Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE5661

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-05-2002
Datum publicatie
05-08-2002
Zaaknummer
00/1129 AW, 00/1133 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2002/129
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/1129 AW en 00/1133 AW

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[A.], wonende te [B.], appellant 1, en

[C.], wonende te [D.], appellant 2,

en

de Commandant Nationaal Commando te [Y.], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Appellanten hebben op de daartoe bij aanvullende beroepschriften aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 20 januari 2000, nrs. AWB 99/3832 en 99/3833 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft in elk der gedingen een verweerschrift ingediend.

Appellanten hebben hun standpunt nader toegelicht en daarbij een stuk ingezonden.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 28 maart 2002, waar appellanten in persoon zijn verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.A. Suwout, werkzaam bij het Ministerie van Defensie.

II. MOTIVERING

1.1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.2. Appellanten, beiden werkzaam als burgerambtenaar bij het Ministerie van Defensie in de functie van [X.] [B.], standplaats [Y.], hebben gesolliciteerd naar de functie van terreinbewaker eerste klasse bij de productgroep Integrale Veiligheidszorg van het garnizoen [B.] met als standplaats [B.]. Bij de bestreden besluiten van 29 maart 1999 zijn de besluiten appellanten niet in die functie te benoemen gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft de bestreden besluiten wegens strijd met artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand blijven en voorts bepaald dat gedaagde aan elk van appellanten het griffierecht vergoedt.

3. Het hoger beroep van appellanten richt zich tegen de instandlating van de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden besluiten en tegen de overweging van de rechtbank dat haar niet van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is gebleken.

4.1. De Raad overweegt in de eerste plaats dat de door appellanten bestreden besluiten vallen onder de in onderdeel d van artikel 8:4 van de Awb geformuleerde uitzondering op de daar vermelde categorie van besluiten die zijn uitgezonderd van beroep. Hij neemt daarbij in aanmerking dat de functie waarvoor appellanten in aanmerking wensen te komen, past in hun carrièrepatroon, dat wil zeggen daarin de logisch volgende stap is.

4.2. De Raad stelt voorts voorop dat uitsluitend in geding is wat er zij van de afwijzing van appellanten voor de door hen geambieerde functie van bewaker eerste klasse te [B.]. De door appellanten betrokken stelling dat zij in de functie van terreinbewaker zoals zij die in [Y.] uitoefenen, al jarenlang op het niveau van terreinbewaker eerste klasse werkzaam zijn, hetgeen bij herwaardering van hun functie aan het licht zou moeten komen, staat thans derhalve niet ter beoordeling van de Raad. De Raad wil overigens niet nalaten op te merken dat de Commandant van het garnizoen [B.] bij schrijven van 29 oktober 1999 heeft verzocht te komen tot een herwaardering van de functie van appellanten. Ter zitting is gebleken dat deze herwaardering nog steeds niet tot stand is gekomen. De gemachtigde van gedaagde heeft hiervoor geen verklaring kunnen geven. Het komt de Raad onbegrijpelijk voor dat deze kwestie, waarvan uit de gedingstukken naar voren komt dat deze appellanten hogelijk bezig houdt, nog steeds niet is afgerond.

4.3. De Raad overweegt verder geen aanleiding te zien het onderzoek te heropenen om een of meer getuigen te horen, zoals door appellanten is bepleit. Hij neemt daarbij in aanmerking dat appellanten deze getuige(n) met name willen laten verklaren over hun functievervulling in [Y.], wat verband houd met de onder 4.2. genoemde kwestie. De Raad acht zich op basis van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting voldoende voorgelicht om te komen tot een oordeel over de voorliggende vraag, wat er zij van de afwijzing van appellanten voor de functie van terreinbewaker eerste klasse in [B.].

5.1. Met betrekking tot de selectie van kandidaten hebben appellanten in de eerste plaats aangevoerd dat de selectiecommissie onvoldoende zicht had op hun functioneren om tot een afgewogen oordeel te kunnen komen. De Raad kan appellanten hierin niet volgen. Hij overweegt dat de directe chef van appellanten in de commissie zitting had. Zoals appellanten ter zitting hebben verklaard, bestond er regelmatig (in elk geval telefonisch) contact met deze chef. De Raad neemt voorts in aanmerking dat genoemde chef binnen de organisatie degene was die functioneringsgesprekken met appellanten diende te voeren.

5.2. Ook de grief van appellanten dat er omtrent hun functioneren nimmer een beoordeling is opgemaakt en dat er tot 17 december 1998 geen functioneringsgesprekken zijn gevoerd, treft geen doel. De Raad merkt op dat het ontbreken van beoordelingen en het niet voeren van functioneringsgesprekken in deze procedure niet ter beoordeling van de Raad staan. Hij overweegt voorts dat, zoals gedaagde onweersproken heeft gesteld, ook over de andere kandidaten geen beoordelingen voorhanden waren, zodat appellanten in dit opzicht in vergelijking met de andere sollicitanten niet waren achtergesteld.

5.3. De Raad deelt evenmin de mening van appellanten dat de selectieprocedure niet door de beugel kan nu de selectiecommissie geen gesprekken met de kandidaten heeft gevoerd. In de van toepassing zijnde regelgeving heeft de Raad geen bepaling aangetroffen waarin een dergelijk gesprek dwingend is voorgeschreven. Ook hier geldt dat nu de commissie met de andere kandidaten evenmin een gesprek heeft gevoerd, appellanten ten opzichte van anderen niet zijn benadeeld.

5.4. Appellanten hebben naar voren gebracht dat brieven met betrekking tot hun eerdere sollicitaties naar de functie van bewaker eerste klasse zich ten onrechte niet in hun personeelsdossier bevinden. Wat daarvan ook zij, de Raad vermag niet in te zien dat appellanten hierdoor tijdens de thans te beoordelen selectie of de daarna gevolgde bezwaren- en beroepsprocedure in hun belang zijn getroffen.

6.1. Gedaagde heeft aangegeven dat alle elf kandidaten voor de drie vacante functies van bewaker eerste klasse voldeden aan de kennis- en ervaringseisen. Er heeft een eerste selectie tussen de kandidaten plaatsgevonden, waarbij gelet is op initiatief, klantvriendelijkheid, communicatieve en sociale vaardigheid, betrokkenheid, loyaliteit, representativiteit, leidinggevende kwaliteiten en een hoge mate van stabiliteit. Hierbij is appellant 1 afgevallen. Na de eerste selectie resteerden zes kandidaten. Tussen deze zes kandidaten is aan de hand van de voorkeur van de verschillende commissieleden een rangorde aangebracht. Appellant 2 eindigde daarbij op de zesde plaats.

6.2. De afwijzing van appellant 1 berust volgens gedaagdes toelichting op gebrek aan stabiliteit. Gedaagde heeft gewezen op bij appellant 1 bestaande opvliegendheid en het verliezen van zijn zelfbeheersing op momenten dat hij werd geconfronteerd met een hem onwelgevallige handeling, hetgeen in 1995 heeft geresulteerd in een disciplinaire straf. De Raad vindt steun voor dit oordeel in hetgeen appellant 1 ter zitting over zijn wijze van functioneren heeft verklaard. Hij noemt zichzelf rechtdoorzee, stelt altijd open en eerlijk zijn mening te geven en onrechtvaardigheden aan de kaak te stellen. Appellant 1 is hierdoor, aldus zijn verklaring, regelmatig in conflict geraakt met zijn directe chef en heeft laatstgenoemde daarbij een keer incapabel genoemd. Toen hem er in het functioneringsgesprek op 17 december 1998 op werd gewezen dat hij zijn houding diende aan te passen, heeft hij dit naar eigen zeggen geweigerd omdat 'hij nu eenmaal zo is'. Een en ander leidt de Raad tot de conclusie dat gedaagdes oordeel dat appellant 1 minder geschikt is voor een leidinggevende functie, niet op onvoldoende gronden berust.

6.3. De afwijzing van appellant 2 berust volgens gedaagdes toelichting op een afweging tussen zes - allen geschikte - sollicitanten, waarbij aan andere kandidaten de voorkeur boven appellant 2 is gegeven op grond van hun langere diensttijd dan wel hun grotere leidinggevende capaciteiten. De Raad wijst erop dat de wetgever bij het opnemen van onderdeel d van artikel 8:4 van de Awb heeft overwogen dat de veelheid van redenen die de voorkeur bepalen voor de ene kandidaat boven de andere zich niet of nauwelijks voor rechterlijke toetsing lenen. De Raad beperkt zich bij de beoordeling van geschillen als het onderhavige dan ook tot een marginale toetsing. Dat wil zeggen dat wordt beoordeeld of gezegd moet worden dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot zijn keuze heeft kunnen komen, waarbij de Raad laat wegen of er reden is te vermoeden dat afwijzing van de sollicitatie van de betrokken ambtenaar op andere gronden is gebaseerd dan op een onbevangen oordeel omtrent diens geschiktheid voor de functie. Gezien de door gedaagde aangegeven redenen voor de afwijzing van appellant 2 is de Raad van oordeel dat de betrokken afwijzing deze toetsing kan doorstaan.

7. Met betrekking tot de grief van appellanten over de proceskosten in eerste aanleg overweegt de Raad dat appellanten er bij de kennisgeving voor de zitting van de rechtbank op zijn gewezen dat zij uiterlijk ter zitting aan de rechtbank een opgave van hun proceskosten konden verstrekken. Nu appellanten van die mogelijkheid geen gebruik hebben gemaakt en geen (ambtshalve in aanmerking te nemen) kosten voor rechtsbijstand hebben gemaakt, heeft de rechtbank terecht vastgesteld dat haar niet van voor vergoeding in aanmerking komende kosten was gebleken.

8. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. De Raad acht geen termen aanwezig om in hoger beroep toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. M.M. van der Kade en mr. A. Beuker-Tilstra als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Okyay-Bloem als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 mei 2002.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) P.M. Okyay-Bloem.

HD

15.04

Q