Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE5919

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-07-2002
Datum publicatie
31-07-2002
Zaaknummer
00/2324 AW, 00/2390 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Ambtenarenwet, geldigheid: 2002-07-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

00/2324 AW en 00/2390 AW

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het Dagelijks Bestuur van het Waterschap "De Aa", gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 8 maart 2000, nrs. AWB 98/8822 AW en AWB 99/3008 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 6 juni 2002, waar appellant in persoon is verschenen met bijstand van mr. J.M.C. de Kok, advocaat te Berlicum, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. A.G. Kerkhof, werkzaam bij Capra.

II. MOTIVERING

1.1. Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitgebreider overzicht van de voor dit geding relevante feiten volstaat de Raad met de navolgende vermelding.

1.2. Appellant was werkzaam als [functie] bij de rioolwaterzuiveringsinstallatie (rwzi) te [vestigingsplaats]. Op 26 maart 1998 heeft zich een woordenwisseling voorgedaan tussen appellant en een collega, waarbij lichamelijk geweld is gebruikt.

1.3. Naar aanleiding van dit incident heeft gedaagde een onderzoek ingesteld naar de feitelijke gang van zaken. In verband daarmee is appellant, bij besluit van 26 maart 1998, onder toepassing van artikel H1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Sectorale Arbeidsvoorwaardenregeling Waterschapspersoneel (SAW), geschorst in het belang van de dienst gedurende de periode van 26 maart 1998 tot en met 10 april 1998, zulks met behoud van volledige bezoldiging.

1.4. Gedaagde heeft deze schorsing bij besluit van 8 april 1998 verlengd voor de duur van het onderzoek, teneinde te kunnen beoordelen of een voor alle partijen verantwoorde hervatting van de werkzaamheden mogelijk was.

1.5. Bij besluit van 12 juni 1998 heeft gedaagde de handelwijze van appellant aangemerkt als plichtsverzuim en hem, met toepassing van artikel G2, eerste lid, van het SAW, de disciplinaire straf van een schriftelijke berisping opgelegd. Gedaagde heeft bij dat besluit tevens besloten tot onmiddellijke opheffing van de schorsing en appellant de functie van [functie] bij de rwzi te [vestigingsplaats 2] toegewezen.

1.6. Namens appellant is bezwaar gemaakt tegen de schorsingsbesluiten van 26 maart 1998 en 8 april 1998. Deze bezwaren zijn ongegrond verklaard bij besluit van 18 maart 1999. Appellants bezwaar tegen de hem bij besluit van 12 juni 1998 opgelegde disciplinaire straf is bij besluit van 8 oktober 1998 ongegrond verklaard.

1.7. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten van 18 maart 1999 en 8 oktober 1998 ongegrond verklaard.

2. De Raad overweegt het volgende.

De schorsing.

3.1. De gehandhaafde schorsingsbesluiten zijn gebaseerd op artikel H1, eerste lid, aanhef en onder d, van de SAW. Volgens deze bepaling kan, onverminderd het bepaalde in artikel G2 van de SAW, de ambtenaar door het dagelijks bestuur worden geschorst in gevallen waarin het belang van de dienst dat vordert. Toepassing van deze bepaling kan aangewezen zijn wanneer de goede voortgang van de werkzaamheden op enigerlei wijze wordt bedreigd en het zoeken en vinden van een oplossing van de gerezen problemen wordt belemmerd door de aanwezigheid van een of meer van de betrokken personen. Anders dan appellant meent is een schorsing op deze grond in beginsel neutraal, derhalve niet defamerend voor de ambtenaar die deze schorsing treft.

3.2. Gedaagde heeft appellant van 26 maart 1998 tot en met 10 april 1998 geschorst om in alle rust een onderzoek te kunnen verrichten naar de feitelijke gang van zaken en het daarbij ongewenst geacht dat appellant (en zijn collega) hangende dat onderzoek op de werkplek zouden verschijnen. Dienaangaande stelt de Raad vast dat gedaagde zich geconfronteerd zag met een vechtpartij tussen twee collega's waarbij geen getuigen aanwezig zijn geweest. Gelet op de ernst van het incident en de onduidelijkheid omtrent de feitelijke toedracht daarvan, acht de Raad het alleszins begrijpelijk dat gedaagde groot belang hechtte aan het ongestoord kunnen verrichten van het onderzoek en is de Raad, met de rechtbank, van oordeel dat gedaagde in redelijkheid tot zijn (gehandhaafde) schorsingsbesluit is kunnen komen.

3.3. De Raad komt tot hetzelfde oordeel ten aanzien van het (gehandhaafde) besluit tot verlenging van de schorsing voor de duur van het onderzoek. Gegeven het feit dat tijdens dat onderzoek bleek dat enkele collega's van appellant niet meer met hem (en zijn collega) wilden samenwerken, heeft gedaagde in redelijkheid kunnen besluiten tot verlenging van de schorsing voor de duur van het onderzoek teneinde na te gaan of een verantwoorde hervatting van de werkzaamheden door appellant mogelijk was.

3.4. In hetgeen van de zijde van appellant is aangevoerd ziet de Raad geen grond voor een andersluidend oordeel. De omstandigheid dat appellant zich tengevolge van het incident ziek had gemeld betekent niet dat de schorsing overbodig was. Met het besluit tot schorsing werd immers tevens tot uitdrukking gebracht dat indien appellant zich weer beter zou melden, hij desondanks zijn werkzaamheden niet zou mogen hervatten.

3.5. Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak, voorzover betrekking hebbend op het besluit van 18 maart 1999, voor bevestiging in aanmerking komt.

De disciplinaire bestraffing.

4.1. Ingevolge artikel G1, eerste lid, van de SAW kan de ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege disciplinair worden bestraft. Op grond van het bepaalde in het tweede lid van dit artikel omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

4.2. Blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting heeft gedaagde, omdat er geen getuigen waren bij het incident en de verklaringen van de betrokken medewerkers niet met elkaar spoorden, geen hoofdschuldige kunnen aanwijzen. Gedaagde heeft wel vastgesteld dat er voor beide medewerkers gelegenheid is geweest om een lichamelijke confrontatie te vermijden. Het appellant verweten plichtsverzuim bestaat dan ook hieruit dat appellant geen poging heeft gedaan zich aan het incident, dat heeft geleid tot het lichamelijk geweld, te onttrekken.

4.3. Gedaagde heeft er in dat verband op gewezen dat appellant zijn collega is blijven benaderen met vragen over de achtergrond van diens opmerking dat appellant moest "opflikkeren", terwijl hij kon vaststellen dat die collega op dat moment niet genegen was hierop te antwoorden. Volgens gedaagde had appellant op een ander moment op de kwestie kunnen terugkomen als hij de behoefte zou blijven voelen om het incident met de collega uit te praten. Appellant heeft evenwel nagelaten, aldus gedaagde, om de zaak te laten rusten en heeft daardoor een bijdrage geleverd aan het ontstaan c.q. voortbestaan van het incident.

4.4. Anders dan gedaagde en de rechtbank is de Raad van oordeel dat de appellant verweten gedraging niet kan worden aangemerkt als plichtsverzuim, zoals bedoeld in artikel G1, tweede lid, van de SAW. De Raad kent daarbij doorslaggevende betekenis toe aan het feit dat appellant, naar onweersproken door hem is gesteld, ten tijde van het incident pas enkele dagen met de bewuste collega had samengewerkt en niet wist dat die collega als agressief bekend stond. Appellant heeft daardoor niet kunnen voorzien, en heeft ook niet hoeven voorzien, dat de zaak door zijn verzoeken om over de kwestie te praten zou uitmonden in lichamelijk geweld. Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd dat appellant iets heeft gedaan dat hij achterwege had behoren te laten. Daaraan doet niet af dat het - achteraf bezien - beter was geweest indien appellant de zaak op dat moment had laten rusten.

4.5. Hieruit volgt dat gedaagde niet bevoegd was appellant vanwege zijn gedrag een disciplinaire straf op te leggen.

4.6. Het bestreden besluit van 8 oktober 1998 komt daarom voor vernietiging in aanmerking. Hetzelfde geldt voor de aangevallen uitspraak, voorzover daarbij dat besluit in stand is gelaten. De Raad ziet tevens aanleiding om het onderliggende primaire besluit van 12 juni 1998 te vernietigen, voorzover daarbij aan appellant wegens plichtsverzuim de disciplinaire straf van een schriftelijke berisping is opgelegd.

5. De Raad acht termen aanwezig om gedaagde, met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, te veroordelen in de proceskosten van appellant, welke worden begroot op € 322,- in beroep en € 322,- in hoger beroep als kosten van rechtsbijstand, en op € 362,58 als kosten van het oproepen van getuigen in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover betrekking hebbend op het besluit van 8 oktober 1998;

Verklaart het inleidende beroep tegen dat besluit alsnog gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit van 8 oktober 1998, alsmede het daaraan ten grondslag liggende besluit van 12 juni 1998, voorzover daarbij aan appellant wegens plichtsverzuim de disciplinaire straf van een schriftelijke berisping is gegeven;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in beroep ten bedrage van € 322,- en in hoger beroep ten bedrage van € 684,58, te betalen door het Waterschap "De Aa";

Bepaalt dat het Waterschap "De Aa" aan appellant het door hem betaalde griffierecht tot een bedrag van in totaal € 249,58 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr. K. Zeilemaker als leden in tegenwoordigheid van mr. P.M. Okyay-Bloem als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2002.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) P.M. Okyay-Bloem.