Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE6319

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-03-2002
Datum publicatie
26-08-2002
Zaaknummer
99/5575 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Besluit decentralisatie arbeidsvoorwaardenvorming universiteiten, hogescholen en onderzoekinstellingen
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2002/94
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

99/5575 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellante heeft op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de president van de rechtbank Haarlem van 21 september 1999, nr. ZW 99/7587 en AW 99/3306, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 12 oktober 2001 heeft gedaagde geantwoord op een hem van de zijde van de Raad voorgelegde vraag.

Bij brief van 10 januari 2002 heeft appellante een memorie met bijlagen ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 24 januari 2002, waar voor appellante is verschenen mr. A.A. Bouwman, werkzaam bij het Bureau Rechtshulp te Haarlem en waar gedaagde zich, met bericht, niet heeft doen vertegenwoordigen.

II. MOTIVERING

1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met vermelding van de volgende, als vaststaand aangenomen, gegevens.

1.1. Met ingang van 1 augustus 1997 is aan appellante op eigen verzoek ontslag verleend als telefoniste/receptioniste bij de Stichting [X.]. In april 1998 heeft zij een aanvraag ingediend om - onder meer - een ziekte-uitkering. Bij het primaire besluit van 2 juli 1998 heeft USZO Diensten B.V., namens gedaagde, de gevraagde uitkering geweigerd.

1.2. Bij beslissing op bezwaar van 26 februari 1999 heeft USZO Diensten B.V., namens gedaagde, de weigering gehandhaafd. Tegen dit besluit heeft appellante beroep ingesteld bij de rechtbank.

1.3. Hangende het beroep bij de rechtbank is het besluit van 26 februari 1999 ingetrokken. Bij de thans bestreden beslissing op bezwaar van 16 juli 1999 heeft USZO Diensten B.V., namens gedaagde, de weigering van de uitkering opnieuw gehandhaafd. Met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht is het beroep van appellante aangemerkt als mede gericht tegen het bestreden besluit.

1.4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de president van de rechtbank het beroep tegen de ingetrokken beslissing op bezwaar niet-ontvankelijk, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, gedaagde veroordeeld in de kosten van aan appellante verleende rechtsbijstand ten bedrage van f 710,- (thans € 322,-), te betalen aan de griffier van de rechtbank en bepaald dat aan appellante het door haar betaalde griffierecht moest worden vergoed.

2. De aangevallen uitspraak wordt slechts aangevochten voorzover het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard.

2.1. Met betrekking tot de bevoegdheid van gedaagde tot het (in mandaat doen) nemen van de beslissing op het verzoek van appellante om een ziekte-uitkering overweegt de Raad ambtshalve als volgt.

2.2. De uitkering is aangevraagd en geweigerd op grond van het tijdelijk Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid onderwijs- en onderzoekpersoneel (Stb. 1995, 703, hierna: BZA).

2.3. Ingevolge artikel 40 in samenhang met artikel 39 van het BZA, voorzover hier van belang, geschiedt de vaststelling en wijziging van een aanspraak wegens ziekte door het bevoegd gezag.

2.4. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder d, van het BZA, voor zover hier van belang, wordt in dit besluit ten aanzien van een privaatrechtelijke instelling met of zonder rechtspersoonlijkheid onder "bevoegd gezag" verstaan: het instellingsbestuur.

2.5. Gelet op dit samenstel van bepalingen is de Raad van oordeel dat niet gedaagde doch het instellingsbestuur van de Stichting [X.] bevoegd was op de aanvraag van appellante om een ziekte-uitkering te beslissen.

2.6. Gevraagd naar de grondslag van de bevoegdheid tot het nemen van het besluit heeft gedaagde de Raad bij brief van 12 oktober 2001 in hoofdzaak medegedeeld dat er in de periode 1997-1999 geen uitvoeringscontract bestond tussen de USZO-uitvoeringsorganisatie en de instellingsbesturen - waaronder het bestuur van de Stichting [X.] - doch uitsluitend tussen USZO en gedaagde. In die situatie is eerst verandering gekomen met het Besluit decentralisatie arbeidsvoorwaardenvorming universiteiten, hogescholen en onderzoekinstellingen van 6 december 1999 (Stb. 1999, 528). Pas na de publicatie van dit Besluit heeft USZO namens de betrokken werkgevers in (onder andere) het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek concrete besluiten genomen en afgegeven. Voordien was zulks, gelet op het met gedaagde gesloten contract, niet mogelijk, aldus gedaagde.

2.6.1. Naar het oordeel van de Raad snijdt deze redenering echter geen hout. De enkele omstandigheid dat (een onderdeel van) de USZO-uitvoeringsorganisatie in een mandaatsverhouding staat tot gedaagde, doch niet tot het instellingsbestuur dat ingevolge het BZA als bevoegd gezag is aan te merken, kan immers niet met zich brengen dat gedaagde - of de USZO-uitvoeringsorganisatie namens hem - ter uitvoering van het BZA enige bevoegdheid zou mogen uitoefenen die ingevolge deze wettelijke regeling aan het instellingsbestuur is voorbehouden.

2.6.2. Evenmin is de Raad gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat de USZO-uitvoeringsorganisatie niet namens gedaagde doch namens het instellingsbestuur heeft besloten en heeft mogen besluiten. De brief van 12 oktober 2001 laat geen andere conclusie toe dan dat USZO-uitvoeringsorganisatie niet beschikte over enige opdracht of machtiging van het instellingsbestuur om ter uitvoering van het BZA besluiten te nemen.

2.7. De Raad komt tot de slotsom dat het primaire besluit onbevoegdelijk is genomen en mitsdien bij het bestreden besluit ten onrechte is gehandhaafd. Aan een inhoudelijk oordeel omtrent dit besluit komt de Raad niet toe. Nu de president van de rechtbank dit heeft miskend, dient de aangevallen uitspraak in zoverre te worden vernietigd. Doende hetgeen de president van de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad alsnog het bestreden en het primaire besluit vernietigen.

3. De Raad vertrouwt erop dat gedaagde de aanvraag van appellante om uitkering alsnog in handen zal (doen) stellen van het instellingsbestuur van de Stichting [X.].

4. De Raad acht termen aanwezig om gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen tot vergoeding van een bedrag groot € 805,- aan kosten wegens aan appellante in hoger beroep verleende rechtsbijstand en een bedrag groot € 322,- aan kosten van rechtsbijstand in eerste aanleg een en ander boven het bedrag waartoe gedaagde reeds bij de aangevallen uitspraak is veroordeeld.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het inleidend beroep in zoverre alsnog gegrond;

Vernietigt de besluiten van gedaagde van 16 juli 1999 en 2 juli 1998;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.127,-, door de Staat der Nederlanden te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellante het door haar in hoger beroep betaalde griffierecht van f 170,- (thans € 77,14) vergoedt.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. J.H. van Kreveld en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van N. Doekharan als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2002.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) N. Doekharan.

HD

19.02

Q