Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE7029

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-05-2002
Datum publicatie
16-09-2002
Zaaknummer
00/5854 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 20
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/5854 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Verweerster heeft onder dagtekening 11 oktober 2000, kenmerk JZ/X60/2000/868, ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft mr. M. Heijsteeg, als gemachtigde van eiseres, beroep ingesteld bij de Raad. In een aanvullend beroepschrift, met bijlagen, is uiteengezet waarom eiseres zich met het besluit niet kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 7 maart 2002 heeft mr. Heijsteeg voornoemd aangegeven dat mr. F.H. Koers eiseres (ook) in deze zaak tijdens de zitting zal bijstaan. Bij brief van 18 maart 2002 heeft mr. Koers voornoemd dit bevestigd.

Het geding is, gevoegd met het geding tussen partijen bekend onder nummer 99/4206 WUV, behandeld ter zitting van de Raad van 11 april 2002. Daar is eiseres in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Koers voornoemd, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Eiseres is blijkens de gedingstukken op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wet gelijkgesteld met de vervolgde. Daarbij is aanvaard dat de psychische klachten van eiseres in het vereiste verband staan met de in aanmerking genomen oorlogsomstandigheden. Naast een periodieke uitkering heeft verweerster aan eiseres in het verleden verschillende voorzieningen toegekend, waaronder een vergoeding voor creatieve therapie en een vergoeding voor teken- en schilderlessen, driemaal per week. Beide vergoedingen zijn eenmaal verlengd.

In april 2000 heeft eiseres bij verweerster een vervolgaanvraag ingediend om een vergoeding dan wel tegemoetkoming voor de huur van een atelier. Zij heeft hierbij aangegeven dit atelier te willen gebruiken voor schilderactiviteiten dichter bij huis en daarbij (per september 2000) de teken- en schilderlessen 'om te willen zetten' van drie- naar tweemaal per week.

Verweerster heeft de aanvraag bij besluit van 24 juli 2000, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, afgewezen, op de grond dat, nog buiten beschouwing gelaten of er voor deze voorziening een medische noodzaak of medisch-sociale wenselijkheid aanwezig zou zijn op grond van de causale klachten van eiseres, deze voorziening, gelet op de eerder toegekende vergoedingen voor creatieve therapie en teken- en schilderlessen, niet proportioneel is te achten.

Verweerster heeft ter zitting haar standpunt nog nader toegelicht en onder meer aangegeven dat de gevraagde voorziening niet proportioneel is geacht in die zin dat de gevraagde vergoeding dan wel tegemoetkoming voor de huur van een atelier door verweerster niet is aangemerkt als extra kosten in de zin van de artikelen 20 en 21 van de Wet.

De Raad dient in dit geding te beoordelen of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan stand houden. Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

De Raad ziet zich gesteld voor de vraag of verweerster zich in dit geval terecht op het standpunt heeft gesteld dat de gevraagde bijdrage in de huur van een atelier, nog daargelaten de medische noodzaak of medisch-sociale wenselijkheid ervan, gelet op de reeds aan eiseres toegekende vergoedingen voor creatieve therapie en teken- en schilderlessen, disproportioneel moet worden geacht.

Op grond van de gedingstukken stelt de Raad vast dat de vergoedingen voor creatieve therapie en teken- en schilderlessen aan eiseres zijn toegekend voor extra kosten verbonden aan in het kader van psychotherapie aan eiseres voorgeschreven creatieve therapie en dat zij bovendien in duur zijn begrensd. De Raad vermag niet in te zien hoe de onderhavige vergoeding dan wel tegemoetkoming voor de huur van een atelier, die is gevraagd in het verlengde van de reeds toegekende vergoedingen voor creatieve therapie, binnen het zojuist aangegeven kader past. Naar het oordeel van de Raad staat de gevraagde voorziening in een te ver verwijderd verband met de aan eiseres reeds toegekende, in duur begrensde, vergoedingen voor creatieve therapie om nog te kunnen oordelen dat sprake is van extra dan wel bijzondere kosten als bedoeld in de artikelen 20 en 21 van de Wet.

Verweerster heeft zich naar het oordeel van de Raad dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de gevraagde vergoeding dan wel tegemoetkoming voor de huur van een atelier, gelet op de reeds toegekende voorzieningen, disproportioneel moet worden geacht.

De Raad merkt naar aanleiding van hetgeen namens eiseres in dit verband is aangevoerd nog op niet in te zien hoe de door eiseres voorgestelde 'omzetting' van drie naar twee schilder- en tekenlessen per week, wat hiervan overigens ook zij, aan het gebrek aan proportionaliteit, in de zin als hiervoor aangegeven, iets af zou kunnen doen. Hetgeen namens eiseres met betrekking tot de medische noodzaak dan wel medisch-sociale wenselijkheid van de gevraagde voorziening is aangevoerd, behoeft naar het oordeel van de Raad in dit geval geen nadere bespreking, aangezien de medische kant van de gevraagde voorziening - naar in het vorenstaande besloten ligt - thans niet aan de orde is.

Gezien het voorgaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond en dient het beroep van eiseres dient derhalve ongegrond te worden verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. G.J.H. Doornewaard als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2002.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) A. Kovács.

2405

JvS