Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE5898

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-06-2002
Datum publicatie
06-08-2002
Zaaknummer
99/6030 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

99/6030 WUBO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Onder dagtekening 29 oktober 1999, kenmerk JZ/G/1999/411, heeft verweerster ten aanzien van eiser een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft mr. E.R. Schenkhuizen, advocaat te Den Haag, als gemachtigde van eiser bij de Raad beroep ingesteld. In het aanvullend beroepschrift met bijlage is uiteengezet waarom eiser zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 23 november 2000 heeft mr. Schenkhuizen nog verklaringen d.dis. 8 en 20 november 2000 van de huisarts B.W. de Zeeuw ingezonden, waarop verweerster heeft gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 18 april 2002, waar voor eiser is verschenen mr. Schenkhuizen voornoemd. Verweerster heeft zich doen vertegenwoordigen door J.A. Groeneveld, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Blijkens de gedingstukken heeft eiser, geboren [in] 1928, in augustus 1994 een verzoek ingediend om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en om toekenning van een periodieke uitkering. Deze aanvraag heeft eiser gebaseerd op rugklachten die worden toegeschreven aan hetgeen hij in het voormalige Nederlands-Indiƫ heeft meegemaakt gedurende de Japanse bezetting en de daarop volgende Bersiapperiode.

Bij besluit van 25 april 1995 heeft verweerster dit verzoek, in navolging van het advies van haar geneeskundig adviseur, de arts J.H. Husken, afgewezen op de grond dat geen sprake is van tot blijvende invaliditeit leidend letsel ten gevolge van de omschreven oorlogsomstandigheden. Hierbij is geoordeeld dat de bij eiser bestaande rugklachten met zijn oorlogservaringen geen verband houden, maar duidelijk uit andere oorzaken voortkomen. Op grond daarvan is verweerster tot de conclusie gekomen dat niet voldaan wordt aan de voorwaarden voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer als bedoeld in artikel 2, eerste lid, sub b en f, van de Wet. Het daartegen gerichte bezwaarschrift is door verweerster, in navolging van het advies van haar geneeskundig adviseur, de arts A. Koppenol, bij besluit van 19 oktober 1995 ongegrond verklaard.

In maart 1998 heeft eiser een verzoek om herziening ingediend van het besluit van 19 oktober 1995. Bij besluit van 25 augustus 1998 is op dit verzoek afwijzend beslist omdat binnen de wettelijke termijn geen nieuwe feiten en/of gegevens naar voren zijn gebracht die op de datum van vorenvermelde beslissing niet reeds bekend waren. In het hiertegen gerichte aanvullend bezwaarschrift heeft eiser, onder overlegging van een verklaring van de chiropractor B. Bolsenbroek, aangevoerd dat er sprake is van causale rugklachten, die leiden tot blijvende invaliditeit. Bij het thans bestreden besluit is het bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Gelet op hetgeen van de zijde van eiser tegen het bestreden besluit is aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

Ingevolge artikel 61, derde lid, van de Wet is verweerster bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door haar gegeven besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is van discretionaire aard. Dat brengt mee dat de Raad heeft na te gaan of van verweerster moet worden gezegd dat zij niet in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen, dan wel anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel.

In beroep heeft eiser te kennen gegeven dat hij ten onrechte niet erkend is in de zin van de Wet en dat er wel degelijk sprake is van causaal te achten rugklachten die hebben geleid tot blijvende invaliditeit. Eiser bestrijdt het oordeel van de door verweerster geraadpleegde deskundige, de orthopedisch chirurg prof. dr. A.H.M. Taminiau, en het advies van de in bezwaar ingeschakelde geneeskundig adviseur, de arts H.P.J. Bonarius. Nu voor de rugklachten geen exacte oorzaak kan worden vastgesteld, hadden deze met toepassing van het beginsel van de omgekeerde bewijslast als causaal moeten worden aanvaard, aldus eiser.

Gelet op hetgeen van de zijde van eiser bij zijn verzoek om herziening en in bezwaar is aangevoerd kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat het bestreden besluit op grond van de medische adviezen niet deugdelijk is voorbereid en gemotiveerd.

In die gegevens ziet de Raad evenmin feiten of omstandigheden die verweerster bij het nemen van het eerdere besluit niet bekend waren, dan wel die dat besluit in een zodanig nieuw licht plaatsen dat verweerster gehouden was dat besluit te herzien.

De Raad overweegt voorts nog dat toepassing van de in artikel 2 , tweede lid, van de Wet neergelegde zogenoemde omgekeerd bewijslast, als namens eiser bepleit, niet aan de orde komt in een geding als het onderhavige waarin het gaat om de vraag of verweerster op grond van nieuw ingebrachte (medische) gegevens had dienen te komen tot herziening van een eerder rechtens verbindend geworden non-causaliteits oordeel. De pas in de beroepsfase overlegde medische verklaringen kan de Raad niet in de beoordeling betrekken. Het gaat hier immers om een verzoek om herziening, waarbij het op de weg van de belanghebbende ligt om primair bij de aanvraag en in elk geval niet later dan in bezwaar nieuwe gegevens aan te dragen teneinde verweerster in staat te stellen zich daarover een oordeel te vormen.

Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat verweerster niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot het besluit om niet tot herziening over te gaan.

Gezien het vorenstaande kan het bestreden besluit in rechte standhouden. Dit betekent dat het ingestelde beroep ongegrond dient te worden verklaard.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van de proceskosten.

Beslist wordt derhalve als volgt.

III BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. W.D.M. van Diepenbeek als voorzitter en mr. H.R. Geerling-Brouwer en mr. C.P.J.Goorden als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2002.

(get.) W.D.M. van Diepenbeek.

(get.) J.P. Schieveen.

RB1806