Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE6163

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-07-2002
Datum publicatie
06-08-2002
Zaaknummer
00/2007 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Ambtenarenwet, geldigheid: 2002-07-04
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ROR 2003, 7
TAR 2002/144

Uitspraak

00/2007 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, als rechtsopvolger van de Commissie van Bestuur voor het Slotervaartziekenhuis, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 februari 2000, nr. 97/6479 AW 27, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 23 mei 2002, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. R.A. van de Water, advocaat te Utrecht, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. A.C. Siemons, advocaat te Amsterdam.

II. MOTIVERING

1.1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.2. Appellant was in vaste gemeentelijke dienst werkzaam als medewerker [functie 1] op de afdeling [afdeling 1] van het [bedrijfsnaam], voor 32 uur per week. Als gevolg van een reorganisatie is appellants functie per 1 januari 1994 opgeheven. Appellant is hiervan mededeling gedaan, waarbij tevens is verklaard dat hem met ingang van genoemde datum de RAP-status wordt verleend en dat hij niet geplaatst wordt in de door hem geambieerde functie van [functie 3]. Per 1 juni 1994 heeft appellant de functie geaccepteerd van [functie 2] op de afdeling [afdeling 2] bij de [dienst] van de gemeente Amsterdam, voor 20,9 uur per week. Die functie vervulde appellant ook nog ten tijde in geding.

1.3. Appellants bezwaren tegen de niet plaatsing als [functie 3] hebben uiteindelijk geleid tot vernietiging van dat besluit door de rechtbank, welk oordeel in hoger beroep is bevestigd. Naar aanleiding daarvan heeft gedaagde op 20 december 1995 besloten tot een proefplaatsing van appellant in genoemde functie van 1 januari 1996 tot 1 juli 1996, voor 19 uur per week, teneinde alsnog vast te kunnen stellen of appellant de geschiktheid bezit om die functie naar behoren te vervullen. Appellant was accoord met deze proefplaatsing, ook wat betreft het aantal uren.

In de eerste helft van 1996 is appellants functioneren twee maal als onvoldoende beoordeeld. Beide beoordelingen staan in rechte vast omdat appellant zijn aanvankelijke bezwaren daartegen heeft ingetrokken. Bij besluit van 28 juni 1996 is de proefplaatsing verlengd tot 1 januari 1997. Deze verlenging staat eveneens in rechte vast.

1.4. Op 29 oktober 1996 is wederom een beoordeling omtrent appellants functioneren opgemaakt, welke tijdens het beoordelingsgesprek op 8 november 1996 aan hem is overhandigd. Bij besluit van 27 december 1996 is aan appellant meegedeeld dat de proefplaatsing wordt beëindigd en dat niet wordt overgegaan tot het definitief plaatsen van appellant in de functie van [functie 3]. Bij schrijven van gelijke datum is appellant aangezegd dat hij met ingang van 15 maart 1997 zal worden ontslagen op grond van artikel 1122, aanhef en onder a, van het Ambtenarenreglement Amsterdam (ARA). Laatstgenoemd besluit is geëffectueerd bij brief van 25 februari 1997, waarbij appellant tevens in aanmerking is gebracht voor wachtgeld. Bij besluit van 14 april 1997 heeft gedaagde de tegen de hier genoemde besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

1.5. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit van 14 april 1997 ongegrond verklaard.

Beoordeling van 29 oktober 1996.

2.1. Uit de op 29 oktober 1996 opgemaakte beoordeling valt af te leiden dat appellant tekortschiet op het beoordelingsaspect zelfstandigheid, waarmee volgens de toelichting op de beoordeling gedoeld wordt op het feit dat appellant zijn verantwoordelijkheid onvoldoende neemt voor de werkzaamheden die uit het eigen takenpakket voortvloeien, met name omdat hij geen zorg draagt voor overdracht van zijn werkzaamheden naar collega's gedurende zijn eigen afwezigheid. Collega's die crediteuren uit het pakket van appellant gedurende diens afwezigheid te woord moeten staan hebben als gevolg daarvan onvoldoende toegang tot de dossiers en worden onnodig belast. Daarnaast wordt appellant verweten dat hij verhoudingsgewijs vrij veel vergissingen en fouten maakt; zo wordt vergeten dat in bepaalde gevallen budgethouders dienen te paraferen en worden te vaak facturen op verkeerde inkooporders en/of paklijsten afgeboekt. Ook op appellants werktempo bestaat kritiek; er zijn achterstanden geconstateerd en collega's moeten bijspringen. Op het aspect contact met collega's voldeed appellant nog niet aan de eisen; gesteld is dat appellant irritaties oproept door zijn dwingende wijze van communiceren. Ook de contacten met appellants chefs zijn in de beoordelingsperiode problematisch verlopen, zodat appellant op dit aspect is beoordeeld met een A (schoot duidelijk te kort). Een zelfde score is toegekend voor appellants houding ten opzichte van zaken. Daarmee wordt blijkens de toelichting gedoeld op appellants negatieve opstelling zowel naar het werk, als naar collega's en leidinggevenden.

2.1.1. Appellant heeft eerst als formele grief naar voren gebracht dat zijn directe chef ten onrechte niet aanwezig was bij het beoordelingsgesprek. Appellant is beoordeeld met gebruikmaking van het formulier Beoordeling functievervulling tijdens de proeftijd als bedoeld in artikel 3 van het Besluit beoordeling functievervulling tijdens de proeftijd (het Besluit) en in het Besluit is dwingend voorgeschreven dat zijn directe chef bij het beoordelingsgesprek aanwezig diende te zijn. De Raad stelt vast dat het Besluit niet van toepassing is op appellant, omdat hij niet is aangesteld in proeftijd in de zin van het ARA, maar in vaste dienst van de gemeente is. Dat bij het opmaken van de in geding zijnde beoordeling om praktische redenen het beoordelingsformulier voor tijdelijke aanstellingen is gebruikt, maakt dat niet anders.

2.1.2. Hoewel de aanwezigheid van appellants directe chef bij het beoordelingsgesprek niet dwingend voorgeschreven is, moet niettemin de vraag worden beantwoord of zijn aanwezigheid uit een oogpunt van zorgvuldige voorbereiding van het beoordelingsbesluit noodzakelijk was. De beoordeling is opgemaakt door de directe chef van appellant ([chef 1]) en de naasthogere directe chef ([chef 2]). Daarnaast is een personeelsconsulent als beoordelingsadviseur opgetreden. Het beoordelingsgesprek is met appellant gehouden door [chef 2] en de beoordelingsadviseur; niet mede door appellants directe chef. Hiervoor is volgens gedaagde gekozen om in het beoordelingsgesprek een zekere mate van distantie te scheppen. De stelling van appellant dat zijn directe chef positief over hem dacht en onder druk is gezet niet aan het gesprek deel te nemen acht de Raad niet geloofwaardig. Deze chef heeft immers niet alleen het in geding zijnde beoordelingsformulier ingevuld en mede ondertekend - en daarmee onmiskenbaar blijk gegeven van zijn (niet positieve) opvattingen omtrent appellant functioneren - maar dit ook ten aanzien van de vorige twee in rechte vaststaande negatieve beoordelingen gedaan. Gelet op de redengeving van gedaagde ziet de Raad in de afwezigheid van de directe chef bij het beoordelingsgesprek onvoldoende reden voor de conclusie dat het beoordelingsbesluit niet in stand kan blijven.

2.2. Appellant heeft voorts naar voren gebracht dat de beoordeling op onvoldoende feitelijke grondslag berust en dat deze negatief luidt vanwege zijn lidmaatschap van de ondernemingsraad. Daarbij heeft appellant gewezen op het bepaalde in artikel 21, eerste lid, van de Wet op de ondernemingsraden, ingevolge welke bepaling de werkgever er zorg voor draagt dat de leden van de ondernemingsraad niet uit hoofde van hun lidmaatschap worden benadeeld in hun positie in de onderneming.

De Raad is van oordeel dat de in geding zijnde beoordeling genoegzaam is onderbouwd. Vanwege gedaagde is een aantal concrete feiten en omstandigheden met betrekking tot appellants feitelijk functioneren naar voren gebracht, zoals het niet in voldoende mate zorg dragen voor de overdracht van het werk aan collega's en het onvoldoende inzichtelijk maken van de werkmethode voor deze collega's, het gebrek aan werktempo en de door de chef gesignaleerde fouten, die door appellant niet onderbouwd zijn weersproken. Zo heeft appellant niet aangegeven dat en op welke wijze hij zorg droeg voor de overdracht van zijn werk. Appellant heeft slechts volstaan met de stelling dat er vooringenomenheid jegens hem bestond. Van dat laatste is de Raad in geen enkel opzicht kunnen blijken.

Ook heeft de Raad niet kunnen vaststellen dat appellants beoordeling negatief is beïnvloed door het feit dat hij lid is van de ondernemingsraad of als gevolg van in die hoedanigheid verkondigde opvattingen met betrekking tot de (leiding van de) organisatie waarin hij werkzaam is. De omstandigheid dat appellant veelvuldig afwezig was voor zijn medezeggenschapsactiviteiten en daardoor wellicht onvoldoende in de gelegenheid was geweest de uit eerdere beoordelingen naar voren komende tekortkomingen te verbeteren, is voor gedaagde aanleiding geweest de proefplaatsing met een tweede halfjaar te verlengen om appellant nog een extra kans te geven. Dit kan naar het oordeel van de Raad bezwaarlijk als benadeling van appellants positie worden gezien.

2.3. Appellant heeft het negatieve oordeel over zijn contacten met collega's en leidinggevenden bestreden door overlegging van een aantal verklaringen van voormalige collega's en leidinggevenden, waaruit naar voren komt dat appellant als een plezierige en loyale medewerker werd ervaren. De Raad moet vaststellen dat alle verklaringen zien op het (verre) verleden, onderscheidenlijk op zijn medezeggenschapsactiviteiten en reeds om die reden geen rol kunnen spelen bij de in geding zijnde beoordeling, die betrekking heeft op het tijdvak van 1 juli 1996 tot aan de opstellingsdatum van 29 oktober 1996.

2.4. Het vorenstaande brengt de Raad tot de slotsom dat het beoordelingsbesluit niet op onvoldoende gronden berust en het bestreden besluit derhalve moet worden gehandhaafd.

Beëindiging proefplaatsing en geen definitieve plaatsing als [functie 3].

3. Gedaagde heeft het besluit om appellant niet definitief te plaatsen als [functie 3] en de proefplaatsing te beëindigen gegrond op een tweetal rechtens onaantastbaar geworden negatieve beoordelingen van appellants functioneren in de eerste helft van 1996 en voorts op de hierboven onder 2. besproken beoordeling van 29 oktober 1996. De Raad is, mede gezien het feit dat appellant tegen dit besluit geen afzonderlijke grieven naar voren heeft gebracht, tot het oordeel gekomen dat dit besluit de rechterlijke toets kan doorstaan.

Ontslag.

4.1. Appellant is ontslag verleend met toepassing van artikel 1122, aanhef en onder a, van het ARA wegens opheffing van zijn betrekking. Appellant heeft een beroep gedaan op artikel 1131, vierde lid, onder a, van het ARA op grond van welke bepaling zonder toestemming van burgemeester en wethouders geen aanzegging van ontslag kan plaatshebben aan de ambtenaar die lid is van de ondernemingsraad. Zodanige toestemming is niet verkregen, zodat het ontslag niet in stand kan blijven volgens appellant.

4.2. Gedaagde heeft, naar het oordeel van de Raad terecht, gewezen op het vijfde lid van artikel 1131, op grond waarvan vorenbedoelde toestemming, die in dit geval door de Commissie van Bestuur had moeten worden verleend, niet vereist is bij ontslag wegens opheffing van de betrekking als bedoeld in artikel 1122, aanhef en onder a, van het ARA. In dit verband overweegt de Raad dat appellants voormalige betrekking van medewerker [functie 1] per 1 januari 1994 is opgeheven. Als gevolg van die opheffing heeft appellant per genoemde datum overeenkomstig de geldende regels de RAP-status toegekend gekregen, in welk kader hij bij wijze van proef als [functie 3] is geplaatst. Anders dan appellant heeft betoogd is zijn RAP-status als gevolg van deze proefplaatsing niet verloren gegaan. Nu deze proefplaatsing, gelet op hetgeen de Raad hiervoor heeft overwogen, op goede gronden als mislukt is beschouwd, is de conclusie dat herplaatsing uiteindelijk niet mogelijk is gebleken juist. Het is in overeenstemming met de toepasselijke spelregels bij reorganisatie en mobiliteit dat appellant gelet hierop wegens opheffing van zijn functie is ontslagen. Derhalve was de door appellant bedoelde toestemming niet vereist.

4.3. Nu tegen het ontslagbesluit geen andere grieven zijn ingebracht volgt uit het vorenstaande dat de handhaving van dat ontslagbesluit stand houdt.

5. Hetgeen onder 2.4., 3. en 4.3. is overwogen leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. J.H. van Kreveld en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van D. Boers als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2002.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) D. Boers.

HD

07.06

Q