Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE6822

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-07-2002
Datum publicatie
23-08-2002
Zaaknummer
99/5115 NABW, 02/1688 NABW, 02/1689 NABW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene bijstandswet 81, geldigheid: 2002-07-23
Algemene wet bestuursrecht 7:11, geldigheid: 2002-07-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2002/276
AB 2002, 345

Uitspraak

99/5115 NABW

02/1688 NABW

02/1689 NABW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant heeft G.C.W. Leenders, belastingadviseur te Valkenburg, op bij het hoger beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Maastricht op 11 augustus 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en tevens een aan appellant gericht besluit van 29 november 1999 ingezonden. Mr. Leenders heeft hierop bij brief van 6 januari 2000 gereageerd. Vervolgens heeft gedaagde de Raad een aan appellant gericht besluit van 19 januari 2000 toegezonden

Het geding is behandeld ter zitting van 11 juni 2002, waar appellant en zijn gemachtigde niet zijn verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. L.G.M. Olislagers, werkzaam bij de gemeente Maastricht.

II. MOTIVERING

Aan appellant is bij besluit van 8 oktober 1996 met ingang van 1 september 1996 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) toegekend naar de norm voor een alleenstaande. In dit besluit is appellant erop gewezen dat hij op de inkomstenverklaringen een exacte opgaaf dient te verstrekken van de gewerkte uren en de ontvangen inkomsten en dat de variabele inkomsten uit deeltijdwerk per kalendermaand worden verrekend en achteraf eventueel worden herberekend. Per 1 december 1996 is de uitkering van appellant beëindigd in verband met zijn inkomsten uit arbeid vanaf 1 november 1996.

Bij besluit van 18 juli 1997 heeft gedaagde een bedrag van f 2.351,25 van appellant teruggevorderd, op de grond dat hij in de maand november 1996 geen recht had op bijstand en hem over de maanden september en oktober 1996 respectievelijk f 669,02 en f 792,31 te veel bijstand is verstrekt. De gemachtigde van appellant heeft tegen het besluit van 18 juli 1997 bezwaar gemaakt en nadien op verzoek van gedaagde ontbrekende loongegevens overgelegd over het tijdvak van 1 tot 8 september 1996.

Bij brief van 4 oktober 1997 heeft appellant beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar.

Gedaagde heeft bij besluit van 9 oktober 1997 op basis van de in bezwaar verstrekte gegevens het terug te vorderen bedrag alsnog op f 2.579,54 gesteld en de namens appellant tegen het besluit van 18 juli 1997 ingediende bezwaren ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar van 13 augustus 1997 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 9 oktober 1997 ongegrond verklaard. Zij heeft voorts een beslissing gegeven inzake de vergoeding van het in beroep betaalde griffierecht en gedaagde veroordeeld tot vergoeding van proceskosten tot een bedrag van € 355,-- wegens kosten van rechtsbijstand.

In hoger beroep heeft appellant zich tegen deze uitspraak gekeerd, voorzover daarbij het beroep tegen het besluit van 9 oktober 1997 ongegrond is verklaard en voorzover zijn proceskosten zijn vastgesteld op € 355,--.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit berust op een onjuiste wettelijke grondslag, nu de terugvordering van de ten onrechte aan appellant verleende bijstand is gebaseerd op artikel 81 van de Abw zoals deze bepaling met ingang van 1 juli 1997 luidt, terwijl de terugvordering ziet op kosten van bijstand verleend over een geheel vóór 1 juli 1997 gelegen periode. Het bestreden besluit dient om die reden wegens strijd met de wet te worden vernietigd. Hierin ligt besloten dat de aangevallen uitspraak, waarbij dit besluit ondanks dit gebrek in stand is gelaten, voor vernietiging in aanmerking komt, voorzover daarbij het beroep tegen dat besluit ongegrond is verklaard.

Met betrekking tot de besluiten van 29 november 1999 en 19 januari 2000, welke de Raad aanmerkt als besluiten die op de voet van de artikelen 6:18 en 6:19 in samenhang met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede in de beoordeling dienen te worden betrokken, overweegt de Raad het volgende.

Het besluit van 29 november 1999 strekt tot verlaging van het bedrag dat van appellant wordt teruggevorderd tot f 2.459,08, zulks in verband met de mogelijkheid om het werkgeversgedeelte van de ziekenfondspremie van f 120,46 alsnog te verrekenen met het Landelijk instituut sociale verzekeringen. Dit besluit is in strijd met artikel 90 van de Abw, nu blijkens het nadien op 19 januari 2002 genomen besluit ook het werknemersgedeelte van de ziekenfondspremie kon worden verrekend.

Nu in beide besluiten de gebreken in de grondslag van de terugvordering niet zijn hersteld, dienen ook deze besluiten wegens strijd met de wet te worden vernietigd.

Een opdracht aan gedaagde tot het nemen van een nieuw besluit op bezwaar acht de Raad in dit geval niet aangewezen. Daartoe overweegt de Raad het volgende.

Voor de Raad is op grond van de gedingstukken genoegzaam komen vast te staan dat appellant op de inkomstenverklaringen met betrekking tot de maanden september, oktober, november en december 1996 geen volledige en correcte opgave heeft gedaan van zijn inkomsten uit arbeid bij [bedrijfsnaam] en daarmee de ingevolge artikel 65, eerste lid, (oud) van de Abw op hem rustende inlichtingenplicht heeft geschonden. Als gevolg hiervan is hem in de maanden september en oktober 1996 te veel en over de maand november 1996 ten onrechte bijstand verstrekt.

Hiermee is gegeven dat met betrekking tot het tijdvak van 1 september 1996 tot en met 30 november 1996 is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 81, eerste lid, (oud) van de Abw. Niet is gebleken van dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw, op grond waarvan aan gedaagde de bevoegdheid toekomt om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Wat de hoogte van het terug te vorderen bedrag betreft overweegt de Raad in de eerste plaats dat gedaagde op grond van artikel 81, eerste lid, (oud) van de Abw verplicht was om tot terugvordering tot een hoger bedrag over te gaan, nadat op grond van de eerst in bezwaar door appellant overgelegde informatie was gebleken dat het bedrag van de ten onrechte verleende bijstand hoger was dan bij het nemen van het primaire besluit werd aangenomen. Naar het oordeel van de Raad kan dan ook niet worden gezegd dat gedaagde door in het besluit op bezwaar op die grond het bedrag van de terugvordering in voor appellant nadelige zin aan te passen, het in artikel 7:11 van de Awb neergelegde verbod van reformatio in peius heeft geschonden.

De Raad overweegt voorts dat appellant geen belang heeft bij de beoordeling van zijn grief ter zake van de pseudo-overhevelingstoeslag aangezien deze component in de door gedaagde gehanteerde berekening eerst is afgetrokken, vervolgens is bijgeteld en dus per saldo niet van invloed is geweest op de hoogte van de teruggevorderde kosten van bijstand. Ook de grief van appellant dat de rechtbank zijn bezwaren tegen het meenemen van de premie Ziekenfondswet bij de brutering ten onrechte buiten behandeling heeft gelaten, behoeft geen bespreking meer.

Met inachtneming van het vorenstaande dient het bedrag van de terugvordering te worden vastgesteld op € 1.099,01, zijnde (f 2.579,54 - (f 120,46 + f 37,18) =) f 2.421,90. De Raad acht termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien.

De Raad stelt ten slotte vast dat gedaagde de proceskostenveroordeling in beroep, die beperkt is gebleven tot de kosten van rechtsbijstand in verband met het beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar, niet heeft bestreden. In hetgeen hiervoor is overwogen ligt besloten dat de rechtbank ook het beroepschrift tegen het besluit op bezwaar in de begroting van de te vergoeden proceskosten had moeten betrekken. De aangevallen uitspraak komt ook op dit onderdeel voor vernietiging in aanmerking. De Raad acht termen aanwezig om de proceskostenveroordeling in beroep te verhogen tot € 483,--. Voorts dient gedaagde te worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Deze kosten worden eveneens begroot op € 483,--, wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 9 oktober 1997;

Verklaart het beroep voorzover dat geacht moet worden te zijn gericht tegen de besluiten van 29 november 1999 en 19 januari 2000 gegrond en vernietigt deze besluiten;

Stelt het bedrag dat van appellant over de periode van 1 september 1996 tot en met 30 november 1996 wordt teruggevorderd vast op € 1.099,01;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 966,--, te betalen door de gemeente Maastricht;

Bepaalt dat de gemeente Maastricht aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 77,14 (f 170,--) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. drs. Th.G.M. Simons en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2002.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) P.C. de Wit.