Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE6184

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-06-2002
Datum publicatie
07-08-2002
Zaaknummer
99/6446 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 29a
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 71a
Ziektewet
Ziektewet 38
Boetebesluit inburgering nieuwkomers
Boetebesluit inburgering nieuwkomers 4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2002/245
RSV 2002, 203

Uitspraak

99/6446 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], te [vestigingsplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding (de Raad van bestuur van) het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij primair besluit van 13 mei 1998 heeft gedaagde appellante in verband met het niet tijdig indienen van een voorlopig reïntegratieplan een boete opgelegd.

Het tegen dat besluit ingediende bezwaar is door gedaagde bij besluit van 4 november 1998 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

De rechtbank Roermond heeft bij uitspraak van 8 november 1999 het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

Namens appellante is mr. N. Eeken, advocaat te 's-Gravenhage, van die uitspraak in hoger beroep gekomen. In een beroepschrift (met bijlagen) zijn de gronden uiteengezet voor het verzoek om de aangevallen uitspraak te vernietigen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en de gemachtigde van appellante heeft bij brief van 25 maart 2002 nog een groot aantal stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 5 april 2002, waar mr. W.E. Hoge, kantoorgenote van mr. Eeken, voornoemd, en mr. M.C.F.M. Mollee, werkzaam bij Commit Arbo B.V., namens appellante zijn verschenen. Zoals tevoren aangekondigd is gedaagde niet verschenen.

II. MOTIVERING

Op dit geding zijn de bepalingen van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: WAO) van toepassing, zoals deze ten tijde in geding luidden.

Werkneemster [werkneemster] van appellante heeft zich op 17 december 1997 ziek gemeld. Gedaagde heeft appellante bij brief van 14 april 1998 bericht dat gedaagde van appellante op 8 april 1998 een voorlopig reïntegratieplan heeft ontvangen, dat dit plan uiterlijk op 17 maart 1998 ontvangen had moeten zijn, en dat gedaagde daarom verplicht is een boete op te leggen. Van die boete kan volgens gedaagde worden afgezien indien appellante een deugdelijke grond kan aanvoeren voor het niet tijdig of onvolledig invullen van het voorlopig reïntegratieplan.

Bij primair besluit van 13 mei 1998 heeft gedaagde appellante medegedeeld dat op basis van artikel 71a van de WAO een boete wordt opgelegd van f 500,--. Daarbij heeft gedaagde overwogen dat appellante geen deugdelijke grond had om de verplichting tot het tijdig indienen van het voorlopig reïntegratieplan niet na te komen, dat niet is gebleken van een dringende reden om van het opleggen van een boete af te zien en dat er geen sprake is van het geheel ontbreken van verwijtbaarheid.

Bij het bestreden besluit heeft gedaagde het bezwaar tegen voormeld besluit ongegrond verklaard, waarna de rechtbank (zoals gezegd) het beroep tegen het bestreden besluit gegrond heeft verklaard, dat besluit heeft vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten.

De rechtbank heeft onder meer overwogen dat artikel 71a, eerste lid, van de WAO voldoende duidelijk en ondubbelzinnig is om als grondslag voor het opleggen van een boete te kunnen dienen, dat bij het door het Lisv vastgestelde Besluit boete ZW/WAO werkgevers (hierna: Boetebesluit) is beoogd toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 29a, tweede lid, van de WAO, en dat het Lisv slechts de ernst van de gedraging als een element beschouwt waarmee bij de bepaling van de hoogte van de boete (f 150,-- respectievelijk f 500,-- respectievelijk f 1.000,--) rekening moet worden gehouden. De rechtbank acht het categorisch niet meewegen van de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden waarin de betrokkene verkeert in strijd met artikel 29a, tweede lid, van de WAO. Naar het oordeel van de rechtbank is bij het Boetebesluit aan artikel 29a, zesde lid, van de WAO (het Lisv stelt nadere regels met betrekking tot het eerste en tweede lid) een invulling gegeven die niet strookt met artikel 29a, tweede lid, van de WAO, zodat aan artikel 4, tweede lid, van het Boetebesluit verbindende kracht moet worden ontzegd. Aangezien de boete is opgelegd met toepassing van laatstgenoemde bepaling is het bestreden besluit door de rechtbank vernietigd.

Voorts heeft de rechtbank aanleiding gevonden om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat een boete van f 500,-- de rechterlijke toetsing zou kunnen doorstaan. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het voorlopige reïntegratieplan 7 tot 28 dagen te laat is ingediend, dat van verminderde verwijtbaarheid geen sprake is en dat persoonlijke omstandigheden niet zijn gesteld.

Hetgeen hiertegen in hoger beroep door appellante is aangevoerd komt er op neer dat artikel 71a, eerste lid, van de WAO niet duidelijk is, dat dit artikel geen basis kan vormen voor het opleggen van een boete, dat betwist wordt dat erkend is dat het reïntegratieplan te laat is ingediend, en dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten.

De Raad overweegt als volgt.

Met betrekking tot de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden acht de Raad de hiernavolgende wettelijke bepalingen in het bijzonder relevant.

Artikel 71a, eerste lid, WAO: Gelijktijdig met de aangifte van arbeidsongeschiktheid, bedoeld in artikel 38, eerste lid van de Ziektewet legt de werkgever aan het Landelijk instituut sociale verzekeringen een door hem in overleg met de werknemer opgesteld adequaat reïntegratieplan over ten behoeve van de herintreding van de werknemer in het arbeidsproces. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen stelt regels inzake voorlopige of volledige reïntegratieplannen en eventueel noodzakelijke vervolgplannen en stelt minimumeisen, waaraan deze plannen moeten voldoen.

Artikel 38, eerste lid, Ziektewet: De werkgever van de verzekerde die bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte recht heeft op loon doet, uiterlijk op de eerste dag nadat de ongeschiktheid van die werknemer dertien weken heeft geduurd, aangifte van die ongeschiktheid bij het Landelijk instituut sociale verzekeringen. De werkgever geeft daarbij de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken op. Voor het bepalen van het tijdvak van dertien weken worden tijdvakken van ongeschiktheid tot werken samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.

Artikel 71a, vierde lid, WAO: Indien de werkgever de verplichting, bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, zonder deugdelijke grond niet of niet behoorlijk is nagekomen, legt het Landelijk instituut sociale verzekeringen hem een boete op van ten hoogste f 1.000,--.

Artikel 71a, zevende lid, WAO: De artikelen 29a, derde, vierde en zesde lid, 29b, 29c, 29e, eerste lid, eerste volzin, en tweede lid en 29g, eerste, vierde, vijfde, achtste en negende lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 29a, tweede lid, WAO: De hoogte van de boete wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert. Van het opleggen van een boete wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

Artikel 29a, zesde lid, WAO: Het landelijk instituut sociale verzekeringen stelt nadere regels met betrekking tot het eerste en het tweede lid.

Artikel 4 Boetebesluit:

-1. De verplichting, bedoeld in artikel 71a, eerste, tweede en derde lid is niet of niet behoorlijk nagekomen indien:

a. het voorlopig reïntegratieplan niet tijdig is ingediend of niet adequaat is, of

b. het volledige reïntegratieplan niet tijdig is ingediend of niet adequaat is.

-2. De hoogte van de boete, bedoeld in artikel 71a, vierde lid, WAO bedraagt:

a. f 150,--, indien het voorlopige of volledige reïntegratieplan minder dan 7 kalenderdagen te laat is ingediend;

b. f 500,--, indien het voorlopige of volledige reïntegratieplan dat uiterlijk op de eerste dag nadat de ongeschiktheid van de werknemer dertien weken heeft geduurd moet worden ingediend, 7 kalenderdagen of meer doch minder dan 28 kalenderdagen te laat is ingediend;

c. f 1.000,--, indien het voorlopige of volledige reïntegratieplan dat uiterlijk op de eerste dag nadat de ongeschiktheid van de werknemer dertien weken heeft geduurd moet worden ingediend, 28 kalenderdagen of meer te laat is ingediend;

d. f 1.000,--, indien het volledige reïntegratieplan dat uiterlijk vier maanden voor het einde van de wachttijd van de WAO moet worden ingediend, 7 kalenderdagen of meer te laat is ingediend;

e. f 1.000,--, indien het voorlopige of volledige reïntegratieplan niet adequaat is.

-3. De boete wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in het eerste lid onder a of onder b, bedraagt niet meer dan f 1.000,--.

In zijn uitspraak van 27 april 2000 (onder meer gepubliceerd in RSV 2000/143) heeft de Raad, voor zover hier van belang, het bepaalde in artikel 71a, eerste lid, van de WAO aangemerkt als een voldoende duidelijke en ondubbelzinnige verplichting.

In het vierde lid van artikel 71a van de WAO (tekst per 1 januari 1998) is bepaald dat het Lisv aan een werkgever, die de verplichting om tijdig een (voorlopig) reïntegratieplan in te dienen zonder deugdelijke grond niet of niet behoorlijk is nagekomen, een boete oplegt van ten hoogste f 1.000,--. In het zevende lid van artikel 71a van de WAO is onder meer bepaald dat het zesde lid van artikel 29a van de WAO van overeenkomstige toepassing is. In dat zesde lid van artikel 29a van de WAO is bepaald dat het Lisv nadere regels stelt met betrekking tot het eerste en tweede lid van dat artikel. In het tweede lid van artikel 29a van de WAO valt onder meer te lezen dat de hoogte van de boete wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert. Artikel 4 van het Boetebesluit biedt echter uitsluitend de mogelijkheid om te differentiëren naar de ernst van de gedraging of het verzuim.

Met name gelet op de in de voorgaande alinea vermelde bepalingen is de Raad, in de lijn met zijn uitspraak van 6 november 2001 (onder meer gepubliceerd in USZ 2002/19), van oordeel dat gedaagde ten onrechte in het Boetebesluit geen nadere regels heeft gesteld omtrent onder meer de afstemming van de boete op de mate van verwijtbaarheid van een verzuim. Naar het oordeel van de Raad is (artikel 4 van) het Boetebesluit niet in overeenstemming met voormelde wettelijke bepalingen en behoeft dit Besluit aanvulling met nadere regels dienaangaande, in aanmerking genomen het bepaalde in artikel 29a, tweede lid, van de WAO.

De Raad komt, gelet hierop, tot de conclusie dat de desbetreffende bepaling van het Boetebesluit buiten toepassing dient te blijven, dat het bestreden besluit daar ten onrechte op is gebaseerd en dat dit besluit door de rechtbank derhalve terecht en op goede gronden is vernietigd.

Gelet op het vorenoverwogene acht de Raad - anders dan de rechtbank - geen termen aanwezig om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

De Raad acht termen aanwezig om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 322,-- aan kosten van verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,-- aan kosten van verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

Gelet op het vorenstaande alsmede op het bepaalde in de artikelen 24 en 25, eerste lid, van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat het door appellante in hoger beroep gestorte griffierecht door gedaagde dient te worden vergoed.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover het beroep gegrond is verklaard en het bestreden besluit is vernietigd.;

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten;

Vernietigt het primaire besluit;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag van € 966,--;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het door haar in hoger beroep betaalde griffierecht groot € 306,-- (f 675,--) vergoedt.

Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter en mr. R.M. van Male en mr. H.G. Rottier als leden, in tegenwoordigheid van N.J. Stolten als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2002.

(get.) M.I. 't Hooft.

(get.) N.J. Stolten.

AP3106