Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE5846

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-06-2002
Datum publicatie
25-07-2002
Zaaknummer
00/2650 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMAA:2000:AA5933
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMAA:2000:ZF1063
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2003/49

Uitspraak

00/2650 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Kerkrade, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 5 april 2000, nr. 98/1893 AW Z VOM, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 16 mei 2002, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. F.L.L. Vermeeren, advocaat te Maastricht. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. V.L.S. van Cruijningen, werkzaam bij CAPRA.

II. MOTIVERING

1.1. Onder verwijzing overigens naar het in de aangevallen uitspraak gegeven feitenoverzicht volstaat de Raad met het navolgende.

1.2. Gedaagde heeft in 1994 een Sociaal Statuut vastgesteld, waarin een 55+ maatregel was opgenomen. Appellant, geboren [in] 1941, is door ondertekening van gedaagdes brief van 3 april 1995 ingegaan op het aanbod om per 1 juli 1995 aan de 55+ maatregel deel te nemen. Daardoor stemde appellant ermee in (a) dat hij van 1 juli 1995 tot 1 september 1997 als ambtenaar in bijzondere dienst werd aangesteld en uit dien hoofde in plaats van zijn bezoldiging een uitkering op grond van de 55+ maatregel kreeg, alsmede (b) dat hem per 1 september 1997 - de datum waarop hij 40 dienstjaren zou hebben volbracht - met toepassing van de Regeling Vrijwillig Vervroegd Uittreden (VUT) ontslag uit gemeentedienst zou worden verleend.

1.3. De 55+ maatregel bevat de volgende garantiebepaling: "Wanneer als gevolg van wijzigende wetgeving c.q. de invoering van nieuwe regelgeving een situatie ontstaat, waardoor de inkomenssituatie van deze maatregel afwijkt van de huidige inkomstenverwachting, garandeert de gemeente Kerkrade aan de deelnemers een netto inkomen dat niet lager zal liggen dan de netto VUT-uitkering op basis van 75% VUT", en de algemene hardheidsbepaling: "In die gevallen waarin de uitvoering … zou leiden tot een situatie die voor een individuele ambtenaar als onredelijk of onbillijk moet worden gekarakteriseerd, kan het college van B&W een voorziening treffen…"

1.4. Per 1 september 1997 had appellant 38,06 pensioenjaren opgebouwd. Bij toepassing van de VUT-regeling zou de verplichte opbouw van zijn pensioen vanaf 1 september 1997 zijn voorgezet - waarbij de vanaf die datum verstreken jaren voor de helft als pensioenjaren zouden hebben meegeteld - met een verplichte bijdrage van gedaagde in de pensioenpremie. Per 1 april 1997 is de VUT-regeling evenwel door de Regeling Flexibel Pensioen en Uittreden (FPU) vervangen, waardoor de voortzetting van de pensioenopbouw na ontslag niet langer verplicht plaatsvond. Wel kon de belanghebbende vrijwillig voor voortzetting kiezen, maar in de daarvoor verschuldigde premie draagt de voormalige werkgever niet verplicht bij.

1.5. Appellant is per 1 september 1997 FPU-ontslag verleend en een FPU-uitkering van 70% van zijn laatstgenoten bezoldiging (LGB) toegekend. Gedaagde heeft deze uitkering met toepassing van de garantiebepaling tot 75% van de LGB aangevuld.

1.6. Op 17 juni 1997 heeft appellant, met een beroep op (de geest van) de garantiebepaling en de hardheidsbepaling, verzocht het nadeel te vergoeden dat hij stelde te lijden doordat (a) de bijdrage van gedaagde in zijn pensioenpremie vanaf 1 september 1997 niet zoals onder de VUT zou worden voortgezet en (b) zijn pensioen als gevolg van geringere opbouw lager zou uitvallen.

1.7. Gedaagde heeft het verzoek bij besluit van 21 april 1998 afgewezen, verwijzend naar een advies van het College van Arbeidszaken van de VNG en stellend dat de garantiebepaling geen betrekking heeft op de pensioenopbouw. Na bezwaar heeft gedaagde dit besluit bij het bestreden besluit van 13 november 1998 gehandhaafd, stellend dat de termen "inkomenssituatie" en "inkomstenverwachting" uitsluitend op het inkomen sec betrekking hebben en bij de invoering van de FPU op bovensectoraal niveau uitdrukkelijk was afgesproken dat de pensioenopbouw tijdens de FPU stopt.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. De Raad kan die uitspraak en overwegingen waarop zij berust, in hoofdlijn onderschrijven. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep naar voren is gebracht overweegt de Raad nog als volgt.

3.1. Met de garantiebepaling is beoogd aan te geven dat, ingeval de "inkomenssituatie" onder een gewijzigde VUT-regeling of onder een daarvoor in de plaats gekomen pre-pensioenregeling ongunstiger uitvalt dan de "inkomenssituatie" zoals die onder de ten tijde van het totstandkomen van de 55+ maatregel geldende VUT-regeling (op basis van 75% van de LGB) mocht worden verwacht, gedaagde het verschil aanvult.

3.2. Het kernpunt van geschil betreft de vraag of bij het vergelijken van beide "inkomenssituaties", naar de bedoeling van de garantiebepaling mede acht moet worden geslagen op de bijdrage in de pensioenpremie die onder de VUT-regeling ten laste van de voormalige werkgever kwam.

3.3. Appellant beantwoordt die vraag bevestigend. Hij stelt dat het begrip "inkomenssituatie" ruim moet worden opgevat, gelet op de ruime omschrijving van "inkomen" in Van Dale en omdat de garantiebepaling niet van "inkomen" maar van "inkomenssituatie" spreekt. Voorts beroept appellant zich op berekeningen die gedaagde voor appellant heeft gemaakt voordat de laatste met deelname aan de 55+ maatregel instemde, alsmede op de verklaring ter zitting van de rechtbank van een getuige-deskundige. Deze heeft volgens diens verklaring de tekst van de garantiebepaling met het bijbehorende flankerend beleid geredigeerd en daardoor de impasse doorbroken die in het overleg tussen werkgevers- en werknemersvertegenwoordigers was ontstaan.

3.4. Gedaagde heeft aan de overwegingen in het bestreden besluit nog toegevoegd dat het appellants vrije keuze was om na zijn ontslag al dan niet pensioenjaren te gaan bijsparen en dat gedaagde niet gehouden kan worden om, indien appellant voor bijsparen wilde kiezen, de verschuldigde premie geheel of gedeeltelijk te betalen.

3.5. De Raad ziet evenals de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten voor de juistheid van de stelling dat het begrip "inkomenssituatie" niet slechts doelde op de uit te betalen netto (VUT- onderscheidenlijk FPU-) uitkering, maar doelt op de omvang van de bijdrage van de voormalige werkgever in de pensioenpremie. Gedaagdes voor appellant gemaakte berekeningen kunnen de Raad niet tot een ander oordeel brengen, reeds omdat de Raad die berekeningen niet kent. Evenmin kan de verklaring van de getuige-deskundige de Raad tot een andere interpretatie brengen. Uit die verklaring blijkt niet waarop de impasse betrekking had noch dat de overlegpartners inderdaad voor een zo ruim begrip inkomenssituatie hebben gekozen dat daarin ook zouden zijn begrepen de eventueel vrijwillig door een betrokkene gemaakte kosten met betrekking tot zijn toekomstige pensioen.

3.6. Appellant heeft nog gewezen op bijzondere bepaling 2 van de 55+ maatregel, die luidt: "Deelnemers blijven formeel in gemeentedienst, waarbij zorg gedragen wordt voor volledige verdere opbouw van pensioenrechten, in de zin van de voor pensioenberekening meetellende dienstjaren en waarbij geen wijziging mag optreden in het ambtelijk inkomen." Ook daaruit zou blijken dat, naar de bedoeling van de 55+ maatregel, de bijdrage van de (voormalige) werkgever in de pensioenopbouw onder de VUT-regeling onderdeel van het inkomen vormde.

3.7. De Raad kan appellant ook hierin niet volgen omdat bijzondere bepaling 2 niet op het tijdvak ziet waarop de VUT-regeling betrekking had, maar uitsluitend op het daaraan voorafgaande tijdvak waarin betrokkene nog ambtenaar in bijzondere dienst bij de gemeente was.

3.8. Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden ziet de Raad niet dat gedaagde gehouden was appellants beroep op de hardheidsbepaling te honoreren. De Raad is ook niet kunnen blijken dat gedaagde bij appellant een gerechtvaardigde verwachting heeft gewekt ten aanzien van de door appellant voorgestane toepassing van de 55+ maatregel.

3.9. De Raad ziet tenslotte, reeds nu de 55+ maatregel niet ziet op pensioenuitkeringen maar alleen op de daaraan voorafgaande uitkeringen, evenmin grond voor de juistheid van appellants standpunt dat gedaagde op grond van de 55+ maatregel gehouden was appellants pensioenuitkeringen bij een achterblijvende pensioenopbouw aan te vullen.

4. Derhalve moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd. Nu de Raad voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding ziet, wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. J.H. van Kreveld en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van N. Doekharan als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2002.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) N. Doekharan.