Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE6815

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-06-2002
Datum publicatie
23-08-2002
Zaaknummer
02/2300 BZ-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene bijstandswet 47, geldigheid: 2002-06-18
Besluit bijstandverlening zelfstandigen 1, geldigheid: 2002-06-18
Besluit bijstandverlening zelfstandigen 1, geldigheid: 2002-06-18
Besluit bijstandverlening zelfstandigen 1, geldigheid: 2002-06-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2002/255
KG 2002, 225
RSV 2002, 275
JABW 2002, 142

Uitspraak

02/2300 BZ-VV

U I T S P R A A K

van

DE VOORZIENINGENRECHTER VAN DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP

inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verzoeker,

en

[Gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. INLEIDING

Verzoeker heeft op de in het beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Amsterdam op 13 maart 2002 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hier wordt verwezen.

Bij brief van 24 april 2002 heeft verzoeker tevens verzocht om toepassing van het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het verzoek is behandeld ter zitting van 4 juni 2002, waar verzoeker zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. W.A. Hakstege, werkzaam bij de gemeente Amsterdam, en waar gedaagde niet is verschenen.

II. MOTIVERING

Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van de Awb kan een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Hierbij geldt dat voor het treffen van een voorlopige voorziening als in dit geval gevraagd, moet worden bezien of op grond van een afweging van de wederzijds in aanmerking komende belangen bij een al dan niet onmiddellijke uitvoering van de aangevallen uitspraak, het verzoek om een voorlopige voorziening dient te worden toegewezen. Daarbij komt ook in beeld de vraag of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak niet in stand zal blijven.

Voorzover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Gedaagde heeft van 1 september 1997 tot 1 september 1998 ingevolge artikel 8, eerste lid, in verbinding met artikel 23, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) een bijstandsuitkering in de kosten van levensonderhoud in de vorm van een renteloze geldlening ontvangen.

Bij besluit van 29 december 2000 heeft verzoeker aan de hand van de jaarstukken over 1998 gedaagdes recht op bijstand over 1998 definitief vastgesteld, hetgeen heeft geresulteerd in toekenning van bijstand om niet tot een bedrag van f 8.723,71. Omdat gedaagde over dat jaar reeds een renteloze geldlening van in totaal f 11.470,50 had ontvangen heeft verzoeker in datzelfde besluit onder toepassing van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder c, van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz) een bedrag van f 2.746,79 van gedaagde teruggevorderd.

Het tegen het besluit van 29 december 2000 gemaakte bezwaar is bij besluit van 11 mei 2001 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het door gedaagde tegen het besluit van 11 mei 2001 ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en beslissingen gegeven inzake proceskosten en griffierecht. Naar het oordeel van de rechtbank had verzoeker de door gedaagde na 1 september 1998 genoten inkomsten uit arbeid in loondienst niet kunnen meenemen bij de berekening van de bijstand om niet. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen:

"Blijkens de wetsgeschiedenis wordt, gelet op de schommelingen van het inkomen van een zelfstandige binnen een jaar, voor de vaststelling van de bijstand het over een boekjaar verdiende inkomen bezien. De rechtbank is het met eiseres eens dat van inkomen uit arbeid in loondienst niet gezegd kan worden dat deze inkomsten zodanig fluctueren, dat ten aanzien daarvan de hoofdregel van artikel 47, eerste lid, aanhef en onder b, van de Abw moet worden doorbroken. Deze inkomsten zijn immers zonder meer toe te rekenen aan de perioden waarin de werkzaamheden die tot de inkomsten geleid hebben verricht zijn. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de uitzondering op genoemde hoofdregel, vervat in artikel 47, derde lid, van de Abw, restrictief geïnterpreteerd moet worden in die zin dat alleen het inkomen als zelfstandige over het hele boekjaar meegenomen moet worden, ongeacht het feit of over het hele boekjaar dan wel over een deel van het boekjaar bijstand is verleend. Nu echter in het geval van eiseres tot 1 september 1998 bijstand is verstrekt en de inkomsten uit arbeid in loondienst verworven zijn in de periode na 1 september 1998, hoeft met deze inkomsten bij de berekening van de bijstand om niet geen rekening gehouden te worden. Deze inkomsten kunnen immers niet worden toegerekend aan de periode waarin bijstand is verstrekt. Op deze inkomsten is naar het oordeel van de rechtbank dan ook uitsluitend de hoofdregel van artikel 47, eerste lid, van de Abw van toepassing.".

Verzoeker heeft dit oordeel in hoger beroep gemotiveerd bestreden.

Naar aanleiding van het onderhavige verzoek overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de Abw heeft, indien aan een zelfstandige op grond van artikel 8, anders dan ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal, bijstand wordt verleend, deze bijstand voorlopig de vorm van een renteloze geldlening die in maandelijkse termijnen wordt uitbetaald. Ingevolge het tweede artikellid wordt, zodra het inkomen bekend is over het boekjaar waarin de in het eerste lid bedoelde bijstand is verleend, de hoogte van deze bijstand definitief vastgesteld en vindt, voorzover het vermogen van de zelfstandige een bij algemene maatregel van bestuur te stellen grens niet te boven gaat, tot die hoogte omzetting plaats in een bedrag om niet.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, van het Bbz - voorzover hier van belang - nemen burgemeester en wethouders een nadere beslissing met betrekking tot de verleende bijstand, bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de wet, nadat zij het netto inkomen uit bedrijf of zelfstandig beroep definitief hebben vastgesteld aan de hand van de administratie. In het tweede lid, aanhef en onder c, van dit artikel is bepaald dat indien de verleende bijstand, vermeerderd met het in het desbetreffende boekjaar behaalde netto inkomen meer is dan de jaarnorm, de bijstand ter grootte van het verschil wordt teruggevorderd en de rest van de als geldlening verstrekte bijstand wordt omgezet in een bedrag om niet.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder c, van het Bbz wordt onder boekjaar verstaan de periode van 12 maanden waarover de administratie van de zelfstandige wordt gevoerd. Blijkens de wetsgeschiedenis van deze bepaling moet het eventueel naast het inkomen uit bedrijf of zelfstandig beroep verdiende inkomen worden toegerekend naar het boekjaar.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder d, van het Bbz wordt onder netto inkomen verstaan het over het boekjaar verworven inkomen, bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 3, paragraaf 2, van de wet.

In het eerste artikel van deze paragraaf, artikel 47, is aangegeven wat onder inkomen wordt verstaan. Tot dit netto inkomen behoort blijkens artikel 47, eerste lid aanhef en onder a, van de Abw onder meer inkomsten uit of in verband met arbeid. Ingevolge artikel 47, eerste lid aanhef en onder b, van de Abw moet het daarbij in elk geval gaan om middelen die betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.

In het derde lid van artikel 47 is, voorzover hier van belang, bepaald dat, in afwijking van het eerste lid, onderdeel b, bij bijstandverlening aan een zelfstandige rekening wordt gehouden met het inkomen over een boekjaar, zoals dat aan de hand van zijn administratie wordt vastgesteld.

Blijkens de Memorie van Toelichting bij artikel 47, derde lid, van de Abw wordt, aangezien de inkomensvorming van een zelfstandige niet regelmatig over een jaar verloopt en het inkomen in zijn administratie over een boekjaar wordt vastgesteld, bij de definitieve vaststelling van de bijstand aan een zelfstandige rekening gehouden met het inkomen over een geheel jaar, ook al is de bijstand slechts over een gedeelte van dat jaar verleend. Hiermee wordt afgeweken van het in het eerste lid, onderdeel b, neergelegde uitgangspunt.

Uit het voorgaande, en met name uit het bepaalde in artikel 47, derde lid, van de Abw in verbinding met artikel 1, aanhef en onder c en d, van het Bbz, leidt de voorzieningenrechter af dat, anders dan bij een belanghebbende die voor de voorziening in zijn bestaan is aangewezen op inkomsten uit arbeid in loondienst, bij de bijstandsverlening aan een zelfstandige in beginsel met alle in het, met het kalenderjaar samenvallend boekjaar verworven inkomsten rekening gehouden moet worden. Dit is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet anders in het geval dat de in dat boekjaar genoten inkomsten uit arbeid in loondienst zijn verworven na de beëindiging van de bijstandsuitkering.

Gebleken is dat gedaagde in het betreffende boekjaar, dat in het onderhavige geval samenvalt met het kalenderjaar 1998, ook na de beëindiging van haar Bbz-uitkering per 1 september 1998 naast haar inkomen als zelfstandige inkomsten uit arbeid in loondienst heeft verworven. Deze omstandigheden, bezien in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, leiden de voorzieningenrechter tot het oordeel dat verzoeker bij de definitieve vaststelling van gedaagdes inkomen over 1998 terecht ook de na de beëindiging van de Bbz-uitkering verworven inkomsten uit arbeid in loondienst heeft betrokken.

Uit het voorgaande volgt dat er naar het oordeel van de voorzieningenrechter een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak geen stand zal houden.

Nu verzoeker voorts ter zitting heeft verklaard dat het teruggevorderde bedrag reeds geheel door gedaagde is voldaan, het bestreden besluit een afgesloten periode in het verleden betreft en niet is gebleken dat gedaagde in onoverkomelijke financiële moeilijkheden zal geraken in geval van schorsing van de aangevallen uitspraak, is de voorzieningenrechter van oordeel dat er voldoende aanleiding is om het verzoek in te willigen en de werking van de aangevallen uitspraak op te schorten.

Voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb acht de voorzieningenrechter ten slotte geen termen aanwezig.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep,

Schorst de werking van de aangevallen uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 maart 2002, nr. AWB 01/2278 BZ;

Bepaalt dat het door verzoeker betaalde griffierecht van € 327,-- wordt terugbetaald door de griffier van de Raad.

Aldus gewezen door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2002.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.