Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE6148

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-02-2002
Datum publicatie
26-08-2002
Zaaknummer
99/2455 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:17
Algemene wet bestuursrecht 8:73
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2002/93
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

99/2455 MAW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[A.], wonende te [B.], appellant,

en

de Staatssecretaris van Defensie, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 2 april 1999, nr. AWB 98/03990 MAWKLU, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Het geding is behandeld ter zitting van 18 januari 2002, waar appellant, daartoe vanwege de Raad opgeroepen, in persoon is verschenen. Namens gedaagde is verschenen mr. A.H. Beijer, werkzaam bij het Ministerie van Defensie.

II. MOTIVERING

1. Onder verwijzing overigens naar het in de aangevallen uitspraak gegeven feitenoverzicht volstaat de Raad met het volgende.

1.1. Appellant, [in] 1987 als kort verband vrijwilliger bij het beroepspersoneel van de Koninklijke Luchtmacht aangesteld, is bij besluit van 15 augustus 1991 per 1 maart 1991 benoemd tot tweede luitenant en per 1 augustus 1991 tot eerste luitenant. Bij zijn uitspraak van 29 juni 1995 (hierna uitspraak 1) heeft de rechtbank dit besluit vernietigd, gedaagde opgedragen opnieuw te besluiten en gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het daarop gebaseerde Besluit proceskosten bestuursrecht veroordeeld in appellants kosten van rechtsbijstand in dat geding tot een bedrag van f 355,-.

1.2. Ter uitvoering van uitspraak 1 is appellant alsnog per 13 augustus 1990 tot tweede luitenant en vijf maanden nadien tot eerste luitenant benoemd.

1.3. Bij besluit van 2 maart 1990 was een beoordeling inzake appellants functioneren over de periode 22 mei 1989 tot en met 22 november 1989 opgemaakt. Na bezwaar is die negatieve beoordeling bij besluit van 14 maart 1991 aangepast, maar nog steeds negatief gebleven. Bij uitspraak 1 heeft de rechtbank ook op appellants beroep tegen dit besluit uitspraak gedaan en dit beroep ongegrond verklaard.

1.4. Appellant heeft tegen (beide onderdelen van) uitspraak 1 hoger beroep ingesteld. Daarbij heeft appellant geen grieven ingebracht tegen de (omvang van de) daarin vervatte proceskostenveroordeling. Dit hoger beroep is ter zitting van de Raad van 21 november 1996 behandeld, waar appellant noch zijn toenmalige gemachtigde H.H. Kruize (hierna: Kruize) is verschenen. De Raad heeft bij zijn uitspraak van 19 december 1996 (hierna: uitspraak 2) de besluiten van 2 maart 1990 en 14 maart 1991 vernietigd, evenals het daarop betrekking hebbende deel van uitspraak 1, omdat de in de beoordeling vervatte negatieve waarderingen op onvoldoende gronden berustten. De Raad overwoog dat er geen termen waren om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

2. Uitspraak 2 is op 9 januari 1997 naar Kruize gezonden. Nadat deze die uitspraak naar appellant had doorgezonden, heeft appellant zich bij brief van 14 maart 1997 tot gedaagde gewend met het verzoek de kosten te vergoeden die hij had gemaakt inzake de gedingen die tot de uitspraken 1 en 2 hadden geleid. Appellant betoogde daartoe dat Kruize de uitnodiging voor 's Raads zitting van 21 november 1996 eerst op 10 januari 1997 had ontvangen en daardoor niet in de gelegenheid was geweest vergoeding van proceskosten te vorderen. De kosten die appellant verzocht alsnog te vergoeden, stelde hij op f 26.409,71 (onder meer kosten van rechtsbijstand en rentederving en fiscaal nadeel in verband met die kosten).

Bij besluit van 17 oktober 1997 heeft gedaagde dit verzoek afgewezen, overwegend dat appellant(s gemachtigde) uiterlijk op 's Raads zitting van 21 november 1996 vergoeding van proceskosten had kunnen vragen.

2.1. In zijn tegen dit besluit ingediende bezwaarschrift van 26 november 1997 heeft appellant gesteld dat de omstandigheid dat hij noch zijn gemachtigde Kruize ter zitting van de Raad van 21 november 1996 was verschenen, het gevolg was van het feit dat de griffier van de Raad de uitnodiging voor die zitting naar Witte de Withstraat 11 te Borne had gezonden, hoewel Kruize daar toen niet meer was gevestigd. Appellant betoogde dat als gevolg daarvan die uitnodiging niet tijdig voor 's Raads zitting was ontvangen. Dit was volgens appellant het gevolg van een fout van die griffier nu deze er bij - in afschrift bij het bezwaarschrift gevoegde - aan de griffier gerichte brief van 14 augustus 1996 door Kruize van op de hoogte was gesteld dat Kruize vanaf 2 september 1996 wegens vertrek naar Curaçao niet meer in Borne was gevestigd en deze griffier was verzocht de gedingstukken vanaf 14 augustus 1996 naar het adres van appellant zelf in [B.] te zenden.

2.2. Bij het thans bestreden besluit van 9 april 1998 is appellants bezwaar ongegrond verklaard.

2.3. In zijn beroep hiertegen heeft appellant zijn verzoek om vergoeding van proceskosten bij brief van 21 juni 1998 aangepast en bij ter zitting van 4 maart 1999 overgelegde notitie verder aangepast, in verband met de toename van het fiscale nadeel en de rentederving en in verband met reiskosten inzake de hoorzitting in bezwaar en de zitting van de rechtbank. Hij heeft toen tevens verzocht hem de rente te vergoeden over het achterstallig salaris dat gedaagde ingevolge het ter uitvoering van uitspraak 1 genomen besluit nog had dienen uit te betalen, maar eerst eind 1998 heeft uitbetaald.

2.4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank op dit beroep beslist.

2.4.1. Terzake van de in bezwaar gemaakte kosten overwoog zij dat er geen aanleiding was gedaagde hierin te veroordelen, nu niet gezegd kon worden dat het in 1990 genomen primaire besluit tegen beter weten in was genomen.

2.4.2. Met betrekking tot de in eerste aanleg en in hoger beroep gemaakte proceskosten overwoog de rechtbank dat limitatief in het Besluit proceskosten bestuursrecht is opgesomd tot welke bedragen vergoeding mogelijk is. Nu de rechtbank en de Raad daaromtrent reeds onherroepelijk hadden beslist, kon appellant zich niet alsnog met een verzoek om vergoeding van proceskosten tot gedaagde wenden.

2.4.3. Het verzoek om rentevergoeding over het achterstallig salaris wees de rechtbank af omdat appellant terzake nog geen verzoek bij gedaagde had ingediend.

2.4.4. Het vorenvermelde bracht de rechtbank tot ongegrondverklaring van het beroep en tot het oordeel dat er mitsdien geen aanleiding was gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in proceskosten die appellant in het bij de aangevallen uitspraak afgesloten geding had gemaakt.

3. In hoger beroep heeft appellant ter zitting van de Raad de in zijn brief van 21 juni 1998 en zijn notitie van 4 maart 1999 vermelde bedragen nader verhoogd.

De Raad overweegt als volgt, eerst inzake de proceskosten en vervolgens inzake de rente over het achterstallig salaris.

3.1. Terzake van gedaagdes afwijzing van het verzoek om vergoeding van proceskosten kan de Raad de aangevallen uitspraak en de daaraan ten grondslag gelegde - in de overwegingen 2.4.1. en 2.4.2. van de onderhavige uitspraak samengevatte - overwegingen onderschrijven.

3.2. De Raad merkt nog op dat het niet aannemelijk is dat Kruize de op 29 oktober 1996 verzonden uitnodiging voor 's Raads zitting van 21 november 1996 niet (tijdig) heeft ontvangen. Die uitnodiging is per aangetekende post naar H.H. Kruize, Witte de Witstraat 11 te Borne verzonden en is door de PTT niet geretourneerd. Nadien, op 14 november 1996, heeft de griffier van de Raad nog nader ingekomen stukken naar hetzelfde adres gezonden, waarop Kruize bij brief van 25 november 1996 heeft gereageerd met medezending van een nader stuk en het verzoek zijn gewijzigde adres "mr. H.H. Kruize, p/a NAPO 402, 3509 VS Utrecht" in de administratie van de Raad op te nemen. In laatstbedoeld verzoek werd niet verwezen naar een eerder verzonden adreswijziging. Dienovereenkomstig heeft de griffier op 9 januari 1997 het afschrift van uitspraak 2 naar het gewijzigde adres gezonden.

3.3. Appellant stelt dat de griffier van de Raad, nu hij door de brief van Kruize van 14 augustus 1996 kon weten dat de stukken niet meer naar het adres van Kruize in Borne moesten worden gezonden, fout heeft gehandeld door de uitnodiging voor 's Raads zitting van 21 november 1996 toch nog naar dat adres te zenden. De Raad kan appellant hierin niet volgen, nu de thans tot de stukken van het onderhavige geding behorende brief van 14 augustus 1996 destijds niet bij de Raad is ontvangen. Appellant heeft ter zitting betoogd dat Kruize hem heeft verzekerd dat die brief tijdig naar de Raad was gezonden. Maar appellant heeft, nu die brief - zoals hij ter zitting heeft bevestigd - destijds niet ter aangetekende verzending is aangeboden, niet aannemelijk gemaakt dat verzending door Kruize en ontvangst door de Raad daadwerkelijk hebben plaatsgevonden.

3.4. Hoewel, reeds omdat aannemelijk is dat appellants gemachtigde tijdig en op de juiste wijze voor 's Raads zitting van 21 november 1996 is uitgenodigd, kan worden daargelaten of appellant in 1995 en 1996 terzake van de door hem in 1995 aangespannen hoger beroepszaak inderdaad proceskosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking hadden kunnen komen, wil de Raad er ter voorlichting van appellant nog wel op wijzen dat die vergoeding niet meer had kunnen bedragen dan voortvloeit uit het in het Besluit proceskosten vervatte puntenstelsel.

3.5. Voorzover de aangevallen uitspraak betrekking heeft op appellants verzoek om rentevergoeding over achterstallig salaris - als bedoeld in overweging 2.3., laatste volzin, van de onderhavige uitspraak - kan de Raad haar eveneens onderschrijven.

3.5.1. Daarbij merkt de Raad nog wel op dat ter zitting namens gedaagde is toegezegd dat deze alsnog de wettelijke rente over dat achterstallig salaris zal vergoeden. Dit betekent dat appellant daartoe niet meer een verzoek bij gedaagde behoeft in te dienen. De Raad neemt aan dat de uitbetaling van die rente binnen een termijn van vier weken na de verzending van deze uitspraak kan plaatsvinden.

4. Het vorenoverwogene betekent dat het inleidend beroep bij de aangevallen uitspraak terecht ongegrond is verklaard. Dit brengt mee dat gedaagde daarbij terecht ook niet is veroordeeld in eventuele proceskosten die appellant in het bij de aangevallen uitspraak afgesloten geding heeft gemaakt. Derhalve moet de aangevallen uitspraak in haar geheel worden bevestigd.

5. Nu de Raad gelet op artikel 8:75 van de Awb ook voor wat betreft de onderhavige procedure geen aanleiding ziet voor een proceskostenveroordeling, wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr. J.H. van Kreveld als leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Dierdorp als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2002.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) C. Dierdorp.

HD

04.02

Q