Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE6670

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-08-2002
Datum publicatie
23-08-2002
Zaaknummer
99/6431 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:10, geldigheid: 2002-08-07
Werkloosheidswet 27c, geldigheid: 2002-08-07
Werkloosheidswet 36, geldigheid: 2002-08-07
Maatregelenbesluit Tica 12, geldigheid: 2002-08-07
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2002/269
RSV 2002/236

Uitspraak

99/6431 WW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellante], (thans) wonende te [woonplaats] (België), appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding (de Raad van bestuur van) het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Appellante is op daartoe aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Roermond op 24 november 1999 tussen partijen gewezen uitspraak (de aangevallen uitspraak), waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, met bijlagen, waarop appellante commentaar heeft gegeven. Desgevraagd heeft gedaagde nog nadere stukken ingezonden.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 26 juni 2002, waar partijen niet zijn verschenen.

II. MOTIVERING

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Aan de aangevallen uitspraak - waarin appellante als eiseres is aangeduid en gedaagde als verweerder - ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden, welke - gelet op de inhoud van de gedingstukken - ook de Raad als uitgangspunt van zijn oordeelsvorming hanteert:

"Bij besluit van 1 september 1997 is eiseres op haar verzoek met ingang van 21 juli 1997 een WW-uitkering toegekend op basis van 20,38 arbeidsuren per week.

Op het werkbriefje over de periode 22 september 1997 tot en met 19 oktober 1997 heeft zij vermeld dat zij in week 41 4,75 uur en in week 42 8 uur via uitzendbureau [naam uitzendbureau] heeft gewerkt.

Uit een uitdraai van haar arbeidsverleden uit de gemeenschappelijke verwijsindex is gebleken dat zij in de periode 1 oktober 1997 tot en met 31 oktober 1997 in dienst is geweest van [bedrijfsnaam] te [vestigingsplaats]. Naar aanleiding hiervan is een onderzoek ingesteld, waaruit naar voren is gekomen dat eiseres in week 40 van 1997 5 dagen heeft gewerkt, in totaal 26,5 uren. Bij confrontatie met dit gegeven gaf eiseres aan zich te kunnen herinneren dat zij bij [bedrijfsnaam] had gewerkt, maar dat zij zich niet kon herinneren waarom dat niet op het desbetreffende werkbriefje was vermeld en dat zij dit moest zijn vergeten, zonder de bedoeling hiermee te frauderen.

Bij besluit van 20 november 1998 heeft verweerder besloten de toekenning van het recht op WW-uitkering van eiseres met terugwerkende kracht over die periode 29 september tot en met 5 oktober 1997 in te trekken, omdat door haar toedoen deze uitkering te veel was betaald. Tevens is hierbij besloten de over die periode onverschuldigd betaalde uitkering van eiseres terug te vorderen, nu niet was gebleken dat er dringende redenen waren om geheel of gedeeltelijk van de terugvordering af te zien.

In dat besluit is tevens vermeld dat verweerder het voornemen had eiseres een boete op te leggen ad f 300,--, dat zij met betrekking tot de boete-oplegging desgewenst kon worden gehoord, dat tegen deze aanzegging van de boete geen bezwaar kon worden gemaakt en dat dit laatste pas zou kunnen worden gedaan bij de definitieve boete-oplegging.

Bij besluit van 11 december 1998 heeft verweerder eiseres in kennis gesteld van de definitieve boete-oplegging. Hierin is onder meer aangegeven:

- dat eiseres door het niet vermelden van bovenbedoelde werkzaamheden in week 40 van 1997, verweerder heeft benadeeld voor een bedrag van f 219,83 en dat daarvoor op grond van het Boetebesluit een boete wordt opgelegd van f 300,-- ;

- dat verweerder geen aanleiding ziet om op grond van verminderde verwijtbaarheid een lagere boete op te leggen of op grond van het ontbreken van verwijtbaarheid van boete-oplegging af te zien;

- dat er niet is gebleken dat de boete moet worden verlaagd in verband met de financiële omstandigheden van eiseres;

- dat er niet is gebleken van dringende redenen om af te zien van boete-oplegging.

Bij brief van 19 januari 1999 heeft eiseres tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft hierbij aangevoerd dat iedereen wel eens een foutje kan maken en dat dit aan verweerders zijde ook wel eens gebeurt, zoals haar al is gebleken. Zij is van mening dat als er door haar een fout is gemaakt, zij daar binnen een redelijke termijn op had moeten worden gewezen en niet meer dan een jaar later. Bovendien was er geen sprake van kwade opzet, zodat er geen reden is om een boete op te leggen.

Tijdens een op 26 februari 1999 gehouden hoorzitting heeft de echtgenoot van eiseres het bezwaar mondeling toegelicht. Aan het begin van deze hoorzitting is de heer [naam echtgenoot] uitdrukkelijk er op gewezen dat hij, omdat het een boete betreft, niet tot antwoorden verplicht was (cautie). De heer [naam echtgenoot] heeft aangevoerd dat hij betwijfelt of zijn vrouw in de bewuste periode bij [naam werkgever] heeft gewerkt. Hij vraagt zich af of dit kan worden aangetoond middels een handtekening van eiseres voor de gewerkte uren in de desbetreffende periode en of de administratie van [naam werkgever] wel in overeenstemming is met de feitelijke situatie. Hij is van mening dat eiseres daar niet in oktober 1997, maar in februari 1998 heeft gewerkt. De heer [naam echtgenoot] zou nog proberen informatie (bankafschriften) met betrekking tot de gewerkte periodes boven water te krijgen.

Voorts geeft hij aan van mening te zijn dat de boete niet in verhouding staat tot het terugvorderingsbedrag, waarna hem in overweging is gegeven tegen dit aspect beroep aan te tekenen. Tenslotte heeft de heer [naam echtgenoot] aangegeven ook bezwaar te willen maken tegen de invorderingskosten (twee maal in rekening gebracht). Hem is toen meegedeeld dat dit punt in de bezwaarprocedure zou worden betrokken en dat een nieuw bezwaarschrift ten aanzien van dit aspect derhalve achterwege kon blijven.".

Bij besluit op bezwaar van 19 april 1999 (besluit I) heeft gedaagde het bezwaar, voor zover dat was gericht tegen het besluit van 20 november 1998 tot terugvordering van de over week 40 van 1997 betaalde uitkering, niet-ontvankelijk verklaard, omdat niet binnen de geldende termijn bezwaar is gemaakt. Voorts is bij besluit I door gedaagde de bij besluit van 11 december 1998 opgelegde boete van f 300,-- gehandhaafd.

Vervolgens is op 18 mei 1999 een besluit op bezwaar (besluit II) genomen betreffende de bij besluit van 26 januari 1999 in rekening gebrachte invorderingskosten van de teruggevorderde uitkering en van de opgelegde boete. Gedaagde is er in besluit II bij gebleven dat voor beide vorderingen afzonderlijk f 100,-- aan kosten verschuldigd is, nu deze niet zijn betaald binnen de daarvoor bij de eerdergenoemde besluiten van 20 november 1998 en 11 december 1998 gestelde termijnen welke eindigden respectievelijk op 1 januari 1999 en op 22 januari 1999.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank in de eerste plaats geoordeeld dat gedaagde bij besluit I het bezwaar van appellante tegen de terugvordering van de over week 40 van 1997 betaalde uitkering terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Voorts heeft de rechtbank ten aanzien van de bij besluit I gehandhaafde boete van f 300,-- onder meer overwogen dat uit de opgave van de werkgever [bedrijfsnaam] is gebleken dat appellante daar in genoemde week op 26,5 uren arbeid heeft verricht waarvan zij geen mededeling heeft gedaan aan gedaagde, zodat moet worden geconcludeerd dat zij de in artikel 25 van de WW neergelegde inlichtingenplicht heeft geschonden. De rechtbank acht dan ook voldaan aan het in artikel 27a van de WW opgenomen criterium voor het opleggen van een boete. De zwaarte van de boete heeft de rechtbank echter niet rechtens aanvaardbaar geacht omdat naar haar oordeel de toegepaste bepalingen van het, onder meer op artikel 27a van de WW berustende, toenmalige Boetebesluit wegens strijd met artikel 27b van de WW en artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verbindende kracht missen. De rechtbank heeft daarom besluit I in zoverre vernietigd. Tevens heeft de rechtbank aanleiding gezien om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de boete vast te stellen op f 100,--, welk bedrag zij evenredig acht met de ernst van het verzuim en de mate van verwijtbaarheid, terwijl haar niet is gebleken van dringende redenen om van het opleggen van een boete af te zien.

Voorts is bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen besluit II niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat dit voortijdig is ingediend, nu het beroepschrift is gedateerd op 11 mei 1999 en is binnengekomen bij de rechtbank op 17 mei 1999, terwijl besluit II is genomen op 18 mei 1999. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat appellante redelijkerwijs kon menen dat het besluit reeds tot stand gekomen was, in welk geval ingevolge artikel 6:10 van de Awb niet-ontvankelijkverklaring achterwege zou hebben moeten blijven.

In hoger beroep heeft appellante haar in eerste aanleg naar voren gebrachte grieven betreffende de in besluit I vervatte niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de terugvordering en de daarbij gehandhaafde boete herhaald. Voorts heeft zij bezwaar gemaakt tegen het oordeel van de rechtbank omtrent het prematuur zijn van het beroep tegen besluit II.

Gedaagde heeft in de uitspraak van de rechtbank berust.

De Raad overweegt als volgt.

Ten aanzien van besluit I stelt de Raad zich achter het oordeel van de rechtbank, voor zover dat in hoger beroep is aangevochten. Hetgeen door appellante betreffende besluit I in hoger beroep naar voren is gebracht bevat geen nieuwe gezichtspunten en leidt dan ook niet tot een ander oordeel dan dat van de rechtbank. De Raad merkt nog op dat de door de rechtbank vastgestelde boete van f 100,-- niet hoger is dan de boete die op grond van het vanaf 1 februari 2001 geldende Boetebesluit socialezekerheidswetten had moeten worden opgelegd.

Met betrekking tot besluit II is de Raad, gelet op de gang van zaken voorafgaand aan dat besluit wat betreft de invordering van de teruggevorderde uitkering en de opgelegde boete, anders dan de rechtbank van oordeel dat zich het in artikel 6:10 van de Awb genoemde geval voordoet dat de indiener van het beroep redelijkerwijs kon menen dat dat besluit reeds tot stand was gekomen, althans dat twijfel over de vraag of zulks het geval was niet ten nadele van appellante mag werken. De Raad heeft daartoe doen wegen dat namens appellante tijdens de hoorzitting van 26 februari 1999 betreffende het bezwaar tegen besluit I is gesteld dat zij eveneens bezwaar had tegen de in rekening gebrachte, haars inziens dubbele, invorderingskosten. Van de kant van gedaagde is toen aangegeven dat het indienen van een nieuw bezwaarschrift ten aanzien van dat aspect achterwege kon blijven. Vervolgens zijn de bezwaren van appellante tegen de invorderingskosten, onder meer op een volgende hoorzitting op 9 april 1999, behandeld in samenhang met de bezwaren tegen de andere onderdelen van gedaagdes besluitvorming. Voorts heeft de Raad in aanmerking genomen de verwevenheid van alle aspecten van terugvordering, boete en invordering alsmede het grote aantal brieven en beslissingen die daarover in korte tijd aan appellante zijn toegestuurd, die door de grote onderlinge samenhang het zicht op de besluitvorming ten aanzien van de individuele onderdelen belemmeren waardoor het aan gedaagde toe te rekenen misverstand is ontstaan dat met besluit I tevens te kennen werd gegeven dat de bezwaren tegen de invorderingskosten niet werden gehonoreerd. De niet-ontvankelijkverklaring van het beroep tegen besluit II kan dan ook niet in stand worden gelaten.

De Raad heeft zich vervolgens beraden op de vraag of na vernietiging van de aangevallen uitspraak voor zover deze besluit II betreft de zaak naar de rechtbank moet worden teruggewezen. In aanmerking nemend dat voormeld aspect naar zijn oordeel geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft, beantwoordt de Raad die vraag ontkennend.

In besluit II is aangegeven dat in het terugvorderingsbesluit van 20 november 1998 en in het boetebesluit van 11 december 1998 een terugbetalingstermijn van 6 weken is gesteld en dat appellante de gevorderde bedragen niet binnen die termijnen heeft betaald, zodat ingevolge artikel 12 van het Besluit Tica inzake betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en onverschuldigd betaalde uitkering (hierna Besluit betaling) vanaf het tijdstip dat die termijnen verstreken zijn, invorderingskosten verschuldigd zouden zijn. De Raad stelt evenwel vast dat artikel 12 van het Besluit betaling, welk besluit (onder meer) is gebaseerd op artikel 27c en 36b van de WW, als voorwaarde voor het in rekening brengen van invorderingskosten stelt dat de termijn moet zijn verstreken waarbinnen volgens het besluit van gedaagde moet worden betaald. Naar het oordeel van de Raad wordt daarmee gedoeld op een besluit tot vaststelling van de termijn waarbinnen moet worden betaald als bedoeld in artikel 27c, eerste lid, en 36, derde (thans vijfde) lid, van de WW (invorderingsbesluit). Onder verwijzing naar het standpunt dat blijkens de uitspraken van de Raad van 21 september 1999 (RSV 2000/86) en van 2 mei 2001 (RSV 2001/180) door gedaagde ten aanzien van soortgelijke kwesties is ingenomen en naar de overwegingen van de Raad in die uitspraken, is de Raad van oordeel dat de aan het slot van de besluiten van 20 november 1998 en 11 december 1998 vermelde termijn van zes weken geacht moet worden erop te zijn gericht om daarbinnen tot een betalingsregeling te komen en kunnen die vermeldingen dan ook niet worden beschouwd als een invorderingsbesluit. Besluit II moet dan ook worden vernietigd wegens strijd met artikel 12 van het Besluit betaling in verbinding met het eerste lid van artikel 27c en het derde lid van artikel 36 van de WW, zodat de aangevallen uitspraak in zoverre eveneens niet in stand kan blijven.

Nu zich onder de door gedaagde ingezonden stukken betreffende de invordering van het teruggevorderde bedrag en van de boete ook geen ander geschrift bevindt dat als invorderingsbesluit kan worden aangemerkt, ziet de Raad tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, het besluit in primo van 26 januari 1999, voor zover dat de kosten van invordering betreft, te vernietigen.

De Raad stelt ten slotte vast dat de rechtbank op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde heeft veroordeeld in de proceskosten van appellante in eerste aanleg, bestaande uit reiskosten. Van voor vergoeding in aanmerking komende kosten in hoger beroep is de Raad niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen besluit II niet-ontvankelijk is verklaard;

Verklaart het beroep tegen besluit II gegrond en vernietigt dat besluit;

Vernietigt het aan besluit II voorafgaande besluit van gedaagde van 26 januari 1999, voor zover daarbij kosten van invordering in rekening zijn gebracht;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Bepaalt dat gedaagde aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 77,14 (f 170,--) vergoedt.

Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. Th.M. Schelfhout en mr. H.G. Rottier en als leden in tegenwoor-digheid van M.D.F. de Moor als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2002.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) M.D.F. de Moor.

AP0608