Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE6835

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-07-2002
Datum publicatie
23-08-2002
Zaaknummer
01/946 AAW + 01/2058 AAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2002-07-19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2002/285
USZ 2002/267

Uitspraak

01/946 en 01/2058 AAW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 20 juli 1999 heeft gedaagde bepaald dat appellant een bedrag van € 24.466,41 (voorheen: f 53.916,87) dient terug te betalen in maandelijkse termijnen, waarbij gedaagde de maximale aflossingscapaciteit van appellant heeft vastgesteld op € 289,45 (voorheen: f 637,87) per maand en heeft bepaald dat de eerste termijnbetaling op 1 augustus 1999 dient te zijn betaald. Omdat aldus de gehele vordering niet binnen de daarvoor gestelde termijn van maximaal 12 maanden kan worden terugbetaald, heeft gedaagde voorts bepaald dat appellant ter voldoening van het restant van de vordering zijn vermogen dient aan te wenden.

Bij besluit van 28 oktober 1999, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit van 20 juli 1999 ongegrond verklaard.

De rechtbank 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 18 december 2000 het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.

Namens appellant heeft mr. H.C.M. Schaeken, advocaat te Eersel, tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 27 maart 2001 heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch onder meer een nader besluit van gedaagde van 30 januari 2001 ingezonden, bij welk besluit gedaagde het bezwaar van appellant tegen zijn eerdere besluit van 20 juli 1999 wederom ongegrond heeft verklaard. Namens appellant had mr. Schaeken, voornoemd, beroep bij die rechtbank ingesteld tegen het nadere besluit van 30 januari 2001.

Bij brief van 10 april 2001 heeft de Raad partijen meegedeeld dat hij heeft besloten om in het kader van het onderhavige geding tevens een oordeel te geven over het nadere besluit van 30 januari 2001.

Gedaagde heeft een verweerschrift d.d. 22 mei 2001 ingediend.

Namens appellant heeft mr. Schaeken bij brief van 1 juni 2001 de gronden van het hoger beroep aangevuld.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 7 juni 2002, waar appellant is verschenen bij gemachtigde mr. Schaeken, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. Th.H.C. van der Meijden, werkzaam bij het Uwv, als zijn gemachtigde.

II. MOTIVERING

De Raad is in de eerste plaats van oordeel dat het nadere besluit van 30 januari 2001, onder analoge toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dient te worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 6:18 van de Awb en dat, omdat dat nadere besluit niet geheel aan het beroep tegemoet komt, het ingestelde hoger beroep moet worden geacht mede te zijn gericht tegen dat nadere besluit van 30 januari 2001. Nu de in hoger beroep van de zijde van appellant aangevoerde bezwaren aan de orde kunnen en dienen te komen in het kader van de beoordeling van dat nadere besluit en de Raad niet is gebleken dat appellant enig belang heeft bij een bevestiging van de aangevallen uitspraak waarbij het bestreden besluit van 28 oktober 1999 is vernietigd, is de Raad voorts van oordeel dat het hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Tussen partijen is, gelet op de door hen ter zitting in hoger beroep ingenomen standpunten, nog slechts in geschil het antwoord op de vraag of het gedaagde vrijstond, gelet op het feit dat partijen medio 1997 waren overeengekomen dat appellant het door hem terug te betalen bedrag zou terugbetalen in maandelijkse termijnen van € 136,13 (voorheen: f 300,-), naderhand eenzijdig het maandelijks af te lossen bedrag te stellen op € 289,45 (voorheen: f 637,87) per maand.

Appellant heeft zich, kort gezegd, op het standpunt gesteld dat hij met gedaagde een terugbetalingsregeling overeen was gekomen en dat die overeengekomen regeling er aan in de weg staat dat bij een later besluit het maandelijks terug te betalen bedrag in afwijking van die regeling op een veel hoger bedrag wordt vastgesteld. Het staat, zo heeft appellant doen betogen, één der partijen bij een overeenkomst niet zo maar vrij in afwijking van die overeenkomst te besluiten.

De Raad stelt voorop dat naar zijn oordeel niet kan worden gesproken van een tussen partijen bestaande overeenkomst in civielrechtelijke zin, waarop de bepalingen van het civiele recht van toepassing zijn. De verplichting tot terugbetaling van appellant van hetgeen aan hem onverschuldigd is betaald, wordt geregeerd door het bestuursrecht, hetgeen meebrengt dat de wijze waarop een door een bestuursorgaan als gedaagde teruggevorderd bedrag wordt ingevorderd of verrekend in beginsel wordt neergelegd in een door dat bestuursorgaan genomen besluit, welk besluit alsdan de rechtsverhouding tussen partijen bepaalt. De omstandigheid dat in het voorliggende geval appellant heeft voorgesteld het door hem terug te betalen bedrag te voldoen in maandelijkse termijnen van € 136,13 (voorheen: f 300,-) en gedaagde in eerste instantie met dat voorstel kon instemmen, maakt een en ander niet anders.

Gedaagde heeft, in de omstandigheid dat appellant hem bij schrijven van 21 december 1998 heeft verzocht om uitstel van zijn verplichting tot terugbetaling van hetgeen hij aan gedaagde was verschuldigd in verband met het gegeven dat hij, naar hij stelde, daartoe niet in de gelegenheid was, aanleiding gezien om de maximale aflossingscapaciteit van appellant opnieuw te berekenen en de door appellant af te lossen termijnbedragen vast te stellen op een bedrag van € 289,45 (voorheen: f 637,87) per maand. Voorts blijkt uit de voorhanden zijnde gegevens dat appellant in maart 1999 een bedrag van € 45,38 (voorheen: f 100,-) heeft betaald ten behoeve van december 1998 en in mei 1999 twee maal eenzelfde bedrag ten behoeve van de maanden januari en februari 1999 en in juni 1999 nog een maal datzelfde bedrag. Uit deze, feitelijk door appellant terugbetaalde bedragen leidt de Raad af dat appellant kennelijk van oordeel was niet het eerder vastgestelde termijnbedrag van € 136,13 (voorheen: f 300,-) te behoeven terugbetalen.

In de hierboven weergegeven situatie acht de Raad geen geschreven of ongeschreven rechtsregel er aan in de weg te staan dat door gedaagde de aflossingscapaciteit van appellant opnieuw is berekend. De Raad ziet in de wijze van opstelling van appellant voldoende grond voor het terugkomen van gedaagde op het eerder door hem ingenomen standpunt dat in maandelijkse termijnen van € 136,13 (voorheen: f 300,-) diende te worden terugbetaald.

De Raad beantwoordt op grond van hetgeen hij hierboven heeft overwogen de hiervoor geformuleerde vraag bevestigend. Het hoger beroep treft derhalve geen doel.

De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

Verklaart het beroep voor zover het wordt geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 30 januari 2001 ongegrond.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. H. Bolt en mr. J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.E. Broekman als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2002.

(get.) J. Janssen.

(get.) P.E. Broekman.