Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE6065

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-07-2002
Datum publicatie
02-08-2002
Zaaknummer
00/3519 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Ambtenarenwet, geldigheid: 2002-07-25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2002/162

Uitspraak

00/3519 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Echt, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 4 mei 2000, nr. 99/524 AW K1, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 13 juni 2002, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door T.C.W. Conraad, wonende te Landgraaf, en waar gedaagde niet is verschenen.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was laatstelijk werkzaam in de functie van [functie]. De werkverhouding tussen partijen is in de loop der jaren verslechterd. Dit heeft ertoe geleid dat appellant vanaf 1996 geheel of gedeeltelijk wegens ziekte afwezig was en na hersteldverklaring door de bedrijfsarts per 1 maart 1998 zijn werkzaamheden niet meer heeft hervat.

1.2. Toen duidelijk werd dat de functie van appellant na een reorganisatie niet zou terugkeren heeft de gemeentesecretaris met appellant overleg gevoerd teneinde uit de tussen partijen ontstane impasse te geraken. Op 18 december 1997, 10 februari 1998 en 10 maart 1998 hebben gesprekken plaatsgevonden waaraan appellant en de gemeentesecretaris hebben deelgenomen. Alleen van de eerste twee gesprekken zijn verslagen gemaakt, die door appellant zijn ondertekend.

1.3. Na het gesprek van 10 maart 1998 heeft de gemeentesecretaris gedaagde bij notitie van 24 maart 1998 geadviseerd om, gelet op de arbeidsverhoudingen, gebruik te maken van een ontslagregeling bestaande uit een combinatie van de regeling Flexibel Pensioen en Uittreden (FPU) en de 54+ maatregel uit het op de reorganisatie betrekking hebbende Sociaal Statuut. Volgens de gemeentesecretaris heeft appellant hier op 10 maart 1998 mee ingestemd.

1.4. Gedaagde heeft dit advies overgenomen en appellant in verband hiermee bij primair besluit van 6 april 1998 met ingang van 1 mei 1998 op eigen verzoek eervol ontslag verleend. In bezwaar heeft appellant naar voren gebracht dat hij niet om het onderhavige ontslag heeft verzocht, zodat hem geen ontslag op verzoek verleend kon worden. Bij het bestreden besluit van 4 mei 1999 heeft gedaagde het ontslagbesluit van 6 april 1998 gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het verhandelde ter zitting en de gedingstukken dat de onderhandelingen ertoe hebben geleid dat overeenstemming is bereikt over het ontslag.

3. De Raad overweegt als volgt.

3.1. Vast staat dat een schriftelijk verzoek van appellant ontbreekt. Een verzoek kan echter ook mondeling worden gedaan. In verband hiermee stelt de Raad, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 5 april 2001, gepubliceerd in TAR 2001, 88, voorop dat één van de voorwaarden voor het bestaan van een ontslagverzoek is dat het tot een eigen en in vrijheid genomen beslissing van de ambtenaar kan worden herleid.

3.2. De Raad is van oordeel dat een dergelijke beslissing van appellant niet traceerbaar is. Uit hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht en de in dit geding voorhanden zijnde gegevens blijkt weliswaar dat er onderhandelingen gaande waren met betrekking tot beëindiging op eigen verzoek van het bestaande dienstverband, maar dat deze zo ver waren uitgekristalliseerd dat het stadium was bereikt dat appellant geacht kon worden inderdaad een ontslagverzoek te hebben gedaan ziet de Raad niet.

3.3. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat de insteek van het eerste gesprek van 18 december 1997 blijkens het verslag hiervan nog instandhouding van het dienstverband was. Zo heeft gedaagde herplaatsing en detachering geopperd en heeft appellant gelet op zijn leeftijd de voorkeur uitgesproken voor een regeling waarbij hij incidenteel werkzaamheden voor gedaagde kon blijven verrichten. Uit het verslag van het gesprek van 10 februari 1998 volgt dat de teneur toen was omgeslagen naar beëindiging van het dienstverband, maar over de voorwaarden waaronder beëindiging kon plaatsvinden was nog geen duidelijkheid. Onder meer over de opbouw van pensioenrechten, de hoogte van de FPU-uitkering en de FPU-opbouw was er nog geen duidelijke afspraak. De vraag of appellant ten tijde van het gesprek van 10 maart 1998 geacht kan worden te hebben verzocht om ontslag laat de Raad daar, omdat een door appellant ondertekend verslag van dit gesprek ontbreekt en de lezingen van partijen hierover uiteenlopen. Evenmin heeft appellant het advies van de gemeentesecretaris aan gedaagde nog onder ogen gehad.

3.4. Onder deze omstandigheden leidt de ondertekening door appellant in april 1998 van enkele stukken met betrekking tot de uitvoering van de 54+ maatregel en de in het ontslagvoorstel voorziene koopsompolis niet tot een ander oordeel.

4. Nu niet is komen vast te staan dat appellant het (onderhavige) ontslag heeft gewenst, kan het bestreden besluit van 4 mei 1999 niet in stand blijven. Dit besluit komt derhalve voor vernietiging in aanmerking. De Raad zal daartoe met vernietiging van de aangevallen uitspraak alsnog overgaan. Aangezien het aan het primaire besluit van 6 april 1998 klevende gebrek in bezwaar niet meer hersteld kan worden, zal de Raad met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) dit besluit eveneens vernietigen.

5. Van op grond van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is de Raad niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep tegen het bestreden besluit van 4 mei 1999 alsnog gegrond;

Vernietigt dit besluit alsmede het primaire besluit van 6 april 1998;

Bepaalt dat de gemeente Echt aan appellant het door hem in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 256,39 (voorheen f 565,-) vergoedt.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. J.H. van Kreveld en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van A. de Gooijer als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2002.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) A. de Gooijer.

Q