Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE5832

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-07-2002
Datum publicatie
25-07-2002
Zaaknummer
01/1962 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onderscheid tussen aansprakelijkheid volgens de rechtspositionele op een dienstongeval betrekking hebbende voorschriften en de aansprakelijkheid van de overheidswerkgever.

Wetsverwijzingen
Besluit algemene rechtspositie politie 54, geldigheid: 2002-07-04
Besluit algemene rechtspositie politie 1, geldigheid: 2002-07-04
Besluit algemene rechtspositie politie 1x, geldigheid: 2002-07-04
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2002/282 met annotatie van GEvM
VR 2002, 208
TAR 2002/146

Uitspraak

01/1962 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Amsterdam-Amstelland, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 februari 2001, nr. AWB 00/1178 AW (gepubliceerd in TAR 2001, 65), waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 23 mei 2002, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. L.A.A. Ongenae, advocaat te Zoetermeer. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. Th. Tanja, werkzaam bij voormelde politieregio.

II. MOTIVERING

1. Appellant, rechercheur bij de politieregio Amsterdam-Amstelland, is op 5 mei 1999, toen hij per dienstauto van een rechercheactiviteit op [de werkplek] onderweg was naar zijn politiebureau waarnaar hij was teruggeroepen, op een afrit van de snelweg A10 van achteren door een onoplettende andere automobilist aangereden en heeft daardoor hoofd- en nekletsel opgelopen. Bij besluit van 15 juli 1999 heeft gedaagde meegedeeld dat het ongeval, nu het niet in causaal verband tot de opgedragen werkzaamheden stond, geen dienstongeval als bedoeld in artikel 54 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) was, zodat er voor vergoeding op grond van dit voorschrift van de uit het ongeval voortvloeiende kosten geen aanleiding was.

2. Na bezwaar is dit besluit bij het bestreden besluit van 11 januari 2000 gehandhaafd. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. De Raad overweegt naar aanleiding van het hoger beroep als volgt.

3.1. Ingevolge artikel 54 van het Barp worden de ambtenaar in geval van een dienstongeval de noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige behandeling of verzorging vergoed. Van een dienstongeval is volgens artikel 1, aanhef en onder x, van het Barp sprake als (a) het ongeval in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze werkzaamheden moesten worden verricht en (b) het ongeval niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten.

3.2. Aan artikel 54 van het Barp ligt het uitgangspunt ten grondslag dat de overheidswerkgever die de ambtenaar werkzaamheden opdraagt en hem daarmee blootstelt aan een - gelet op de aard van die werkzaamheden of de omstandigheden waaronder zij moeten worden verricht - verhoogd risico, de kosten van geneeskundige behandeling en verzorging die de ambtenaar moet maken als gevolg van een ongeval dat in overwegende mate met dat verhoogde risico verband houdt, voor zijn rekening dient te nemen.

3.3. Partijen houdt slechts de vraag verdeeld of het ongeval in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de aard van de aan gedaagde opgedragen werkzaamheden als bedoeld in artikel 54 van het Barp.

3.4. Aan het bestreden besluit ligt de opvatting ten grondslag dat het ongeval weliswaar in diensttijd heeft plaatsgevonden, maar gedurende een normale autorit waarbij appellant aan het gewone verkeer deelnam. Volgens gedaagde had appellant het ongeval evenzeer buiten de dienst kunnen overkomen, zodat er niet van een verhoogd of bijzonder risico sprake was en niet kan worden gezegd dat het ongeval uit de uitoefening van de opgedragen werkzaamheden is voortgevloeid. Dit zou anders zijn geweest als appellant zich in het kader van een specifieke dienstopdracht met hoge snelheid van de ene naar een andere plek had moeten voortbewegen. Gedaagde heeft tevens het standpunt ingenomen dat het gebruik van de dienstauto geen wezenlijk bestanddeel van de uitoefening van de recherchewerkzaamheden vormde. Ook de rechtbank is niet kunnen blijken dat van een bijzonder risico op het ontstaan van ongevallen sprake was.

3.5. De Raad kan de opvattingen van gedaagde en de rechtbank niet onderschrijven.

3.5.1. Weliswaar was appellant op de bewuste afrit van de A10 niet met recherchewerkzaamheden bezig, maar niet in geding is dat hij in het kader van de uitoefening van de hem opgedragen recherchewerkzaamheden op weg was van de ene werkplek naar de andere, alsmede dat hij die reis per (dienst)auto diende te maken. Daarmee vormde die reis een noodzakelijk onderdeel van de opgedragen werkzaamheden.

3.5.2. Nu appellant voor de uitoefening van zijn werkzaamheden niet op het politiebureau kon blijven, maar aan het wegverkeer moest deelnemen, liep hij verhoogd risico op ongevallen. Aangezien dit verhoogde risico in de uitoefening van zijn werkzaamheden in het ongeval tot uitdrukking is gekomen en gedaagde niet het standpunt heeft ingenomen dat het ongeval aan schuld of onvoorzichtigheid van appellant was te wijten, moet worden geoordeeld dat het ongeval in overwegende mate zijn oorzaak in de aard van de opgedragen werkzaamheden vond. Gedaagde heeft het ongeval dan ook ten onrechte niet als een dienstongeval aangemerkt en heeft mitsdien op grond van artikel 54 van het Barp niet kunnen weigeren de noodzakelijke kosten van geneeskundige behandeling of verzorging te vergoeden.

4. Appellant heeft ter ondersteuning van zijn verzoek om toepassing van artikel 54 van het Barp mede een beroep gedaan op de algemene aansprakelijkheidsnorm die de Raad in zijn in TAR 2000, 112 gepubliceerde uitspraak van 22 juni 2000 heeft geformuleerd. De Raad acht het van belang er op te wijzen dat dit beroep reeds faalt omdat die algemene norm niet van betekenis is voor de inhoud en omvang van aanspraken op grond van specifieke rechtspositionele voorschriften als artikel 54 van het Barp. Voorts tekent de Raad nog aan dat het aanmerken als dienstongeval in de zin van artikel 54 van het Barp nog niet betekent dat op grond van de algemene aansprakelijkheidsnorm ook aanspraak bestaat op vergoeding van andere schade die de geledeerde als gevolg van het ongeval heeft geleden of wellicht nog zal lijden. Dat vergt, gezien de verschillen tussen beide normen, ingeval vergoeding van dergelijke schade wordt verzocht afzonderlijke toetsing aan de in de algemene aansprakelijkheidsnorm vervatte vereisten.

5. De aangevallen uitspraak moet gelet op het vorenoverwogene worden vernietigd. Dat geldt ook voor het bestreden besluit. Gedaagde dient met inachtneming van de overwegingen van 's Raads uitspraak opnieuw op het bezwaar te beslissen. De Raad ziet termen om gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in appellants proceskosten ten bedrage van in totaal € 1.288,- voor de verlening van rechtsbijstand in eerste aanleg en in hoger beroep. Mitsdien wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep alsnog gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat gedaagde opnieuw op het bezwaar beslist met inachtneming van de overwegingen van 's Raads onderhavige uitspraak;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,-, te betalen door de politieregio Amsterdam-Amstelland;

Bepaalt dat de politieregio Amsterdam-Amstelland appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van in totaal € 256,39 (vooheen f 565,-) vergoedt.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. J.H. van Kreveld en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van D. Boers als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2002.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) D. Boers.

HD

27.06

Q