Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE6847

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-08-2002
Datum publicatie
23-08-2002
Zaaknummer
00/3119 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:11, geldigheid: 2002-08-13
Wet afschaffing malus en bevordering reïntegratie, geldigheid: 2002-08-13
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 43a, geldigheid: 2002-08-13
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 19, geldigheid: 2002-08-13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2002/279 met annotatie van Redactie (zie «USZ» 2002/289
RSV 2002, 283

Uitspraak

00/3119 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[Gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 17 april 1998 heeft appellant geweigerd om gedaagde in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

Namens gedaagde is bij schrijven van 7 mei 1998 tegen dat besluit bezwaar gemaakt.

Appellant heeft dat bezwaar bij besluit van 2 september 1998 ongegrond verklaard.

Namens gedaagde is bij beroepschrift van 23 september 1998 beroep ingesteld tegen voormeld besluit van 2 september 1998 (hierna: het bestreden besluit).

De rechtbank Leeuwarden heeft bij uitspraak van 28 april 2000 het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, en bepaald dat appellant een nieuw besluit op bezwaar zal nemen met inachtneming van het in de uitspraak overwogene. Tevens zijn aanvullende beslissingen gegeven inzake vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Appellant heeft bij beroepschrift van 5 juni 2000 hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak. De gronden waarop het beroep rust zijn aangevoerd bij aanvullend beroepschrift van 22 augustus 2000.

Van de zijde van gedaagde is geen gebruik gemaakt van de haar geboden gelegenheid om een verweerschrift in te dienen.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 21 mei 2002, waar voor appellant is verschenen mr. P.J. van Ogtrop, werkzaam bij het Uwv, en waar gedaagde niet is verschenen.

II. MOTIVERING

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Gedaagde heeft haar werkzaamheden als productiemedewerkster in een omvang van 17 uur per week op 3 oktober 1994 gestaakt, wegens onder meer nekklachten als gevolg van een haar op 17 augustus 1994 overkomen verkeersongeval. Bij besluit van 29 september 1995 heeft appellant geweigerd om gedaagde in aansluiting op de verstrekking van ziekengeld gedurende een periode van 52 weken, met ingang van 2 oktober 1995, in aanmerking te brengen voor uitkeringen krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de WAO.

De rechtbank Leeuwarden heeft het beroep tegen dat besluit bij uitspraak van 22 mei 1997 ongegrond verklaard. Die uitspraak is door de Raad bij uitspraak van 20 oktober 2000 bevestigd.

Op 20 maart 1998 heeft gedaagde opnieuw een arbeidsongeschiktheidsuitkering aangevraagd. Bij het vanwege appellant ingestelde verzekeringsgeneeskundige onderzoek is vastgesteld dat ten aanzien van gedaagde sprake is van toegenomen beperkingen als gevolg van bekkeninstabiliteit, ontstaan in de zesde maand van gedaagdes zwangerschap, circa 1 augustus 1997. De destijds medio 1995 in het kader van voormeld besluit van 29 september 1995 in aanmerking genomen beperkingen als gevolg van gedaagdes nekklachten (post-whiplashsyndroom) waren naar het oordeel van appellants verzekeringsarts evenwel ongewijzigd.

Appellant heeft vervolgens bij het in rubriek I vermelde besluit van 17 april 1998 geweigerd om gedaagde in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de WAO. Appellant heeft daarbij overwogen dat geen sprake is van arbeidsongeschiktheid die voortkomt uit dezelfde oorzaak, als bedoeld in artikel 43a van die wet, in verband waarmee toekenning van uitkering na vier weken, te rekenen vanaf 1 augustus 1997, niet mogelijk is.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit van 2 september 1998, waarbij voormeld besluit is gehandhaafd, gegrond verklaard. De rechtbank heeft zich weliswaar niet kunnen verenigen met de in beroep naar voren gebrachte opvatting van gedaagde dat er wel sprake is van een toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde oorzaak, maar was van oordeel dat het bestreden besluit om de navolgende twee redenen in rechte geen stand kan houden.

In de eerste plaats heeft appellant het bestreden besluit, aldus de rechtbank, ten onrechte doen rusten op slechts een medische beoordeling. Appellant had per de in geding zijnde datum 29 augustus 1997 ook de arbeidskundige aspecten in ogenschouw dienen te nemen.

In de tweede plaats heeft de rechtbank geoordeeld dat in het bestreden besluit ten onrechte niet tevens is beslist over het recht op WAO-uitkering van gedaagde na ommekomst van de wachttijd van 52 weken. In dit verband heeft de rechtbank overwogen dat gedaagde geacht moet worden op 20 maart 1998 een aanvraag om een WAO-uitkering te hebben ingediend welke niet alleen op de toepassing van artikel 43a van de WAO betrekking heeft. De rechtbank vermag in dat verband niet in te zien waarom gedaagde, naar door appellant in het primaire besluit aan gedaagde was geadviseerd, na acht maanden een nieuwe aanvraag had moeten indienen inzake haar aanspraak op uitkering in aansluiting op de wachttijd van 52 weken. Voorts heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit op 2 september 1998 de op 1 augustus 1997 begonnen wachttijd van 52 weken reeds was verstreken.

Appellant heeft zich neergelegd bij de eerstvermelde zienswijze van de rechtbank dat per de in geding zijnde datum 29 augustus 1997 ook de arbeidskundige aspecten hadden moeten worden beoordeeld.

Het door appellant ingestelde hoger beroep richt zich uitsluitend tegen de laatstvermelde opvatting van de rechtbank dat hij bij het bestreden besluit ook had dienen te beslissen over gedaagdes recht op uitkering in aansluiting op de reguliere wachttijd van 52 weken, als bedoeld in artikel 19 van de WAO.

De Raad ziet dit hoger beroep doel treffen.

Ingevolge artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vindt op grondslag van het bezwaar heroverweging van het bestreden besluit plaats.

In het door gedaagde aangevochten primaire besluit van 17 april 1998 is uitsluitend beoordeeld of gedaagde aan het bepaalde in artikel 43a van de WAO aanspraak op uitkering kon ontlenen per 29 augustus 1997, de datum waarop haar gestelde arbeidsongeschiktheid, te rekenen vanaf de toename van haar beperkingen per 1 augustus 1997, onafgebroken vier weken had geduurd. De Raad voegt daaraan toe dat, gezien de datum daarvan, het primaire besluit ook slechts een beslissing kòn inhouden inzake gedaagdes aanspraken ingevolge artikel 43a van de WAO, althans geen beslissing kon inhouden met betrekking tot gedaagdes aanspraken ingevolge artikel 19 van de WAO, nu de in laatstgenoemd artikel vervatte wachttijd van 52 weken immers op dat moment nog niet was verstreken.

Niet valt deswege in te zien dat appellants heroverweging in bezwaar van de in het primaire besluit vervatte afwijzing van gedaagdes WAO-aanvraag, zich mede had dienen uit te strekken tot een beoordeling van de aanspraak van gedaagde op uitkering na ommekomst van een wachttijd van 52 weken, zoals de rechtbank heeft overwogen, waarbij de Raad nog aantekent dat de rechtbank heeft miskend dat het hier gaat om bepalingen die, afgezien van het verschil in wachttijd, ook anderszins een eigen normering en toetsingskader kennen.

De Raad merkt nog op dat de door de rechtbank gehuldigde opvatting dat een belanghebbende geen afzonderlijke aanvragen om uitkering krachtens artikel 43a van de WAO en artikel 19 van de WAO behoeft in te dienen, maar kan volstaan met één aanvraag - appellants gemachtigde heeft ter zitting aangegeven dat die opvatting zijnerzijds niet op formele bezwaren stuit, maar heeft gewezen op de daaraan verbonden bezwaren van vooral praktisch-administratieve aard, in verband waarmee in gevallen als het onderhavige aan belanghebbenden steeds wordt verzocht om opnieuw een aanvraag in te dienen als de arbeidsongeschiktheid acht maanden heeft geduurd - zulks in het licht van het vorenoverwogene slechts tot de conclusie kan voeren dat appellant alsdan gehouden is zich ter zake van gedaagdes aanspraken op uitkering in aansluiting op de wachttijd van 52 weken alsnog te beraden en dienaangaande een primaire beslissing uit te reiken.

Uit het vorenoverwogene volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor vernietiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

De Raad beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.D. Streefkerk als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2002.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.D. Streefkerk.