Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE6063

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-06-2002
Datum publicatie
02-08-2002
Zaaknummer
99/5942 CSV, 99/5943 CSV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:69, geldigheid: 2002-06-27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2002/257 met annotatie van EJdeLB
USZ 2002/243
NTFR 2002, 996

Uitspraak

99/5942 CSV

99/5943 CSV

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding (de Raad van bestuur van) het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv dan wel de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de Metaalnijverheid.

Bij besluit van 4 september 1997 (hierna: besluit 1) heeft appellant ongegrond verklaard de bezwaren van gedaagde tegen het primaire besluit van 28 december 1995, waarbij gedaagde op grond van artikel 16d van de Coƶrdinatiewet Sociale Verzekering (hierna: CSV) hoofdelijk aansprakelijk is gesteld voor de premies ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten over het jaar 1990, verschuldigd door [bedrijfsnaam] B.V. h/o [bedrijfsnaam] (hierna: [bedrijfsnaam]), ten bedrage van in totaal f 367.072,17.

Bij besluit van 10 juli 1996 (hierna: besluit 2) heeft appellant ongegrond verklaard de bezwaren van gedaagde tegen het primaire besluit van 21 mei 1996, waarbij het verzoek om uitstel van betaling terzake van de vordering van f 367.072,17 is afgewezen.

De Rechtbank Rotterdam heeft de tegen besluit 1 en besluit 2 ingestelde beroepen bij uitspraken van 12 oktober 1999 (verzonden op 29 oktober 1999) gegrond verklaard, die besluiten vernietigd, appellant veroordeeld in de proceskosten van gedaagde en bepaald dat appellant de door gedaagde gestorte griffierechten dient te vergoeden.

Appellant is op bij de aanvullende beroepschriften van 10 januari 2000 aangevoerde gronden van die uitspraken bij de Raad in hoger beroep gekomen.

Namens gedaagde heeft mr. J.G. Hubers, advocaat te Dordrecht, bij schrijven van 3 april 2000 een verweerschrift in beide zaken ingediend.

Bij schrijven van 14 juli 2000 heeft appellant op dit verweerschrift gereageerd.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 16 mei 2002, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M.J. van Vuuren, werkzaam bij het Uwv. Gedaagde is bij die gelegenheid in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J.G. Hubers, voornoemd.

II. MOTIVERING

Gedaagde was van 1 oktober 1988 tot het faillissement van [bedrijfsnaam] op 8 augustus 1990 bestuurder van [bedrijfsnaam], en als zodanig ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Deze vennootschap maakte deel uit van de [bedrijfsnaam]-groep. Op 4 mei 1990 heeft [bedrijfsnaam] een mededeling inzake betalingsonmacht gedaan. Bij het primaire besluit van 28 december 1995 is gedaagde als bestuurder van [bedrijfsnaam] op grond van artikel 16d van de CSV hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de door deze vennootschap verschuldigde sociale werknemersverzekeringspremies over het jaar 1990.

In de onderhavige gedingen moet de vraag worden beantwoord of besluit 1 en besluit 2 van appellant, waarbij de bezwaren van gedaagde tegen het primaire besluit van 28 december 1995, respectievelijk het primaire besluit van 21 mei 1996 ongegrond zijn verklaard, in rechte stand kunnen houden.

De rechtbank heeft de door gedaagde ingestelde beroepen gegrond verklaard. Besluit 1 heeft de rechtbank wegens strijd met het verbod van willekeur vernietigd. Volgens de rechtbank heeft appellant in strijd met dit verbod gehandeld door alleen gedaagde en niet ook de voornaamste beleidsbepalers binnen [bedrijfsnaam], de gebroeders [naam], voor de onbetaald gebleven premies over het jaar 1990 op grond van artikel 16d van de CSV hoofdelijk aansprakelijk te stellen.

Daarnaast heeft de rechtbank besluit 1 vernietigd op grond van een onzorgvuldige voorbereiding vanwege onvoldoende onderzoek naar de positie van de gebroeders [naam].

Besluit 2 heeft de rechtbank vernietigd, omdat volgens de rechtbank met de vernietiging van besluit 1 de rechtsgrond van besluit 2 is komen te vervallen.

In hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak, waarbij besluit 1 is vernietigd, is - samengevat - door appellant onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 20 februari 1997, gepubliceerd in Vakstudienieuws 1997/1496, en de niet gepubliceerde uitspraak van de Raad van 14 maart 2002 (99/3778 ALGEM, 3951 ALGEM, 00/4279 ALGEM) het standpunt ingenomen dat anders dan de rechtbank heeft geoordeeld geen gehoudenheid bestaat om een feitelijk beleidsbepaler aansprakelijk te stellen in het geval dat de vennootschap een formele bestuurder heeft, die als zodanig ook in het handelsregister staat ingeschreven.

Met betrekking tot de vernietiging door de rechtbank van besluit 2 is door appellante, onder verwijzing naar de procedure terzake van besluit 1, aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de rechtsgrondslag voor besluit 2 is komen te vervallen, en dat de rechtbank het beroep ten onrechte gegrond heeft verklaard.

Namens gedaagde is in hoger beroep (wederom) het standpunt ingenomen altijd te hebben ontkend bestuurder van [bedrijfsnaam] te zijn geweest. Volgens gedaagde werd hij niet bij de leiding van de onderneming betrokken en lag het feitelijk bestuur in handen van de gebroeders [naam]. De inschrijving van gedaagde als bestuurder van [bedrijfsnaam] is volgens gedaagde onbevoegd geschied.

Voorts is namens gedaagde naar voren gebracht dat het blijkens de Memorie van Toelichting op artikel 16d van de CSV niet de bedoeling van de wetgever is om in een situatie als de onderhavige de feitelijke bestuurder niet en de minder kapitaalkrachtige formele bestuurder wel aansprakelijk te stellen voor de door het lichaam onbetaald gebleven premie. Weliswaar komt appellant naar het oordeel van gedaagde een bepaalde beleidsvrijheid toe, maar appellant had blijkens de uitspraak van de Raad van 13 november 1995, gepubliceerd in RSV 1996/128, zijn keuze om de gebroeders [naam] niet aansprakelijk te stellen moeten motiveren.

Verder is gedaagde van oordeel dat appellant door gedaagde na de melding op 4 mei 1990 pas op 28 december 1995 aansprakelijk te stellen de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) heeft overschreden. Door deze overschrijding is gedaagde naar zijn mening in een nadelige bewijspositie geraakt.

Vervolgens is namens gedaagde de stelling herhaald dat het onbetaald blijven van de premies over het jaar 1990 veroorzaakt werd door het terugtrekken van Texaco en de vermindering van de kredietverlening door de ABN/AMRO, en niet door het vermeende kennelijk onbehoorlijk bestuur van de bestuurders van [bedrijfsnaam].

Tenslotte is namens gedaagde nogmaals naar voren gebracht dat appellant de vordering op 4 maart 1999 ter zitting van de rechtbank heeft teruggebracht tot een bedrag in totaal van f 136.717,34.

In reactie op de verweren van gedaagde heeft appellant het standpunt ingenomen dat de omvang van het geding in hoger beroep beperkt is tot de punten, die appellant aan de Raad heeft voorgelegd, daar gedaagde niet in hoger beroep is gekomen tegen de uitspraak van de rechtbank. In ieder geval zou het volgens appellant te ver gaan dat de Raad acht zou slaan op hetgeen namens gedaagde in het verweerschrift naar voren is gebracht dat niet gericht is tegen de uitspraak van de rechtbank, zoals de opmerking over de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, waarbij appellant opmerkt dat deze verdragsbepaling wel ambtshalve door de Raad kan worden getoetst.

De Raad overweegt als volgt.

Met betrekking tot het standpunt van appellant terzake van de omvang van het hoger beroep wijst de Raad op zijn uitspraak van 16 december 1999, gepubliceerd in TAR 00/29. Blijkens die uitspraak kan, gezien de sterke verwevenheid met de beroepsgronden van appellant, de omstandigheid dat alleen appellant in hoger beroep is gekomen niet meebrengen dat de Raad in dit geding niet meer kan ingaan op hetgeen gedaagde in hoger beroep heeft aangevoerd.

Daarbij neemt de Raad mede in aanmerking, dat bij het ontbreken van de mogelijkheid van zogenaamd incidenteel appel, van gedaagde - nu hij er gelet op de gegrondverklaring van zijn inleidend beroep geen (zwaarwichtig) belang bij had om hoger beroep in te stellen - in redelijkheid niet kon worden gevergd dat hij met het oog op het veiligstellen van zijn processuele positie in een mogelijk door appellant in te stellen hoger beroep zelf hoger beroep instelde.

Derhalve zal de Raad, gelet op hetgeen gedaagde heeft aangevoerd, eerst toetsen of appellant gedaagde terecht heeft aangemerkt als bestuurder van [bedrijfsnaam], en of appellant aannemelijk heeft gemaakt dat in het onderhavige geval sprake is van aan gedaagde te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur.

De Raad stelt vast dat gedaagde van 1 oktober 1988 tot het faillissement van [bedrijfsnaam] op 8 augustus 1990 als enig bestuurder van [bedrijfsnaam] ingeschreven stond. Gedaagde stelt zich weliswaar op het standpunt dat deze inschrijving onbevoegd zou zijn geschied, maar de Raad is van geen enkele actie van de kant van gedaagde gebleken om deze inschrijving ongedaan te maken. Uitgaande van dit gegeven ligt het naar het oordeel van de Raad op de weg van gedaagde om aannemelijk te maken dat hij, in weerwil van hetgeen in het handelsregister is vastgelegd, niet als bestuurder van [bedrijfsnaam] zou kunnen worden aangemerkt. De Raad stelt vast dat gedaagde daarin niet is geslaagd. De Raad merkt daarbij nog op dat de verklaring van gedaagde dat hij de notulen van 27 december 1989 van de algemene vergadering van aandeelhouders van [bedrijfsnaam] niet zelf heeft ondertekend niet aannemelijk voorkomt.

Uit hetgeen hiervoor overwogen volgt dat appellant gedaagde terecht als bestuurder in de zin van artikel 16d van de CSV heeft aangemerkt. In aanmerking nemende dat gesteld noch gebleken is dat [bedrijfsnaam] niet in gebreke is gebleven met het betalen van de onderhavige premieschuld en dat [bedrijfsnaam] aan de mededelingsplicht opgenomen in artikel 16d, tweede lid, van de CSV heeft voldaan, is ingevolge het bepaalde in artikel 16d, derde lid, van de CSV aan appellant om aannemelijk te maken dat het niet betalen van de onderhavige premies het gevolg is van aan gedaagde te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur.

Met betrekking tot dit laatste stelt de Raad voorop dat blijkens zijn uitspraken, gepubliceerd in RSV 1994/37, 41 en 64 en RSV 1996/142, een ieder die zich laat benoemen tot bestuurder van een rechtspersoon daarmee de verantwoordelijkheid voor het (financiƫle) beleid van die rechtspersoon op zich neemt. Aan die verantwoordelijkheid kan een bestuurder zich niet onttrekken door zich afzijdig te houden van het bestuur van die rechtspersoon. De Raad onderschrijft derhalve niet het namens gedaagde ingenomen standpunt, dat de onderhavige aansprakelijkstelling achterwege had moeten blijven, omdat niet hij maar de gebroeders [naam] verantwoordelijk waren voor het beleid van [bedrijfsnaam].

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant aannemelijk heeft gemaakt dat het onbetaald blijven van de onderhavige premieschuld het gevolg is van aan gedaagde te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur. De Raad overweegt hiertoe dat uit de gedingstukken blijkt dat er in het onderhavige geval onvoldoende scheiding tussen de verschillende vennootschappen van de [bedrijfsnaam]-groep bestond. Dat gedaagde als bestuurder van [bedrijfsnaam] heeft nagelaten de verwevenheid tussen de verschillende vennootschappen van de [bedrijfsnaam]-groep te voorkomen, valt volgens de Raad te kwalificeren als aan gedaagde te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur in de zin van artikel 16d, derde lid, van de CSV. Naar het oordeel van de Raad doen de door gedaagde genoemde, en overigens niet onderbouwde, redenen voor het onbetaald blijven van de onderhavige premie hier niet aan af.

Namens gedaagde is in hoger beroep (wederom) het standpunt ingenomen dat de gevolgde wijze van besluitvorming in de periode tussen de melding van de betalingsonmacht op 4 mei 1990 en de primaire aansprakelijkstelling op 28 december 1995 strijd met de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM oplevert.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 7 juni 2000, gepubliceerd in JB 2000, 229, Rawb 2000, 139, gaat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM lopen als sprake is van "een geschil, dat wil zeggen dat - tenminste - een standpunt van, in casu, het bestuursorgaan kenbaar is, terzake waarvan mag worden aangenomen, of duidelijk is gemaakt, dat de wederpartij het daarmee niet eens is en zich daartegen in rechte wil verzetten". Daarvan is in casu sprake op 18 januari 1996, zijnde het moment dat gedaagde bezwaar maakte tegen de (primaire) aansprakelijkstelling. Uitgaande van 18 januari 1996 als aanvangsmoment is naar het oordeel van de Raad in het onderhavige geval geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

Gezien de uitspraak van de Raad van 20 mei 1996, gepubliceerd in RSV 1996/231, dient in het onderhavige geval te worden beoordeeld of appellant na de melding van betalingsonmacht op 4 mei 1990 voldoende voortvarend te werk is gegaan. Immers, indien appellant met de aansprakelijkstelling als hier aan de orde zonder noodzaak onnodig lang talmt, kan een dergelijk talmen in strijd komen met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Bij de oordeelsvorming van de Raad op dit punt speelt een belangrijke rol dat de hoofdelijke aansprakelijkstelling van (gewezen) bestuurders rechtstreeks uit de wet voorvloeit en het hier niet gaat om een discretionaire bevoegdheid van appellant. Indien aan de criteria van artikel 16d van de CSV is voldaan, staat de aansprakelijkheid van de bestuurder voor de onbetaald gebleven premie vast. Bovendien is de aansprakelijkstelling van bestuurders niet aan een termijn gebonden. Met appellant is de Raad van oordeel dat er in het onderhavige geval geen perioden van onnodig stilzitten zijn geweest. De Raad is van oordeel dat appellant uit zorgvuldigheidsoverwegingen kon besluiten om eerst de afwikkeling van het faillissement van [bedrijfsnaam] af te wachten om te bezien of en in hoeverre de in het faillissement gebrachte vordering uit de faillissementsboedel kon worden voldaan, en derhalve van aansprakelijkstelling van gedaagde kon worden afgezien.

De Raad is voorts van oordeel dat zich in casu geen bijzondere omstandigheden voordoen, die appellant ertoe nopen van een aansprakelijkstelling af te zien. In het bijzonder acht de Raad hierbij nog van belang dat zijdens appellant op geen enkele wijze het rechtens te honoreren vertrouwen is gewekt dat van aansprakelijkstelling zou worden afgezien.

Met betrekking tot de namens gedaagde gestelde bewijsnood vanwege het door het tijdsverloop zoekraken van de administratie en ontlastende bescheiden, en het met de noorderzon vertrekken en het overlijden van getuigen, stelt de Raad voorop dat op gedaagde geen bewijslast rust. In het onderhavige geval is het immers aan appellant om aannemelijk te maken dat sprake is van aan gedaagde te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur. De Raad merkt voorts op dat gedaagde tijdens de bezwaarschriftprocedure niet naar voren heeft gebracht dat hij door het tijdsverloop in een nadelige bewijspositie zou zijn geraakt. Daarbij komt nog dat het de vraag is of gedaagde het standpunt van appellant had kunnen weerleggen. Zoals hiervoor door de Raad is overwogen, vloeit het kennelijk onbehoorlijk bestuur van gedaagde immers voort uit de omstandigheid dat gedaagde heeft nagelaten de verwevenheid tussen de verschillende vennootschappen van de [bedrijfsnaam]-groep te voorkomen. Gedaagde heeft slechts daartegenover gesteld dat hij geen bestuurder van [bedrijfsnaam] was en derhalve aan niet aan de leiding van de onderneming heeft deelgenomen. Indien en voorzover sprake is van bewijsnood aan de kant van gedaagde, dan moet deze bewijsnood onder de geschetste omstandigheden naar het oordeel van de Raad voor rekening en risico van gedaagde komen.

Inzake het standpunt van gedaagde dat appellant de vordering ter zitting van de rechtbank op 4 maart 1999 heeft teruggebracht tot een bedrag van in totaal van f 136.717,34, overweegt de Raad dat de onderhavige procedure ziet op de hoofdelijke aansprakelijkstelling ingevolge artikel 16d van de CSV. Gesteld noch gebleken is dat het bedrag van de aansprakelijkstelling als zodanig is bijgesteld. Aangezien de invordering geen onderdeel uitmaakt van de onderhavige procedure, laat de Raad dit punt verder buiten bespreking.

Tenslotte is de Raad van oordeel dat appellant niet gehouden was om naast gedaagde ook de feitelijke beleidsbepalers binnen de [bedrijfsnaam]-groep aan te spreken. De Raad overweegt hiertoe dat gedaagde, zoals door de Raad is aangegeven, enig bestuurder was van [bedrijfsnaam], en als zodanig stond ingeschreven in het handelsregister. Onder verwijzing naar de door appellant aangehaalde jurisprudentie is de Raad van oordeel dat in zo'n situatie geen gehoudenheid bestaat voor een aansprakelijkstelling van een niet in het handelsregister als bestuurder ingeschreven persoon. Derhalve is de Raad van oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat appellant in het onderhavige geval in strijd met het verbod van willekeur heeft gehandeld door niet de gebroeders [naam] aan te spreken.

Uit vorenstaande overwegingen vloeit voort dat de aangevallen uitspraak van de rechtbank terzake van besluit 1 voor vernietiging in aanmerking komt en het inleidend beroep tegen besluit 1 alsnog ongegrond dient te worden verklaard.

Vernietiging van de aangevallen uitspraak van de rechtbank terzake van besluit 1 leidt er toe dat tevens de aangevallen uitspraak van de rechtbank terzake van besluit 2 voor vernietiging in aanmerking komt en het inleidend beroep tegen besluit 2 alsnog ongegrond dient te worden verklaard.

Beslist is als in rubriek III van deze uitspraak is weergegeven.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraken;

Verklaart de inleidende beroepen alsnog ongegrond.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.C. Schoemaker en mr. G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2002.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) R.E. Lysen.