Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE6605

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-08-2002
Datum publicatie
23-08-2002
Zaaknummer
01/1627 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 75e
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 78
Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen
Wet verbetering poortwachter
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2002/265 met annotatie van B. Barentsen
RSV 2002, 255
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/1627 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 4 juni 1999, aangevuld bij besluit van 11 juni 1999, heeft gedaagde aan L.S. Bergkamp, voormalig werknemer bij appellante (hierna: de werknemer) met ingang van 21 mei 1999 een uitkering ingevolge de Wet op de

arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

Appellante heeft bij brief van 16 juni 1999 tegen die besluiten bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 5 april 2000, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde dit bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank Haarlem heeft bij uitspraak van 23 januari 2001 het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Namens appellante is mr. B.P. Dekker, advocaat te Volendam, bij beroepschrift van 2 maart 2001 van die uitspraak in hoger beroep gekomen. Bij brief van 6 juni 2001 zijn de gronden voor het beroep ingediend.

De werknemer heeft desgevraagd aan de Raad medegedeeld niet als partij aan het geding in hoger beroep te willen deelnemen en heeft geen toestemming verleend voor toezending van stukken die medische gegevens bevatten aan zijn werkgever.

Mr. Dekker voornoemd heeft laten weten dat voor appellante als arts-gemachtigde zal optreden R. Westerweel, directeur van Westerweel Intermediair BV, gevestigd te Amersfoort en Goes.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Met een begeleidende brief van 24 januari 2002 zijn, onder verwijzing naar 's Raads uitspraak van 20 juli 2001, nr. 00/3816 WAO en met toepassing van het bepaalde in artikel 8:32, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de zich in het dossier bevindende medische stukken aan mr. Dekker voornoemd gezonden.

Bij brief van 7 februari 2002 heeft mr. Dekker daarop een reactie gegeven.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 21 mei 2002, waar voor appellante mr. Dekker is verschenen en waar namens gedaagde, zoals tevoren was bericht, niemand is verschenen.

II. MOTIVERING

De werknemer, sinds 11 maart 1998 werkzaam bij appellante als tegelzetter/uitvoerder, is op 15 mei 1998 uitgevallen met rug- en armklachten.

Op 30 juni 1998 heeft appellante hem op staande voet ontslagen omdat hij bij herhaling geweigerd had om aangepaste werkzaamheden te verrichten en hij de directeur had beledigd.

Bij beschikking van 8 december 1998 heeft de kantonrechter te Zwolle op verzoek van appellante de arbeidsovereenkomst, voorzover deze tussen partijen nog mocht bestaan, ontbonden zonder een ontbindingsvergoeding aan de werknemer toe te kennen. De kantonrechter is daarbij tot het oordeel gekomen dat de verstoring van de arbeidsverhouding in overwegende mate aan de werknemer is te wijten, nu deze geweigerd heeft om aangepaste werkzaamheden in [vestigingsplaats] te verrichten en voorts omdat op zijn minst genomen aannemelijk is geworden dat de werknemer zeer ruw taalgebruik niet heeft geschuwd in een op 26 juni 1998 met zijn algemeen directeur gevoerd telefoongesprek.

Gedaagde heeft bij de in rubriek I genoemde besluiten van 4 en 11 juni 1999 aan de werknemer een WAO-uitkering toegekend. Gedaagde heeft van die WAO-besluiten tevens mededeling gedaan aan appellante in haar hoedanigheid van

-voormalig- werkgever. Appellante heeft tegen die besluiten bezwaar gemaakt, welke bezwaren bij het bestreden besluit ongegrond zijn verklaard.

De toekenning van de WAO-uitkering berust op het standpunt dat de werknemer na afloop van de voor de WAO geldende wachttijd op 21 mei 1999 weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat hij met inachtneming van die

beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Vergelijking van de mediane loonwaarde van de drie functies met de hoogste lonen met het voor hem geldende maatmaninkomen resulteert volgens gedaagde in een verlies aan verdiencapaciteit van 35 tot 45%.

Appellante stelt dat zij alle mogelijke moeite heeft gedaan om de werknemer te reïntegreren door hem aangepast werk aan te bieden. De werknemer heeft echter elke medewerking geweigerd. Indien de werknemer in het door appellante aangeboden werk had hervat had hij hetzelfde loon kunnen verdienen als in zijn oorspronkelijke functie en had hij geen beroep hoeven te doen op de WAO. Door de toekenning van de WAO-uitkering aan de werknemer wordt appellante benadeeld omdat die toekenning ingevolge de Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (Wet Pemba) zal leiden tot een hogere gedifferentieerde premie. Appellante ervaart dit als een zeer onrechtvaardige situatie.

De Raad heeft begrip voor de bezwaren die appellante heeft aangevoerd, maar stelt vast dat in de WAO, zoals deze gold ten tijde van de hier in geding zijnde datum, niet de mogelijkheid was opgenomen om toekenning van een WAO-uitkering te weigeren aan een werknemer die niet meewerkt aan zijn of haar reïntegratie (vanaf 1 april 2002 bestaat die mogelijkheid wel door een wijziging van de WAO ingevolge de Wet verbetering poortwachter, Stb. 2001, 628).

De eigen risico dragende werkgever had destijds ingevolge artikel 75e, derde lid, van de WAO de mogelijkheid om indien een werknemer weigerde mee te werken aan zijn herintreding in het arbeidsproces, het Lisv te verzoeken een sanctie op te leggen. Appellante is echter geen eigen risicodragende werkgever, zodat dit artikel niet op haar van toepassing was.

Appellante heeft niet bestreden dat de werknemer op de datum in geding 21 mei 1999 beperkingen ondervond voor het verrichten van arbeid. Wel is aangevoerd dat de werknemer na zijn ontslag op staande voet voor zichzelf is begonnen als tegelzetter, waardoor bij appellante twijfel is ontstaan over de ernst van de beperkingen. Bovendien acht appellante het niet uitgesloten dat de werknemer door het in zijn eigen bedrijf verrichten van rugbelastende werkzaamheden een verbetering van zijn gezondheidssituatie in de weg heeft gestaan.

De Raad overweegt dat er door de arbeidsdeskundige een onderzoek is verricht naar de aard en de omvang van de werkzaamheden die de werknemer als zelfstandige is gaan verrichten en de inkomsten die daaruit zijn gegenereerd. Daaruit is gebleken dat de werknemer die werkzaamheden gedurende 16 uur per week verricht en dat hij zich voor de zwaardere werkzaamheden laat bijstaan door een handlanger. Het onderzoek heeft geleid tot de conclusie dat de werkzaamheden als zelfstandige geen invloed hebben op de WAO-uitkering. In hetgeen namens appellante is aangevoerd ziet de Raad onvoldoende aanleiding om die conclusie onjuist te achten.

De Raad komt tot de slotsom dat niet is gebleken dat de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid van de werknemer op 21 mei 1999 niet op goede gronden rust. Het hoger beroep van appellante kan daarom niet slagen zodat als volgt moet worden beslist.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.D. Streefkerk als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2002.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.D. Streefkerk.

PK