Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE5831

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-07-2002
Datum publicatie
25-07-2002
Zaaknummer
00/2452 AW, 00/3924 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belang bestuursorgaan bij hoger beroep; voorwaardelijk karakter hoger beroep. Volledige toetsing art. 54 Barp.

De rechtbank was, anders dan verweerder, van oordeel dat een aan agent overkomen ongeval aangemerkt moest worden als dienstongeval. Verweerder gaat hiertegen in hoger beroep en heeft ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank een nieuw besluit genomen waarbij het ongeval alsnog als dienstongeval werd beschouwd. Gedaagde is van oordeel dat appellant hierdoor geen belang meer heeft.

Centrale Raad van Beroep: Appellant was gehouden ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een nieuw besluit te nemen. Hij heeft door de duidelijke verwijzing naar de aangevallen uitspraak en het vrijwel gelijktijdig instellen van hoger beroep het voorwaardelijk karakter voldoende duidelijk gemaakt, zodat door het nadere besluit nog niet definitief is komen vast te staan dat het om een dienstongeval gaat. Derhalve heeft appellant belang bij het hoger beroep gehouden.

Voorts is namens appellant nog aangevoerd dat de rechtbank., nu zij het bestreden besluit wegens een motiveringsgebrek heeft vernietigd, hem wegens de formele aard van dat gebrek de vrijheid had moeten laten om bij het nieuwe besluit zijn oordeel dat niet van een dienstongeval sprake was op andere gronden te handhaven. Namens appellant is gesteld dat de rechtbank, door zelf vast te stellen dat van een dienstongeval sprake was, het nieuw te nemen besluit op bezwaar ten onrechte reeds materieel heeft ingevuld. Reeds daarom zou de aangevallen uitspraak niet in stand kunnen blijven.

Ook deze grief ziet de Raad niet slagen. Ter zake van de vaststelling of van een dienstongeval in de zin van art. 54 van het Barp sprake is, is de korpsbeheerder geen door de rechter te respecteren beoordelings- of beleidsvrijheid gegeven. De rechtbank was derhalve verplicht appellants oordeel dat niet van een dienstongeval sprake was, volledig te toetsen. Dit brengt mee dat, nu appellants oordeel die volledige toetsing niet doorstond, voor appellant rechtens niet meer de ruimte bestond - en de rechtbank derhalve die ruimte ook niet kon bieden - om bij het nieuw te nemen besluit alsnog op andere gronden bij zijn oordeel te blijven.

De omstandigheid dat de rechtbank het bestreden besluit wegens strijd met art. 7:12 Awb heeft vernietigd, kan niet betekenen dat de rechtbank appellant vorenbedoelde ruimte wel had moeten bieden.

Deze uitspraak is met een materieel selectiemotief opgenomen in deze Nieuwsbrief onder nummer 264.

Korpsbeheerder politieregio Haaglanden, appellant.

mrs. H.A.A.G. Vermeulen, J.H. van Kreveld, K. Zeilemaker

Wetsverwijzingen
Besluit algemene rechtspositie politie
Besluit algemene rechtspositie politie 54
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2002/283 met annotatie van GEvM

Uitspraak

00/2452 AW en 00/3924 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Korpsbeheerder van de politieregio Haaglanden, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 14 maart 2000, nr. AWB 99/7519 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens appellant is tevens een ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen nader besluit van 17 april 2000 ingezonden.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 23 mei 2002, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.J. Kruizinga, werkzaam bij voormelde politieregio. Gedaagde is verschenen bij zijn gemachtigde mr. L.A.A. Ongenae, advocaat te Zoetermeer.

II. MOTIVERING

1. Gedaagde, agent bij de politieregio Haaglanden, was op 1 november 1998 met een collega per (dienst)auto onderweg van het politiebureau naar een door hen te controleren parkeergarage, toen zij bemerkten dat de voorruit van hun auto niet voldoende schoon was. Daarop hebben zij die voorruit bij een tankstation schoongemaakt. Bij het wegrijden bleek de doorgang aan de voorzijde door twee andere auto's geblokkeerd te zijn. Toen de collega, die de dienstauto bestuurde, daarom achteruit van het terrein van het tankstation naar de rijbaan reed, werd de dienstauto door een van de rijbaan afkomende auto aangereden.

1.1. Gedaagde, die door dit ongeval letsel heeft opgelopen en zich onder behandeling van een fysiotherapeut heeft moeten stellen, heeft appellant om toepassing van artikel 54 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) verzocht. Ingevolge deze bepaling worden de ambtenaar in geval van een dienstongeval de noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige behandeling of verzorging vergoed. Van een dienstongeval is volgens artikel 1, aanhef en onder x, van het Barp sprake als (a) het ongeval in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze werkzaamheden moesten worden verricht en (b) het ongeval niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten.

1.2. Appellant heeft het verzoek om toepassing van artikel 54 van het Barp bij besluit van 2 maart 1999 afgewezen en het bezwaar tegen deze afwijzing bij het bestreden besluit van 12 juli 1999 ongegrond verklaard, omdat hij meende dat geen sprake was van een dienstongeval. Appellant overwoog dat het ongeval, nu het zijn oorzaak vond in de aanwezigheid op het tankstation en het vanaf dat station achteruit de rijbaan oprijden, zijn oorzaak niet in de aan gedaagde opgedragen werkzaamheden vond.

2. Bij de aangevallen uitspraak is geoordeeld dat het gebruik van de dienstauto een wezenlijk bestanddeel van de opgedragen werkzaamheden uitmaakte, dat gedaagde zijn werkzaamheden reeds bij het verlaten van het politiebureau had aangevangen en dat er voor de tussenstop bij het tankstation een legitieme reden was die met de werkzaamheden verband hield. Dit bracht de rechtbank tot de conclusie dat het ongeval bij de uitoefening van de werkzaamheden heeft plaatsgevonden en mitsdien een dienstongeval is. De rechtbank heeft, overwegend dat het bestreden besluit mitsdien op een onjuiste waardering van de feiten berust, het beroep tegen dat besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, appellant opgedragen opnieuw op het bezwaar te besluiten en bepalingen inzake vergoeding van proceskosten en griffierecht gegeven.

3. Bij het nadere besluit van 17 april 2000 heeft appellant verwijzend naar de aangevallen uitspraak het bezwaar alsnog gegrond verklaard en het ongeval alsnog als dienstongeval in de zin van artikel 54 van het Barp aangemerkt. Gedaagde voert aan dat appellant door zulks niet voorwaardelijk in afwachting van de uitspraak in hoger beroep te doen, een besluit heeft genomen dat rechtens onaantastbaar is geworden zodat definitief vaststaat dat het ongeval een dienstongeval is en appellant bij het hoger beroep geen belang meer heeft.

3.1. De Raad kan gedaagde niet volgen. Appellant was gehouden ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een nieuw besluit te nemen. Hij heeft door de duidelijke verwijzing naar de aangevallen uitspraak en het vrijwel gelijktijdig instellen van hoger beroep het voorwaardelijk karakter voldoende duidelijk gemaakt, zodat door het nadere besluit nog niet definitief is komen vast te staan dat het om een dienstongeval gaat. Derhalve heeft appellant belang bij het hoger beroep gehouden.

4. Materieel houdt partijen slechts de vraag verdeeld of het ongeval in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de aard van de aan gedaagde opgedragen werkzaamheden als bedoeld in artikel 54 van het Barp. De Raad overweegt dienaangaande als volgt.

4.1. Aan artikel 54 van het Barp ligt het uitgangspunt ten grondslag dat de overheidswerkgever die de ambtenaar werkzaamheden opdraagt en hem daarmee blootstelt aan een - gelet op de aard van die werkzaamheden of de omstandigheden waaronder zij moeten worden verricht - verhoogd risico, de kosten van geneeskundige behandeling en verzorging die de ambtenaar moet maken als gevolg van een ongeval dat in overwegende mate met dat verhoogde risico verband houdt, voor zijn rekening dient te nemen.

4.2. Niet in geding is dat gedaagde was opgedragen samen met zijn collega in een parkeergarage controle uit te oefenen, dat zij zich per dienstauto van het politiebureau naar de parkeergarage dienden te begeven en dat het voor de veiligheid nodig was dat de voorruit van die auto alsnog werd schoongemaakt.

4.3. Appellant betoogt dat het beroepshalve deelnemen aan het verkeer weliswaar tot een verhoogd gevaar voor het lichamelijk welzijn van een bepaalde groep politieambtenaren leidt, maar hij acht dat onvoldoende reden om van een dienstongeval te spreken, omdat de aard dan wel het wezenlijk bestanddeel van de opgedragen werkzaamheden eerst bij binnenkomst in de parkeergarage zou aanvangen.

4.4. Deze opvatting berust op een onjuiste uitleg van artikel 54 van het Barp.

4.4.1. Gedaagdes controletaak nam eerst in de parkeergarage een aanvang. Dit neemt niet weg dat de reis van het politiebureau naar de parkeergarage per auto een noodzakelijk onderdeel van de opgedragen werkzaamheden vormde. Er is dan ook, nu de tussenstop bij het tankstation een redelijk middel was voor het noodzakelijk schoonmaken van de voorruit, geen aanleiding de tussenstop en het weer wegrijden geen onderdeel van de opgedragen werkzaamheden te achten. De omstandigheid dat de voorruit voor het vertrek van het politiebureau schoongemaakt had kunnen worden, noch het feit dat achteruitrijden vanaf het terrein van een tankstation niet normaal is, is reden hierover anders te oordelen.

4.4.2. Nu gedaagde aan het wegverkeer moest deelnemen en daardoor in de uitoefening van zijn werkzaamheden een verhoogd risico op ongevallen liep, dit verhoogde risico tot uitdrukking is gekomen in het ongeval en appellant niet heeft gesteld dat het ongeval niet aan schuld of onvoorzichtigheid van gedaagde was te wijten, moet worden geoordeeld dat het ongeval in overwegende mate zijn oorzaak in de aard van de opgedragen werkzaamheden vond. De rechtbank heeft het ongeval dan ook terecht als een dienstongeval aangemerkt. Dit brengt mee dat appellant de op grond van artikel 54 van het Barp verzochte vergoeding van de noodzakelijke kosten van geneeskundige behandeling of verzorging niet heeft mogen weigeren.

5. Gedaagde heeft ter ondersteuning van zijn verzoek om toepassing van artikel 54 van het Barp mede een beroep gedaan op de algemene aansprakelijkheidsnorm die de Raad in zijn in TAR 2000, 112 gepubliceerde uitspraak van 22 juni 2000 heeft geformuleerd. De Raad acht het van belang er op te wijzen dat dit beroep reeds faalt omdat die algemene norm niet van betekenis is voor de inhoud en omvang van aanspraken op grond van specifieke rechtspositionele voorschriften als artikel 54 van het Barp. Voorts tekent de Raad nog aan dat het aanmerken als dienstongeval in de zin van artikel 54 van het Barp nog niet betekent dat op grond van de algemene aansprakelijkheidsnorm ook aanspraak bestaat op vergoeding van andere schade die de geledeerde als gevolg van het ongeval heeft geleden of wellicht nog zal lijden. Dat vergt, gezien de verschillen tussen beide normen, ingeval vergoeding van dergelijke schade wordt verzocht afzonderlijke toetsing aan de in de algemene aansprakelijkheidsnorm vervatte vereisten.

6. Namens appellant is ter zitting nog aangevoerd dat de rechtbank, nu zij het bestreden besluit wegens een motiveringsgebrek heeft vernietigd, hem wegens de formele aard van dat gebrek de vrijheid had moeten laten om bij het nieuwe besluit zijn oordeel dat niet van een dienstongeval sprake was op andere gronden te handhaven. Namens appellant is gesteld dat de rechtbank, door zelf vast te stellen dat van een dienstongeval sprake was, het nieuw te nemen besluit op bezwaar ten onrechte reeds materiëel heeft ingevuld. Reeds daarom zou de aangevallen uitspraak niet in stand kunnen blijven.

6.1. Ook deze grief ziet de Raad niet slagen. Ter zake van de vaststelling of van een dienstongeval in de zin van artikel 54 van het Barp sprake is, is de korpsbeheerder geen door de rechter te respecteren beoordelings- of beleidsvrijheid gegeven. De rechtbank was derhalve verplicht appellants oordeel dat niet van een dienstongeval sprake was, volledig te toetsen. Dit brengt mee dat, nu appellants oordeel die volledige toetsing niet doorstond, voor appellant rechtens niet meer de ruimte bestond - en de rechtbank derhalve die ruimte ook niet kon bieden - om bij het nieuw te nemen besluit alsnog op andere gronden bij zijn oordeel te blijven. De omstandigheid dat de rechtbank het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb heeft vernietigd, kan niet betekenen dat de rechtbank appellant vorenbedoelde ruimte wel had moeten bieden.

7. De aangevallen uitspraak moet gelet op al het vorenoverwogene worden bevestigd. Nu het besluit van 17 april 2000, dat ter uitvoering van die uitspraak is gegeven, geheel aan gedaagdes bezwaren tegemoetkomt, vormt het geen onderdeel van dit geding zodat het geen verdere bespreking behoeft.

8. De Raad ziet termen om appellant met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in gedaagdes proceskosten ten bedrage van € 644,- voor de verlening van rechtsbijstand in hoger beroep. Mitsdien wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde tot een bedrag van € 644,-, te betalen door de politieregio Haaglanden;

Bepaalt dat van de politieregio Haaglanden een griffierecht van € 327,- wordt geheven.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. J.H. van Kreveld en mr. K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van D. Boers als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2002.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) D. Boers.

HD

27.06

Q