Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE6654

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-07-2002
Datum publicatie
23-08-2002
Zaaknummer
00/3587 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemeen Rijksambtenarenreglement 49h
Algemeen Rijksambtenarenreglement 57
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2002/149
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/3587 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Staatssecretaris van Financiën, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 22 mei 2000, nr. AWB 98/6747, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend. Namens appellant zijn nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 30 mei 2002, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. A.P. de Jong-de Goede, advocaat te Kampen. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J.J.V.J. van der Smissen, werkzaam bij de Belastingdienst.

II. MOTIVERING

1. Onder verwijzing overigens naar het in de aangevallen uitspraak gegeven feitenoverzicht volstaat de Raad met het volgende.

1.1. Appellant was sedert 1975 werkzaam bij de Belastingdienst als [functie], na reorganisatie per 1 januari 1990 bij de eenheid Ondernemingen te [woonplaats]. Hem werd in 1984 mede op advies van de bedrijfsarts een buitenfunctie als deurwaarder opgedragen. Aan deze functie kwam wegens voormelde reorganisatie per 1 januari 1990 een einde. Maar omdat de overgang naar uitsluitend binnenwerkzaamheden voor appellant te groot werd geacht, werd afgesproken dat hij voor 20% buitenwerkzaamheden bleef verrichten. Appellant is in augustus 1994 in [team] geplaatst. Hij is daar vanaf 2 januari 1996 wegens ziekte uitgevallen.

1.2. Bij brief van 28 oktober 1996 is hem meegedeeld dat hij weer voor 50% werkzaamheden diende te verrichten, maar voorlopig niet in een team zou worden geplaatst. Blijkens een advies van een commissie van geneeskundigen als bedoeld in artikel 37, tweede lid, (oud) van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) van 18 februari 1998, was appellant op en na 7 juli 1997 niet meer arbeidsongeschikt wegens ziekte of gebrek. Ook J.P. Smit, psychiater, die door de bedrijfsarts om advies was gevraagd, heeft vastgesteld dat op 7 juli 1997 geen sprake was van een ziektebeeld. Wel achtte hij appellant een kwetsbare man met verlaagde draagkracht.

1.3. Appellants verzoek om hem weer bij [team] terug te plaatsen en hem op te dragen daar weer zijn oude werkzaamheden met inbegrip van buitenwerkzaamheden te verrichten, is bij besluit van 28 mei 1998 afgewezen. Vanwege een evenwichtige inzet van medewerkers werd het wenselijk geacht appellant in [team 2] te plaatsen. Terugplaatsing in [team] achtte gedaagde wegens problemen die zich in 1996 bij appellants reïntegratie in [team] hadden voorgedaan, onwenselijk gelet op het belang van appellant en de belangen van andere medewerkers. Voor het structureel opdragen van buitenwerkzaamheden zag gedaagde geen aanleiding.

1.4. Gedaagde heeft bij besluit van 26 oktober 1998 het bezwaar tegen het besluit van 28 mei 1998 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat deze beslissing geen besluit in zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zou zijn. Hij heeft bij het besluit van 26 oktober 1998 tevens overwogen (a) dat de weigering om appellant nog langer buitenwerkzaamheden te laten verrichten paste binnen de ruimte om binnen de opgedragen groepsfunctie tot een - al dan niet tijdelijke - andere nuancering van taken te komen, (b) dat gedaagde binnen bepaalde kaders een zekere vrijheid toekomt om tot een zo efficiënt mogelijke inzet van het beschikbare personeel te komen en (c) dat de plaatsing van appellant in [team 2] "gezien ook de (onder-)bezetting van [team 2] …. als alleszins redelijk te betitelen" is.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 26 oktober 1998 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, omdat zij de beslissing van 28 mei 1998 wel een besluit achtte. De rechtbank heeft in plaats van gedaagde inhoudelijk op het bezwaar beslist, het bezwaar alsnog ongegrond verklaard en bepalingen inzake vergoeding van griffierecht en proceskosten gegeven.

3. De aangevallen uitspraak wordt slechts aangevochten voorzover daarbij het bezwaar ongegrond is verklaard.

4. De Raad onderschrijft dat gedaagde voor een goede taakuitoefening inzake het samenstellen van de teams over een ruime vrijheid dient te beschikken. De gebruikmaking van deze vrijheid dient wel in overeenstemming te zijn met regels van geschreven en ongeschreven recht. Dit betekent, onder meer, dat terzake genomen besluiten op een deugdelijke grondslag en op een afweging van de in aanmerking te nemen belangen moeten berusten. Die vereisten gelden ook voor besluiten inzake de inrichting van de werkzaamheden van afzonderlijke groepsfunctionarissen binnen een team.

4.1.1. Gedaagde heeft zijn standpunt, dat het gezien de bezetting bij de [team] en [team 2] redelijk was appellant niet bij [team] doch bij [team 2] te plaatsen, in de in geding zijnde besluiten niet feitelijk onderbouwd. Appellant heeft in eerste aanleg en in hoger beroep het standpunt van gedaagde op basis van een concrete feitelijke onderbouwing bestreden. Gezien appellants onderbouwing en de omstandigheid dat gedaagde daarop in eerste aanleg noch hoger beroep is ingegaan, is niet aannemelijk geworden dat de bezetting van de teams noopte appellant bij [team 2] te plaatsen.

4.1.2. Gedaagde heeft voor zijn standpunt dat er bij de reïntegratie in [team] in de loop van 1996 problemen waren, verwezen naar een dagboek dat de teamleider van [team] tijdens appellants ziekte had bijgehouden. De Raad stelt vast dat dit dagboek geen inzicht in de aard en ernst van die problemen geeft. Bovendien gaat de verwijzing naar dat dagboek eraan voorbij dat appellant tijdens die reïntegratiepogingen nog gedeeltelijk arbeidsongeschikt was, terwijl het besluit van 28 mei 1998 eerst 1,5 jaar later is genomen toen die ongeschiktheid al geruime tijd voorbij was. Gedaagdes in dit besluit vervatte standpunt dat de problemen van 1996 zich tegen terugplaatsing in [team] verzetten, berust daarom op een ontoereikende grondslag.

4.2.1. Appellant heeft verzocht om weer bij [team] te worden geplaatst en weer deels met buitenwerkzaamheden te worden belast, omdat hij dit voor zijn welbevinden en functioneren noodzakelijk achtte en omdat hij meende wegens de afspraken van 1990 aanspraak op ongewijzigde voortzetting van zijn buitenwerkzaamheden te hebben.

4.2.2. Bij de afwijzing van dit verzoek heeft gedaagde - slechts - overwogen dat buitenwerkzaamheden geen structureel onderdeel van [functie] uitmaakten en slechts incidenteel voorkwamen.

4.2.3. De Raad stelt voorop dat de in 1990 gegeven instemming gedaagde niet de mogelijkheid ontnam die instemming later weer in te trekken. Dat neemt niet weg dat gedaagde - gelet op appellants voorgeschiedenis, diens kwetsbaarheid en het oordeel van de bedrijfsarts dat het voor appellants stabiliteit van belang was hem deels met buitenwerkzaamheden te belasten - niet met voormelde algemene overweging mocht volstaan, maar concreet onderzoek had moeten verrichten naar de mogelijkheden om appellants verzoek in te willigen. Door dit na te laten, heeft gedaagde ten onrechte niet onderzocht of in verband met appellants persoonlijkheid en omstandigheden plaatsing in [team] en het deels opdragen van buitenwerkzaamheden redelijkerwijs kon worden geweigerd. Daardoor heeft gedaagde appellants belang niet bij de vereiste belangenafweging betrokken.

4.3. Het vorenoverwogene betekent dat het besluit van 28 mei 1998 op onvoldoende gronden en een gebrekkige belangenafweging berust. De rechtbank heeft het bezwaar mitsdien ten onrechte ongegrond verklaard, zodat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, niet in stand kan blijven. Nu het onaannemelijk is dat voormelde gebreken nog kunnen worden hersteld, komt het bezwaar voor gegrondverklaring en het besluit van 28 mei 1998 voor vernietiging in aanmerking. Aangezien appellant een nieuw besluit op zijn bij besluit van 28 mei 1998 afgewezen verzoek niet meer zinvol acht, zal de Raad de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand laten.

5. De Raad ziet aanleiding gedaagde te veroordelen in appellants proceskosten in hoger beroep, ten bedrage van € 644,- voor verleende rechtsbijstand en € 41,98 aan reiskosten, zodat als volgt wordt beslist.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;

Verklaart het bezwaar tegen het besluit van 28 mei 1998 alsnog gegrond;

Vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 685,98, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 155,- (voorheen f 340,-) vergoedt.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. J.H. van Kreveld en mr. A.W.M. Bijloos als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Okyay-Bloem als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2002.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.M. Okyay-Bloem.

HD

06.06

Q