Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE7024

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-06-2002
Datum publicatie
16-09-2002
Zaaknummer
00/114 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemeen militair ambtenarenreglement 63, geldigheid: 2002-06-27
Algemeen militair ambtenarenreglement 85, geldigheid: 2002-06-27
Algemene wet bestuursrecht 3:3, geldigheid: 2002-06-27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2003/9

Uitspraak

00/114 MAW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Commandant maritieme middelen te Den Helder als rechtsopvolger van de Commandant van Hr.Ms. [scheepsnaam], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 1 december 1999, nr. AWB 99/4073 MAWKMA, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, waarop appellant heeft gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van 16 mei 2002, waar voor appellant is verschenen mr. H.J.G. Dudink, advocaat te Amersfoort. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. H.P. van der Lelie, werkzaam bij het Ministerie van Defensie.

II. MOTIVERING

1. Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitvoeriger weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden volstaat de Raad met het volgende.

1.1. Appellant, ten tijde hier in geding als [functie] van de [dienst] werkzaam aan boord van Hr.Ms. [scheepsnaam], heeft de commandant van dat schip (hierna: de commandant) op 29 juni 1998 verzocht hem buitengewoon verlof te verlenen als bedoeld in artikel 85, eerste lid, onder i, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR), op grond van welke bepaling aan de militair buitengewoon verlof met behoud van militaire inkomsten wordt verleend bij ernstige ziekte van

- onder anderen - de echtgenote, voor de periode van 11 juni 1998 tot en met 24 juni 1998. Appellants echtgenote is van 11 juni 1998 tot en met 22 juni 1998 in het ziekenhuis opgenomen geweest. Appellant heeft als belangrijkste reden gesteld dat hij gedurende de eerst vermelde periode zijn driejarige dochter, voor wie hij geen opvang heeft kunnen regelen, heeft moeten verzorgen. Daarnaast heeft appellant verklaard voor zijn echtgenote te hebben moeten zorgen.

1.2. Bij besluit van 15 juli 1998 heeft de commandant appellant buitengewoon verlof van drie werkdagen verleend, op te nemen in de periode van 11 juni 1998 tot en met 24 juni 1998. Dat besluit is na bezwaar bij het thans bestreden besluit van 14 april 1999 gehandhaafd. De commandant acht het redelijk buitengewoon verlof toe te kennen voor de dag van opname in het ziekenhuis, de dag van opereren en de dag van terugkeer uit het ziekenhuis. Voorts heeft de commandant het vaarprogramma van Hr.Ms. [scheepsnaam] in aanmerking genomen alsmede het feit dat betrokkene nog recht heeft op voldoende vrije dagen wegens snipperdagen, ADV-dagen en dagen wegens wachtcompensatie, tot het opnemen waarvan in die periode appellant door de commandant in staat is gesteld.

1.3. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2. De Raad onderschrijft in hoofdlijnen hetgeen de rechtbank heeft overwogen onder toevoeging daaraan van het volgende.

2.1. Tussen partijen is niet in geschil dat de desbetreffende aanvraag van appellant verband hield met ernstige ziekte van zijn echtgenote. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of de commandant verplicht was aan appellant op zijn aanvraag voor de gehele periode van 11 juni 1998 tot en met 24 juni 1998 buitengewoon verlof te verlenen met behoud van militaire inkomsten.

2.2. Volgens appellant mocht de commandant hem dat verlof in de omvang als verzocht niet weigeren, primair omdat de bewoordingen van artikel 85, eerste lid, onder i, van het AMAR daaraan in de weg staan. De Raad volgt appellant hierin niet.

2.2.1. Volgens het in hoofdstuk 8 van het AMAR geplaatste artikel 85, eerste lid, onder i, wordt aan de militair op zijn aanvraag buitengewoon verlof met behoud van inkomsten verleend bij ernstige ziekte van - onder anderen - zijn echtgenote. Ingevolge 63, tweede lid, van het AMAR wordt, onder vermelding van de redenen, verlof op aanvraag niet verleend voor zover de belangen van de dienst dit, naar het oordeel van - in het onderhavige geval - de commandant vorderen.

2.2.2. Blijkens plaatsing van artikel 63, tweede lid, van het AMAR in § 1, getiteld "Algemene bepalingen inzake verlof" van hoofdstuk 8, is de commandant met betrekking tot alle in dat hoofdstuk vermelde vormen van verlof op aanvraag uitdrukkelijk de bevoegdheid toegekend te beslissen het verlof niet te verlenen voor zover de belangen van de dienst dit naar zijn oordeel vorderen. Dit geldt derhalve ook voor de door appellant gedane aanvraag om buitengewoon verlof als bedoeld in artikel 85, eerste lid, onder i, van het AMAR gedurende de periode van 11 juni 1998 tot en met 24 juni 1998.

2.3. Met betrekking tot hetgeen appellant overigens naar voren heeft gebracht overweegt de Raad dat de commandant in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat de belangen van de dienst vorderden dat de periode waarvoor het buitengewoon verlof werd verleend beperkt bleef tot de in het besluit van 15 juli 1998 toegekende drie dagen teneinde appellant in staat te stellen bij zijn echtgenote aanwezig te zijn bij de opname in het ziekenhuis, de dag van operatie en die van het ontslag uit het ziekenhuis. Dat daarvan het gevolg is geweest dat appellant zich genoodzaakt zag vrije dagen op te nemen om zijn dochter op te vangen kan daaraan niet afdoen. De Raad is ook overigens niet gebleken van omstandigheden die tot het oordeel moeten leiden dat van appellant niet gevergd kon worden dat hij vrije dagen zou inzetten om in de desbetreffende periode voor zijn dochtertje te zorgen.

2.4. Aan het eerder overwogene doet evenmin af dat met het inzetten van die vrije dagen het dienstbelang werd gediend, dat niet te veel vrije dagen van appellant naar 1999 werden overgeschreven, omdat dit problemen zou kunnen geven gezien het vaar-programma van het schip. Bij zijn beslissing omtrent de omvang van het buitengewoon verlof kon en mocht de commandant met het laatstbedoeld dienstbelang rekening houden. De Raad vermag dan ook niet in te zien dat de commandant door niet meer dan drie werkdagen buitengewoon verlof toe te kennen zijn bevoegdheid daartoe voor een ander doel - volgens appellant gedwongen beperking van de mogelijkheid van appellant naar eigen keuze vrije dagen op te nemen - heeft uitgeoefend dan waarvoor die bevoegdheid is verleend.

2.5. Appellants betoog dat van hem niet verlangd mocht worden zijn vrije dagen te benutten omdat daardoor inbreuk werd gemaakt op de omvang van zijn vakantieverlof en het doel van vakantieverlof nu juist is dat hij in de gelegenheid wordt gesteld gedurende een zekere aaneengesloten periode van rust te herstellen van de geestelijke en lichamelijke inspanningen, verbonden aan de arbeid treft geen doel omdat appellant in de desbetreffende periode geen vakantieverlof heeft hoeven op te nemen.

2.6. Aan appellants stelling dat het besluit van de commandant om het buitenwoon verlof te beperken tot drie werkdagen blijk geeft van willekeur omdat een gelijksoortig verzoek van een collega van appellant wel volledig is gehonoreerd gaat de Raad voorbij reeds omdat appellant die stelling op geen enkele wijze heeft geconcretiseerd.

2.7. Gezien het voorgaande slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Aangezien de Raad geen aanleiding ziet toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de proceskosten, wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. J.H. van Kreveld en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van N. Doekharan als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2002.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) N. Doekharan.

HD

06.06

Q