Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE5833

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-07-2002
Datum publicatie
25-07-2002
Zaaknummer
99/2298 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Ambtenarenwet 1, geldigheid: 2002-07-04
Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 2, geldigheid: 2002-07-04
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

99/2298 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Minister van Verkeer en Waterstaat, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 25 maart 1999, nr. AWB98/3085 BESLU, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Op 28 maart 2002 is een nader schrijven namens appellant ingekomen.

Het geding is behandeld ter zitting van 11 april 2002, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. T.A.N. Verbruggen, werkzaam bij Stichting Rechtshulp CNV. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.B. de Witte - van den Haak, advocaat te Den Haag.

II. MOTIVERING

1.1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.2. Appellant is bij besluit van gedaagde van 28 april 1995 aangewezen als rijksgecommitteerde als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993. Naar aanleiding van een incident op 11 november 1996 bij een examen waar appellant als rijksgecommitteerde optrad, heeft gedaagde voornoemde aanwijzing bij besluit van 18 april 1997 ingetrokken. Na bezwaar hiertegen heeft gedaagde bij besluit van 5 maart 1998, onder intrekking van het besluit van 18 april 1997, appellant als rijksgecommitteerde geschorst voor een periode van drie jaar gerekend vanaf 11 november 1996.

1.3. De rechtbank heeft het hiertegen gerichte beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Onder de uitspraak is vermeld dat partijen daartegen beroep kunnen instellen bij de Centrale Raad van Beroep.

2. De Raad staat allereerst voor de - ook namens gedaagde opgeworpen - vraag of hij bevoegd is kennis te nemen van het hem voorgelegde geschil. Appellant heeft zich in dit verband op het standpunt gesteld dat hij als rijksgecommitteerde ambtenaar is in de zin van de Ambtenarenwet, welke stelling door hem overigens niet nader is onderbouwd. Gedaagde heeft dit standpunt betwist.

3.1. Ingevolge artikel 37, eerste lid, van de Wet op de Raad van State kan door een belanghebbende bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hoger beroep worden ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in afdeling 8.2.6. van de Algemene wet bestuursrecht, tenzij tegen de uitspraak hoger beroep kan worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet, voorzover hier van belang, kan een belanghebbende bij de Centrale Raad van Beroep hoger beroep instellen tegen een uitspraak van de rechtbank inzake een besluit of een andere handeling van een bestuursorgaan waarbij een ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet als zodanig belanghebbende is. Ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet is degene die is aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn.

3.2. De Raad stelt in de eerste plaats vast dat zich onder de gedingstukken geen besluit bevindt waarbij appellant uitdrukkelijk als ambtenaar is aangesteld. Gelet op 's Raads vaste rechtspraak sluit dit niet uit dat onder omstandigheden toch een ambtenaarsverhouding kan ontstaan. Daartoe dient dan wel duidelijk te blijken van een bij gedaagde levende bedoeling om een dergelijke verhouding tot stand te brengen, of van feiten of omstandigheden op grond waarvan de betrokkene heeft mogen begrijpen dat feitelijk een aanstelling als ambtenaar heeft plaatsgevonden.

In dit verband is van belang dat namens gedaagde is verklaard dat hij nimmer de bedoeling heeft gehad appellant een aanstelling als ambtenaar te verlenen. De Raad is niet gebleken dat gedaagde een dergelijke bedoeling wel heeft gehad.

3.3. Met betrekking tot de feitelijke gang van zaken is de Raad het volgende gebleken. Als rijksgecommitteerde houdt appellant namens gedaagde toezicht op het afnemen van rijexamens van rij-instructeurs, welk afnemen is voorbehouden aan het centraal exameninstituut INNOVAM. Dit instituut behoort niet tot de openbare dienst. Dit laatste is in overeenstemming met hetgeen in de toelichting op de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 is opgemerkt met betrekking tot de wens de organisatie en wijze van examinering van rij-instructeurs op afstand van de overheid te plaatsen. Rijksgecommitteerden als appellant worden 4 of 5 keer per jaar opgeroepen om steekproefsgewijs controle uit te oefenen op de gang van zaken bij examens, voor welke werkzaamheden zij vacatiegelden ontvangen, alsmede een maaltijd- en reiskostenvergoeding. Genoemde vergoedingen worden uitbetaald door INNOVAM op basis van gegevens van gedaagde over de inzet van de rijksgecommitteerden. De inzet kost betrokkenen één werkdag per keer. Appellant verricht de werkzaamheden als rijksgecommitteerde naast zijn reguliere (volledige) betrekking als militair ambtenaar.

3.4. Bovenstaande gegevens leiden de Raad tot het oordeel dat in dit geval geen sprake kan zijn van een aanstelling (als ambtenaar) om in de openbare dienst werkzaam te zijn, doch slechts van een aanwijzing tot het incidenteel en op declaratiebasis verrichten van een bepaalde, afgebakende en beperkte taak ten behoeve van gedaagde.

4. Nu zich niet de situatie als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet voordoet en de Raad ook niet op andere gronden bevoegd kan worden geacht, moet de Raad zich onbevoegd verklaren om van het tussen partijen bestaande geschil kennis te nemen. Onder toepassing van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht zal het bij de Raad ingekomen beroepschrift worden doorgezonden naar de Afdeling bestuursrechtspraak van Raad van State.

5. Gelet op de omstandigheid dat de rechtbank, door aan de voet van de aangevallen uitspraak te vermelden dat belanghebbende beroep kan instellen bij de Centrale Raad van Beroep, appellant daarmee op het verkeerde been heeft gezet, ziet de Raad aanleiding om gedaagde te veroordelen in de ter gelegenheid van de behandeling ter zitting van de Raad gemaakte proceskosten van appellant, ten bedrage van € 322,- voor verleende rechtsbijstand. Of er termen zijn gedaagde in andere in eerste aanleg of hoger beroep gemaakte proceskosten te vergoeden, is ter beoordeling van de bevoegde rechter in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart zich onbevoegd;

Veroordeelt gedaagde in voormelde proceskosten van appellant ten bedrage van € 322,-, te betalen door de Staat der Nederlanden.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. J.H. van Kreveld en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Okyay-Bloem als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2002.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) P.M. Okyay -Bloem.