellant op loondoorbetaling maar ook voor zijn aanspraken op grond van de Ziektewet.

Naar het oordeel van de Raad heeft appellant dan ook belang bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit.

Uit het voorafgaande vloeit voort dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak - met ontvankelijkverklaring van het beroep - voor vernietiging in aanmerking komt. De Raad zal onder toepassing van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, van de Beroepswet, de zaak terugwijzen naar de rechtbank Breda.

De Raad ziet aanleiding om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep, begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand.

Van andere op grond van dat artikel in hoger beroep te vergoeden kosten is de Raad niet gebleken.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in artikel 24 en 25, eerste lid, van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat het door appellant zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gestorte griffierecht door gedaagde dient te worden vergoed.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Wijst de zaak terug naar de rechtbank Breda;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het gestorte recht van € 77,14 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk en mr. R.P.Th. Elshoff als leden in tegenwoordigheid van mr. J.W.P. van der Hoeven als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2002.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.W.P. van der Hoeven.