Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE7043

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-05-2002
Datum publicatie
16-09-2002
Zaaknummer
00/724 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/724 WUBO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 30 december 1999, kenmerk JZ/T/1999/548, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft mr. E. Unger, advocaat te Amsterdam, als gemachtigde van eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In het aanvullend beroepschrift is uiteengezet waarom eiseres zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 11 april 2002. Aldaar is eiseres verschenen bij haar voornoemde gemachtigde, terwijl verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

In augustus 1998 heeft eiseres, geboren [in] 1932, een verzoek ingediend om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en om toekenning van een periodieke uitkering. Daartoe heeft eiseres gesteld dat zij gezondheidsklachten heeft overgehouden aan de oorlogservaringen, die zij aan haar aanvraag ten grondslag heeft gelegd.

Bij besluit van 17 maart 1999, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, heeft verweerster op deze aanvraag afwijzend beslist. Daartoe is overwogen dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer zoals vermeld in artikel 2, eerste lid, onder a en b, van de Wet.

In beroep heeft eiseres te kennen gegeven dat het bestreden besluit niet juist is, voor- zover verweerster ervan is uitgegaan dat eiseresses verplichte lidmaatschap van de Hitlerjugend, haar verblijf in Lüneburg en in een internaat te Leisnig niet kunnen worden gezien als calamiteiten in de zin van artikel 2, eerste lid, sub a en b, van de Wet en dat de betrokkenheid bij bombardementen in Dresden onvoldoende is komen vast te staan.

De Raad heeft in dit geding de vraag te beantwoorden of verweerster, gelet op hetgeen van de zijde van eiseres is aangevoerd, op goede gronden tot haar in het bestreden besluit neergelegde standpunt heeft kunnen komen. De Raad overweegt daartoe het volgende.

De Raad stelt, overeenkomstig zijn constante jurisprudentie in dezen, voorop dat algemene oorlogsomstandigheden - waaraan in de oorlogsjaren eenieder in meerdere mate heeft blootgestaan - niet zijn aan te merken als calamiteiten in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet.

Eiseres heeft bij haar aanvraag en vervolgens in haar bezwaarschrift tegen het besluit van 17 maart 1999, kort samengevat, aangevoerd dat zij door haar verplichte lidmaatschap van de Hitlerjugend en het verblijf in Lüneburg en Leisnig psychisch letsel heeft opge-lopen waardoor zij arbeidsongeschikt is geworden. In januari 1945 is zij naar Duitsland gevoerd en kwam in Lüneburg terecht. Vervolgens is zij naar Leisnig gebracht, waar zij in een internaat verbleef. Het internaat werd gebombardeerd, waarbij zij gewond werd door een granaatscherf. Via Teplich Schönau (Leisnig) is zij naar Dresden gebracht, waar zij eveneens bombardementen meemaakte, en vervolgens naar Tsjechoslowakije. Daar werd zij door Amerikanen opgevangen in een kamp. Via Frankrijk is zij uiteindelijk weer in Nederland terechtgekomen.

Ter zake van deze gebeurtenissen heeft verweerster informatie ingewonnen bij het Nederlandse Rode Kruis, het Bevolkingsregister in Amsterdam en bij het Ministerie van Justitie. Met betrekking tot de reis naar Duitsland en het verplichte lidmaatschap van de Hitlerjugend werden geen bevestigingsgegevens verkregen of overgelegd. Het verblijf op een school of internaat in Leisnig kon evenmin worden bevestigd. Overigens kunnen deze gebeurtenissen naar de visie van verweerster niet worden beschouwd als calamiteiten in de zin van artikel 2 van de Wet. Ook de betrokkenheid bij bombardementen op Leisnig en Dresden is niet komen vast te staan.

De Raad heeft in de hij het vanwege verweerster verrichte onderzoek naar de door eiseres gestelde oorlogsgebeurtenissen naar voren gekomen gegevens geen grond gezien om verweerster in deze opvatting niet te volgen.

Met betrekking tot het beweerdelijk verplichte lidmaatschap van eiseres van de Hitlerjugend en het verblijf in het internaat in Leisnig acht de Raad voldoende aanneme-lijk dat dit berustte op het formele standpunt van de Duitse autoriteiten dat op eiseres, vanwege de Duitse nationaliteit van haar vader, de op dit punt geldende Duitse wet van rechtstreekse toepassing was. Van een verband met de desertie van haar vader uit het Duitse leger, zoals namens eiseres gesteld, is niet gebleken. Het door verweerster in dezen gehanteerde uitgangspunt dat de onderhavige maatregelen niet als een maatregel van de vijandelijke bezettende macht kunnen worden gezien, acht de Raad derhalve juist.

Ter zake van de betrokkenheid van eiseres bij bombardementen te Leisnig en Dresden heeft verweerster ook na zorgvuldig onderzoek geen bevestiging kunnen verkrijgen. Uit de zich onder de gedingstukken bevindende verklaring van de orthopeed

P.F. Schillemans blijkt evenmin van geconstateerd knieletsel ten gevolge van een granaatscherf. Deswege heeft verweerster deze gebeurtenissen niet bij haar beoordeling in aanmerking genomen. De Raad kan dit oordeel van verweerster niet anders dan onderschrijven. Voorts onderschrijft de Raad het standpunt van verweerster dat eerst beoordeeld dient te worden of er sprake is van geverifieerde calamiteiten in de zin van artikel 2 van de Wet, alvorens medisch advies wordt ingewonnen.

Gezien het vorenstaande kan het bestreden besluit in rechte standhouden. Dit betekent dat het ingestelde beroep ongegrond dient te worden verklaard.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van de proceskosten.

Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. W.D.M. van Diepenbeek als voorzitter en mr. H.R. Geerling-Brouwer en mr. C.P.J.Goorden als leden, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2002.

(get.) W.D.M. van Diepenbeek.

(get.) L. Jörg.

JvS

0606