Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE5918

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-07-2002
Datum publicatie
31-07-2002
Zaaknummer
00/1747 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemeen Rijksambtenarenreglement 95, geldigheid: 2002-07-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

00/1747 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Minister van Justitie, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellante heeft op bij aanvullende beroepschriften aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 februari 2000, nr. 98/4004 AW 154 waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 6 juni 2002, waar appellante in persoon is verschenen met bijstand van mr. K. de Bie, advocaat te Amsterdam. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door H.A. Schoon, werkzaam bij het Ministerie van Justitie.

II. MOTIVERING

1. Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitvoeriger weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden volstaat de Raad met het volgende.

1.1. Appellante is door gedaagde met toepassing van artikel 6, tweede lid, onder a, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) per 1 februari 1994 in tijdelijke dienst voor een proeftijd tot 1 februari 1996 aangesteld als bewaarder/p.i.w. bij de Penitentiaire Inrichtingen [naam]. Appellante is voordat deze periode geëindigd was, na een problemen elders in de unit [unit] in oktober 1995 op [naam 2] tewerkgesteld. De proeftijd is op appellantes verzoek verlengd met een jaar. Dit houdt volgens het begeleidend schrijven bij het desbetreffende besluit in dat zij met ingang van 1 februari 1997 bij goed en volledig functioneren, hetgeen door middel van een beoordeling dient vast te staan, in aanmerking komt voor een vast dienstverband. Deze verlengde proeftijd is haar bij wijze van een nieuwe kans toegestaan. Daarbij is onder meer bepaald dat er tweemaandelijkse functioneringsgesprekken worden gehouden en dat uiterlijk binnen een jaar vanaf 1 oktober 1995 er een beoordeling wordt opgemaakt met het oog op een beslissing over de vaste aanstelling.

1.2. Op 4 november 1996 is over appellantes functioneren een beoordeling opgemaakt waartegen zij bedenkingen heeft ingebracht die tot aanpassingen hebben geleid. Tegen de vastgestelde beoordeling - die als eindoordeel bevatte dat appellante niet aan de gestelde functie-eisen voldeed - heeft appellante bezwaar gemaakt.

1.3. Bij besluit van 15 januari 1997 heeft gedaagde, ervan uitgaande dat de beoordeling inhoudelijk niet substantieel zal worden gewijzigd, meegedeeld dat appellante ingaande 1 februari 1997 niet zal worden aangesteld in vaste dienst. Voorts is overwogen dat zij met ingang van die datum geacht wordt eervol ontslag te hebben gekregen gelet op artikel 95, eerste lid, van het ARAR, op grond van welke bepaling de ambtenaar die in tijdelijke dienst aangesteld is voor een proeftijd, tenzij het tegendeel blijkt, geacht wordt eervol ontslag te zijn verleend zodra de tijd is verstreken. Bij het bestreden besluit van 7 april 1998 heeft gedaagde besloten de bestreden beoordeling, overeenkomstig het advies van de Adviescommissie ingevolge de Algemene wet bestuursrecht op formele gronden vervallen te verklaren en het bezwaar tegen het besluit van 15 januari 1997 ongegrond te verklaren.

2. Bij de aangevallen uitspraak is appellantes beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad het volgende.

3.1. Met betrekking tot het inhoudelijke geschil tussen partijen overweegt de Raad dat toetsing van het in geding zijnde besluit beperkt is tot de vraag of, behoudens anderszins strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, gedaagde in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat appellante niet aan de door gedaagde in redelijkheid te stellen eisen of verwachtingen heeft voldaan.

3.2. Tussen partijen is de inhoud van de desbetreffende functie niet langer in geschil.

3.3. Appellante heeft aangevoerd dat de beoordeling, waarin de kritiek van de beoordelaars op appellantes functioneren is vervat, niet had mogen worden gebruikt ter motivering van het besluit haar niet in vaste dienst aan te stellen, omdat die beoordeling door gedaagde vervallen is verklaard en dus juridisch niet meer bestaat. De Raad volgt appellante hierin niet, omdat het feit dat een beoordeling vervallen is verklaard niet betekent dat daarmee tevens is uitgesproken dat in die beoordeling vermelde waarderingen en beschrijvingen niet de werkelijkheid zouden hebben weergegeven.

3.4. Blijkens die beoordeling acht gedaagde appellante op de volgende punten tekort te schieten:

- door een te grote betrokkenheid bij de details verliest zij het totaaloverzicht hetgeen een veiligheidsrisico oplevert;

- op individuele posten toont zij onvoldoende zelfstandigheid en kennis;

- de post meldkamer vervult zij onvoldoende en zij ruilt te veel met collega's;

- de rapportage over gedetineerden en gebeurtenissen is onvoldoende van kwaliteit en kwantiteit;

- de communicatie van appellante met anderen is niet helder waardoor afspraken niet worden begrepen;

- ondanks begeleiding in de verlengde proeftijd is er onvoldoende verbetering opgetreden.

3.5. Appellante heeft in haar bedenkingen tegen de beoordeling erkend dat het werken op individuele posten niet haar sterkste kant is. Voor het overige is zij het standpunt toegedaan dat gedaagdes zojuist weergegeven kritiek op haar functioneren op een feitelijk onjuiste grondslag berust.

3.6. De Raad volgt appellante niet in dit standpunt. Hij stelt vast dat zich onder de gedingstukken behalve de vermelde beoordeling verslagen van gesprekken bevinden waarin met appellante de kritiek op haar functioneren is besproken en dat appellante in juni 1996 zelf heeft erkend nog niet voldoende te functioneren op de meldkamer. Uit het desbetreffende gespreksverslag komt voorts naar voren dat, nadat aanvankelijk geconstateerd was dat zij nog niet over voldoende technische vaardigheden beschikte om naar behoren te rapporteren, appellante in juli 1996 drie grote rapporten heeft opgemaakt waarvan de kwaliteit als voldoende is beoordeeld, maar dat het hier om een beperkt aantal gaat. Ook overigens heeft de Raad onvoldoende aanwijzingen voor de juistheid van appellantes stelling dat de kritiek van gedaagde op een niet toereikende feitelijke grondslag is gebaseerd zodat de Raad tot geen andere slotsom kan komen dan dat gedaagde in redelijkheid heeft kunnen komen tot het oordeel dat appellante niet voldeed aan in redelijkheid te stellen eisen en verwachtingen terzake van de vervulling van haar functie.

3.7. Met betrekking tot de vraag of gedaagde overigens gehandeld heeft in strijd met regels van geschreven of ongeschreven recht of algemene rechtsbeginselen overweegt de Raad dat gedaagde de punten van zijn kritiek op het functioneren van appellante vergezeld heeft doen gaan van de mededeling dat appellante ondanks begeleiding niet in staat is geweest haar functioneren te verbeteren. Appellante heeft daartegenover het standpunt ingenomen dat die begeleiding ontoereikend is geweest.

3.7.1. De Raad overweegt dienaangaande dat gedaagde tot een verlenging van appellantes proeftijd heeft besloten om appellante een nieuwe start te geven. In het kader daarvan is appellante een begeleider toegewezen, klaarblijkelijk om de kans van mislukken zo klein mogelijk te maken.

3.7.2. In het bijzonder uit de verklaring d.d. 24 juni 1997 van deze begeleider, [begeleider], moet echter worden afgeleid dat de door partijen voorgestane begeleiding wegens o.a. roostertechnische omstandigheden die niet voor risico van appellante komen, nauwelijks gestalte heeft gekregen.

3.7.3. De Raad acht de bedoelde begeleiding van essentieel belang nu gedaagde die noodzakelijk heeft geacht om voor appellante een nieuwe start mogelijk te maken en de kritiekpunten van gedaagde betrekking hebben op die aspecten van appellantes functievervulling die juist door een adequate begeleiding verbeterd konden worden.

3.7.4. Het bovenstaande leidt de Raad tot het oordeel dat appellante geen reële kans op verbetering is geboden.

3.8. Op grond van het vorenstaande is de Raad van oordeel dat gedaagde niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen en dat dit besluit moet worden vernietigd, voorzover daarbij appellantes bezwaar tegen het besluit van 15 januari 1997 ongegrond is verklaard. Dit betekent dat ook de aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit in stand is gelaten, dient te worden vernietigd.

3.9. Gedaagde dient opnieuw te beslissen op de bezwaren van appellante tegen het besluit van 15 januari 1997. Daarbij zal gedaagde, met het oog op de door appellante gevorderde vergoeding van schade tengevolge van het vernietigde besluit, tevens aandacht moeten schenken aan de thans ontstane situatie, waarbij enerzijds de tijdelijke aanstelling voor een proeftijd tot 1 februari 1997 van rechtswege is geëindigd en anderzijds het bestreden besluit tot handhaving van de (impliciete) weigering die aanstelling op enigerlei wijze voort te zetten, rechtens geen stand heeft kunnen houden.

3.10. De Raad acht termen aanwezig om gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op (thans) € 1.288,- als kosten voor rechtsbijstand in beroep en hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Vernietigt het bestreden besluit voorzover daarbij appellantes bezwaar tegen het besluit van 15 januari 1997 ongegrond is verklaard;

Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op appellantes bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,-, te betalen door de Staat der Nederlanden;

Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellante het door haar betaalde griffierecht van in totaal € 249,58 (voorheen f 550,-) vergoedt.

Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Okyay-Bloem als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2002.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) P.M. Okyay-Bloem.