Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE6057

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-06-2002
Datum publicatie
02-08-2002
Zaaknummer
99/5336 NABW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene bijstandswet 3, geldigheid: 2002-06-25
Algemene bijstandswet 3, geldigheid: 2002-06-25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JABW 2002, 153

Uitspraak

99/5336 NABW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellante heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, op bij een aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Groningen op 12 oktober 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. Van Asperen heeft vragen beantwoord en nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 14 mei 2002, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van Asperen, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. H. Blokzijl, werkzaam bij de gemeente Groningen.

II. MOTIVERING

Appellante heeft van mei 1993 tot april 1994 een uitkering ingevolge de Algemene Bijstandswet naar de norm voor gehuwden ontvangen samen met [naam] (hierna: [naam]), met wie zij toen een gezamenlijke huishouding voerde. Zij ontving vanaf april 1994 uitkering naar de norm voor een eenoudergezin. Vervolgens is haar een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder.

Op een zogeheten maandelijkse verklaring Abw, gedateerd 21 juli 1997, gaf appellante een wijziging in haar woonsituatie op. Volgens die opgave was op 1 juli 1997 een huurder bij haar komen inwonen. Uit informatie uit de gemeentelijke basisadministratie bleek dat [naam] zich op 14 april 1994 had doen uitschrijven op het adres van appellante en zich opnieuw op dat adres had doen inschrijven op 23 juli 1997. Gedaagde beëindigde de betaling van de uitkering van appellante met ingang van 1 september 1997.

Mr. Van Asperen heeft namens appellante tegen deze feitelijke beëindiging bezwaar gemaakt bij brief van 6 oktober 1997.

Bij besluit van 16 oktober 1997 heeft gedaagde het besluit tot toekenning van uitkering aan appellante ingetrokken met ingang van 1 juli 1997 en de over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 augustus 1997 ontvangen bijstand tot een bedrag van f 3.408,62 van haar teruggevorderd. Mr. Van Asperen heeft namens appellante tegen dit besluit bezwaar gemaakt bij brief van 24 oktober 1997.

Bij besluit van 22 oktober 1997 heeft gedaagde op aanvraag van appellante opnieuw een uitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder toegekend met ingang van 7 oktober 1997.

Tegen het uitblijven van een beslissing op laatstgenoemd bezwaar heeft mr. Van Asperen beroep ingesteld bij brief van 2 februari 1998.

Bij besluit van 5 maart 1998 heeft gedaagde de bezwaren ongegrond verklaard onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 3, derde lid, aanhef en onder a en c, (oud), van de Abw en met een bepaling omtrent de wijze van invordering.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar van 24 oktober 1997 niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen het besluit van 5 maart 1998 ongegrond verklaard en beslissingen gegeven tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Het namens appellante ingestelde hoger beroep is gericht tegen deze uitspraak, voorzover daarbij het beroep tegen het besluit van 5 maart 1998 ongegrond is verklaard. Appellante betwist dat zij vanaf 1 juli 1997 met [naam] een gezamenlijke huishouding voerde. Volgens haar gemachtigde is artikel 3, derde lid, (oud) van de Abw in strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

De Raad overweegt het volgende.

Met betrekking tot de betekenis van de door gedaagde gehanteerde bepalingen, op basis waarvan gedaagde het (wederom) bestaan van een gezamenlijke huishouding tussen appellante en [naam] zonder verder onderzoek heeft aangenomen en, daarvan uitgaande, tot intrekking en terugvordering is overgegaan, zijn twee eerdere uitspraken van de Raad van belang. De eerste uitspraak is die van 29 januari 2002, onder meer gepubliceerd in RSV 2002/118. In die uitspraak heeft de Raad uitvoerig gemotiveerd waarom artikel 3, vierde lid, van de Abw geen belemmering bevat die onverenigbaar zou zijn met de uit artikel 6, eerste lid, van het EVRM voortvloeiende eis van 'equality of arms'. De tweede uitspraak is die van 2 mei 2000, onder meer gepubliceerd in RSV 2000/137 en JABW 2000/104, waarin de Raad een ongerechtvaardigd onderscheid heeft geconstateerd tussen niet met elkaar gehuwd geweest zijnde personen die een gezamenlijk hoofdverblijf hebben en die voor de toepassing van de ABW/Abw eerder de rechtsgevolgen hebben ondervonden van het voeren van een (duurzame) gezamenlijke huishouding, en niet met elkaar gehuwd geweest zijnde personen die dezelfde rechtsgevolgen reeds hebben ervaren voor de toepassing van een van de in artikel 2 van het Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1995 genoemde 'andere wetten' met materieel eenzelfde partnerbegrip. In verband daarmee heeft de Raad in die uitspraak de in artikel 3, derde (thans: vierde) lid, aanhef en onder a, van de Abw voorkomende, niet nader omlijnde term 'eerder' - onderdeel van de zinsnede 'eerder voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt' - gepreciseerd in die zin dat ook voor de toepassing van de ABW/Abw voor personen als appellante, die tot de eerstgenoemde groep behoort, bij de toepassing van die bepaling een in de tijd beperkte periode van twee jaar geldt, analoog aan de beperkte doorwerking in de tijd van eerdere registraties als gezamenlijke huishouding in andere wetten.

De Raad voegt daar thans nog aan toe dat evenvermelde precisering niet in de weg staat aan toepassing van artikel 3, tweede (thans: derde) lid, van de Abw, indien daarvoor voldoende feitelijke grondslag aanwezig is.

Voor het overige verwijzend naar de motivering van deze uitspraken stelt de Raad vervolgens vast dat de door de gemachtigde van appellante opgeworpen grief dat artikel 3, derde (thans: vierde) lid, van de Abw in strijd is met artikel 6, eerste lid, van het EVRM weliswaar faalt, maar dat in haar geval toch geen sprake kan zijn van toepassing van artikel 3, derde lid, aanhef en onder a en c, van de Abw. Vast staat immers dat de door gedaagde aangegrepen situatie waarin appellante en [naam] eerder voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt, buiten de periode van twee jaar gelegen is. Gezien de in hoger beroep door de gemachtigde van appellante overgelegde gegevens stelt de Raad tevens vast dat daarmee genoegzaam is aangetoond dat van een geldend samenlevingscontract vereist voor de toepassing van artikel 3, derde lid, aanhef en onder c, (oud) van de Abw, tussen appellante en [naam] nooit sprake is geweest.

De Raad stelt voorts vast dat in dit geding van de zijde van gedaagde geen feitelijke gegevens zijn aangedragen waaruit kan worden afgeleid dat appellante en [naam] in de hier van belang zijnde periode van 1 juli 1997 tot 7 oktober 1997 blijk hebben gegeven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins, als omschreven in artikel 3, tweede lid, (oud) van de Abw.

Het vorenstaande houdt in dat op basis van de thans ter beschikking staande gegevens niet kan worden aangenomen dat appellante en [naam] in genoemde periode een gezamenlijke huishouding voerden. Hiermee is ook gegeven dat het besluit van 5 maart 1998 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen stand houdt voorzover daarbij het primaire besluit tot intrekking en terugvordering is gehandhaafd.

Het besluit van 5 maart 1998 houdt om de zojuist genoemde reden evenmin stand, voorzover daarbij het bezwaar tegen de feitelijke beëindiging van de bijstandsuitkering van appellante ongegrond is verklaard. De Raad merkt in dit verband op dat in dat besluit een afzonderlijke, op het bezwaar tegen de feitelijke beëindiging toegesneden, motivering ontbreekt. De motivering van dat besluit ziet geheel op de bezwaren tegen het besluit van 16 oktober 1997 tot intrekking en terugvordering in verband met de door gedaagde aangenomen schending van de inlichtingenplicht wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding van appellante en [naam] vanaf 1 juli 1997.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de uitspraak van de rechtbank, voorzover deze is aangevochten, niet in stand kan blijven. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 5 maart 1998 gegrond verklaren en gedaagde opdragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

In verband met deze opdracht ligt het thans niet op de weg van de Raad om zich over de door de gemachtigde van appellante gevraagde vergoeding van renteschade uit te spreken, omdat nog niet vaststaat hoe het nadere besluit zal gaan luiden. Gedaagde zal bij het nemen van dat besluit tevens aandacht moeten besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om renteschade te vergoeden.

De Raad acht ten slotte termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 805,--, wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 5 maart 1998 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van € 805,--, te betalen door de gemeente Groningen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de gemeente Groningen aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 77,14 (ƒ 170,--) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. drs. Th.G.M. Simons en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van A. Heijink als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2002.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) A. Heijink.

Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Abw kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding volgens de wet. Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de op dit afschrift van de uitspraak vermelde verzenddatum een beroepschrift in cassatie (gericht aan de Hoge Raad der Nederlanden) aan de Centrale Raad van Beroep in te zenden.