Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE7025

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-05-2002
Datum publicatie
16-09-2002
Zaaknummer
00/6466 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 7
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

00/6466 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Verweerster heeft onder dagtekening 14 november 2000, kenmerk JZ/X60/2000/997, ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna te noemen: de Wet).

Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld bij de Raad. In het beroepschrift - met bijlagen - is uiteengezet waarom zij zich met het besluit niet kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 14 maart 2002 heeft eiseres nog enkele stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 21 maart 2002. Daar is eiseres in persoon verschenen, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Blijkens de gedingstukken was wijlen de echtgenoot van eiseres, [echtgenoot], ten tijde van zijn overlijden [in] 2000, in het genot van een uitkering ingevolge de Wet. Bij besluit van 2 augustus 2000, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerster eiseres als weduwe van een vervolgde op grond van het bepaalde in artikel 7, vierde lid, van de Wet in aanmerking gebracht voor een periodieke uitkering over de periode van 1 augustus 2000, zijnde de eerste dag van de derde maand volgend op die, waarin het overlijden heeft plaatsgehad, tot 1 juni 2002.

Op grond van artikel 7, vierde lid, van de Wet, wordt de in het eerste lid, van artikel 7 bedoelde uitkering aan de weduwe van de vervolgde ten hoogste gedurende een tijdvak van twee jaren na de datum van overlijden verleend, indien de weduwe op dat tijdstip nog niet de 40-jarige leeftijd heeft bereikt, tenzij zij arbeidsongeschikt is, of een of meer minderjarige kinderen te haren laste heeft.

Tussen partijen is blijkens het verhandelde ter zitting thans niet meer in geschil dat eiseres niet voldoet aan de in voormelde, dwingendrechtelijke bepaling gestelde vereisten om voor een uitkering van langere duur in aanmerking te komen.

Eiseres stelt nog slechts dat wijlen haar echtgenoot destijds door een bij verweerster werkzame beambte onvolledig is voorgelicht over de duur van een mogelijke weduwe-uitkering en dat zij, indien zij op de hoogte waren geweest van genoemde bepaling (wellicht) niet zouden zijn gehuwd gezien onder meer hun verschil in leeftijd.

Haar verzoek om vergoeding van tengevolge van die onvolledige voorlichting geleden schade heeft eiseres ter zitting niet gehandhaafd.

Voor zover eiseres al, gelet op het vorenstaande, nog enig belang zou hebben bij een rechterlijke beoordeling van het bestreden besluit, moet de Raad vaststellen dat het bestreden besluit overeenkomstig de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen is genomen. De Raad is voorts met verweerster van oordeel dat uit de ter beschikking staande gegevens wel kan worden afgeleid dat er telefonisch contact is geweest maar niet dat er van verweersters zijde enige (onvolledige) voorlichting met betrekking tot artikel 7 van de Wet is gegeven. Daarbij merkt de Raad nog op dat deze bepaling op zich duidelijk is.

Hetgeen hierboven is overwogen brengt mee dat het namens eiseres ingestelde beroep ongegrond moet worden verklaard.

De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht een der partijen te veroordelen in de proceskosten.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács, en uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2002.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) A. Kovács.

HD

21.04