Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE6043

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-07-2002
Datum publicatie
31-07-2002
Zaaknummer
00/4053 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:6, geldigheid: 2002-07-25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

00/4053 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van bestuur van de Universiteit [naam], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 22 juni 2000, nr. 99/909 AW Z1 A, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 13 juni 2002, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. J. Dijkman, advocaat te Almelo en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. A.H. Smit, juridisch beleidsmedewerker bij de dienst Personeel en Organisatie van de Universiteit [naam].

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met vermelding van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

1.1. Appellant, die aanvankelijk werkzaam was als [functie 1] bij de faculteit [faculteit] van de Universiteit [naam] (hierna: [naam]) en sedert 1992 als [functie 2] bij de vakgroep [vakgroep] van de faculteit [faculteit 2] van die universiteit, heeft sinds 1987 bemiddeld bij het verkrijgen van huisvesting voor buitenlandse werknemers van de [naam]. De eerste keer, in 1987, heeft appellant daartoe in opdracht en vanuit zijn functie huurcontracten gesloten met een woningbouwvereniging. In verband met volgende verzoeken heeft appellant in de daarop volgende jaren zijn bemiddelingsactiviteiten voortgezet en uitgebreid en is hij met medeweten en instemming van gedaagde als nevenactiviteit zelf panden gaan exploiteren. In 1994 heeft hij die activiteiten ondergebracht in een vennootschap onder firma en in 1997 heeft hij een besloten vennootschap opgericht. In de loop der jaren heeft appellant voor veel tijdelijke medewerkers van de [naam] (gemeubileerde) woonruimte geregeld. Daarnaast verhuurde appellant ook (gemeubileerde) woonruimte aan andere gegadigden op de lokale woningmarkt.

1.2. Op 18 november 1998 is de [naam] door een gerechtsdeurwaarder gesommeerd een bedrag van ruim f 10.000,- te voldoen in verband met huurachterstand en bijkomende kosten en, voorzover niet tijdig aan de sommatie zou worden voldaan, gedagvaard om op 26 november 1998 voor de kantonrechter te verschijnen. Aangezien bij gedaagde niets bekend was van die huurovereenkomst en appellants naam in de dagvaarding was genoemd als [functie 2], is appellant gesommeerd om onmiddellijk opgave te doen van de huurovereenkomsten waarbij hij de [naam] als partij had opgevoerd. Daaruit kwam naar voren dat er 13 huurcontracten op naam van de [naam] gesteld waren.

1.3. Bij brief van 3 december 1998 heeft gedaagde appellant in kennis gesteld van het voornemen hem bij wijze van disciplinaire maatregel te ontslaan, om reden dat appellant onbevoegd en zonder medeweten van de [naam] huurovereenkomsten heeft afgesloten namens de [naam]. Aangevoerd is dat de toenmalige secretaris van de [naam] [secretaris] appellant er in 1991/1992 op heeft gewezen dat hij niet bevoegd was om op naam van de [naam] huurcontracten af te sluiten en dat toen was afgesproken dat hij geen contracten meer op naam van de [naam] zou afsluiten en de nog lopende contracten op korte termijn zou afwikkelen. Desondanks liepen er in najaar 1998 zes huurcontracten van vóór die tijd en zijn er na die tijd nog nieuwe huurcontracten op naam van de [naam] gesloten. Appellant is in de gelegenheid gesteld zich daaromtrent te verantwoorden.

1.4. Bij besluit van 23 februari 1999 heeft gedaagde appellant met ingang van 1 maart 1999 disciplinair ontslagen. Gedaagde heeft erkend dat appellant weliswaar een huisvestingsprobleem oploste voor de [naam] en dat diverse (buitenlandse) medewerkers van de [naam] een beroep op hem deden, maar appellant is nooit toestemming verleend om huurcontracten op naam en voor risico van de [naam] af te sluiten. Appellants chefs waren daarvan ook niet op de hoogte. De tekenbevoegdheid die appellant tot 1995 had betrof alleen de aanschaf van roerende goederen tot een bepaald bedrag. Voor het huren van onroerende zaken is nooit mandaat verstrekt en bovendien zijn er nog drie huurcontracten afgesloten in de periode dat elk mandaat al was ingetrokken. Volgens gedaagde heeft appellant het vertrouwen in hem ernstig geschaad, waarbij voor gedaagde zwaar heeft gewogen dat de [naam] kan worden aangesproken voor rekeningen en risico's waarvan zij geen weet heeft. Voorts heeft appellant de mandaatregeling ondermijnd en de goede naam van de [naam] geschaad. Dit besluit is na bezwaar bij het thans in geding zijnde besluit van 23 september 1999 gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen laatstgenoemd besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen namens appellant in hoger beroep naar voren is gebracht overweegt de Raad het navolgende.

3.1. Met betrekking tot appellants stelling dat sprake was van een relevante schending van de in artikel 7:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde verplichting dat belanghebbenden in bezwaar in elkaars aanwezigheid worden gehoord, spitst het geschil zich toe op de vraag of appellant en zijn raadsman tijdig aanwezig waren voor de hoorzitting. Dienaangaande blijven de lezingen van partijen uiteenlopen. De Raad kan en zal in het midden laten wat daarvan zij. Naar uit het verslag blijkt was [plaatsvervangend hoofd] plaatsvervangend hoofd FEZ en is hij door de bezwaaradviescommissie (slechts) gehoord over de vraag of appellant het financiële beheersmandaat had overtreden en over de vraag of appellant wist of had moeten weten dat hij geen contracten op naam van de [naam] mocht afsluiten. [plaatsvervangend hoofd] heeft in dat verband een toelichting gegeven op het Beheersreglement en op de Regeling Inkoopprocedure. [plaatsvervangend hoofd] was in het geheel niet bij de rechtspositionele kant van de kwestie betrokken. Gedaagdes stelling dat hij als deskundige is gehoord kan de Raad daarom onderschrijven. Voorts is van het horen van [plaatsvervangend hoofd] een verslag opgemaakt, waarop appellant schriftelijk heeft kunnen reageren. Van een schending van artikel 7:6 van de Awb die tot vernietiging van het bestreden besluit moet leiden is onder die omstandigheden geen sprake.

3.2. Appellant heeft voorts bestreden dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. Hij heeft er daarbij op gewezen dat hij in het begin wel met medeweten en instemming van de [naam] contracten op naam van de [naam] heeft afgesloten en dat hij bij de later nog op naam van de [naam] afgesloten contracten de desbetreffende woningen uitsluitend heeft verhuurd aan gasten/medewerkers van de [naam], waarbij gefactureerd is aan de [naam] en waarbij van winstbejag geen sprake was. Gedaagde was daarom van zijn activiteiten op de hoogte. Appellant betwist voorts dat de toenmalige secretaris van de [naam] [secretaris] hem in 1991 zou hebben aangezegd alle huur- en verhuuractiviteiten op naam van de [naam] te staken en zorg te dragen dat de op naam van de [naam] afgesloten huurcontracten zouden worden omgezet. Het verzoek van [secretaris] had slechts betrekking op twee panden. Een algeheel verbod is ook nooit op schrift gezet. Er was daarom geen aanleiding de overige op naam van de [naam] gesloten contracten te beëindigen. Appellant bestrijdt dat het vertrouwen in hem ernstig is geschaad. Naar de mening van appellant is, indien al sprake is van plichtsverzuim, de opgelegde straf van ontslag volstrekt onevenredig.

3.3. De Raad stelt voorop dat noch de opvolgende Beheersreglementen, noch de Regeling Inkoopprocedure enig aanknopingspunt bieden voor de veronderstelling dat een [functie 2] of plaatsvervangend [functie 2] van een faculteit bevoegd zou zijn tot het afsluiten van huurovereenkomsten op naam van de universiteit. Integendeel: in de opvolgende beheersreglementen staat het verkrijgen, vervreemden, bezwaren, huren en verhuren en in gebruik geven van onroerende (goederen) zaken uitdrukkelijk vermeld onder de aan gedaagde voorbehouden beheersbevoegdheden. Naar het oordeel van de Raad wist appellant dit of had hij dat tenminste behoren te weten.

3.4. Anders dan namens appellant is gesteld is de Raad voorts met gedaagde van oordeel dat ervan moet worden uitgegaan dat [secretaris] begin negentiger jaren appellant expliciet heeft verboden contracten op naam van de [naam] af te sluiten. De Raad verwijst naar het door appellant ondertekende verslag van het verantwoordingsgesprek op 21 december 1998 waarin is vermeld: "onjuist is … dat ik eind 1991 begin 1992 een reprimande heb ontvangen over het onbevoegd op naam van de [naam] afsluiten van huurcontracten. Met de heer [secretaris] is - in 1994 - hierover gesproken. Door mij is aan de heer [secretaris] meegedeeld dat lopende contracten zouden worden gewijzigd of hernieuwd, dan wel beëindigd. De toen specifiek aan de orde zijnde lopende contracten betreffende twee appartementen… zijn door de [naam] overgenomen; conform afspraak werden de door mij gemaakte kosten aan de Dienst Studentenhuisvesting doorberekend. Vanwege druk uit de [naam]-gemeenschap om de gewenste huisvesting te leveren heb ik de exploitatie van een aantal panden voortgezet, een deel is ook gestopt.". De Raad merkt daarbij nog op dat de tekst van dit verslag tot stand is gekomen na letterlijke overneming van zijdens appellant bij brief van 5 januari 1999 voorgestelde amendementen bij het aanvankelijk gemaakte verslag. Onder die omstandigheden hecht de Raad geloof aan de verklaring van [secretaris] en acht de Raad de ontkenning door appellant van de opdracht om alle contracten om te zetten en van het verbod nieuwe contracten op naam van de [naam] aan te gaan, niet geloofwaardig. Dat dit verbod niet op schrift is gezet leidt de Raad niet tot een ander oordeel, nu de onbevoegdheid van appellant - zonder uitdrukkelijke volmacht - immers volstrekt helder was.

3.5. Dat gedaagde ervan op de hoogte was dat appellant de huurcontracten op naam van de [naam] had afgesloten en daaraan stilzwijgend goedkeuring had verleend, heeft appellant niet aannemelijk gemaakt. Naar appellant desgevraagd ter zitting heeft verklaard bleek uit de facturen, waarmee hij de huurprijs bij de [naam] in rekening bracht in het geheel niet dat het ging om woningen die hij op naam van de [naam] had gehuurd. Ook beschikte gedaagde niet over de huurcontracten waarin appellant zich als vertegenwoordiger van de [naam] had gepresenteerd. De stelling van appellant dat hij nog 'recentelijk' op instigatie van de secretaresse van gedaagde een huurcontract op naam van de [naam] heeft afgesloten en dat ook daaruit blijkt dat de [naam] op de hoogte was kan de Raad evenmin volgen. Met de omstandigheid dat genoemde secretaresse appellant heeft verzocht om voor een woning voor een buitenlandse gast te zorgen heeft appellant nog niet aannemelijk gemaakt dat zij namens en met medeweten van gedaagde aan appellant heeft verzocht om daartoe namens de [naam] een huurcontract op naam van de [naam] af te sluiten.

3.6. Ook de Raad concludeert dat sprake is van ernstig plichtsverzuim en hij ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het plichtsverzuim appellant niet kan worden toegerekend. Gedaagde was derhalve bevoegd om appellant te bestraffen.

De Raad deelt het standpunt van gedaagde en de rechtbank dat appellant met zijn handelwijze het vertrouwen van gedaagde ernstig heeft beschaamd en dat appellant de goede naam van gedaagde heeft geschaad.

Nu appellant zijn onbevoegdheid om op naam van de [naam] huurcontracten af te sluiten volstrekt kon beseffen en nog na een expliciet verbod hiermee is doorgegaan, acht de Raad de opgelegde straf niet onevenredig. Daaraan doet onvoldoende af dat appellant veel huisvestingsproblemen voor de universiteit heeft opgelost en dat hij reeds een langdurig dienstverband bij de [naam] had.

4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en heeft beslist als hierna in rubriek III van deze uitspraak vermeld.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. J.H. van Kreveld en K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van A. de Gooijer als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2002.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) A. de Gooijer.