Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE5633

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-07-2002
Datum publicatie
05-08-2002
Zaaknummer
00/2257 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemeen militair ambtenarenreglement 85, geldigheid: 2002-07-04
Algemeen militair ambtenarenreglement 85, geldigheid: 2002-07-04
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2003/11

Uitspraak

00/2257 MAW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Commandant Stafcompagnie RMC Zuid, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de in het beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 1 maart 2000, nr. AWB 99/8785 MAWKLA, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 23 mei 2002, waar namens appellant is verschenen F.C. van Veen, werkzaam bij de VBM/NOV, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.C. Groenheijde, werkzaam bij het Ministerie van Defensie.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant, luitenant-kolonel bij het wapen der infanterie, is per november 1997 overgeplaatst van de standplaats [standplaats 1] naar de standplaats [standplaats 2]. Appellant, die sedert 1978 in een huurwoning in [woonplaats] woonde, heeft in februari 1998 in deze plaats een nog te bouwen woning gekocht, waarvan de oplevering op 29 april 1999 plaatsvond.

1.2. In verband met de verhuizing heeft appellant aan gedaagde verzocht hem begin mei 1999 vier dagen buitengewoon verlof te verlenen. Gedaagde heeft dat verzoek bij besluit van 20 april 1999 afgewezen. Het daartegen door appellant gemaakte bezwaar is door gedaagde bij beslissing op bezwaar van 18 augustus 1999 ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen, kort gezegd en voorzover in hoger beroep nog van belang, dat het ingevolge artikel 85, eerste lid, aanhef en onder e, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) vereiste causale verband tussen de overplaatsing en de verhuizing niet aanwezig was.

1.3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

2.1. Appellant heeft in hoger beroep, evenals hij in eerste aanleg had gedaan, aangevoerd dat artikel 85, eerste lid, aanhef en onder e, van het AMAR duidelijk is geredigeerd, dat zijn situatie voldoet aan de bewoordingen van die bepaling en dat een andere dan de letterlijke uitleg van die bepaling niet is toegestaan. De Raad overweegt dienaangaande het volgende.

2.2. Ingevolge artikel 85, eerste lid, aanhef en onder e, van het AMAR wordt aan de militair op zijn aanvraag buitengewoon verlof met behoud van militaire inkomsten verleend bij verhuizing, indien de plaats waar hij in de regel zijn dienst verricht, verandert: voor ten hoogste vier werkdagen, indien de militair een eigen huishouding voert, of voor ten hoogste twee werkdagen, indien zulks niet het geval is.

2.3. Anders dan appellant is de Raad van oordeel dat de bewoordingen van voormelde bepaling alle ruimte laten voor de door gedaagde aan de bepaling gegeven uitleg en niet, zoals appellant heeft beoogd, zonder meer dwingen tot de conclusie dat bij elke wijziging van standplaats buitengewoon verlof voor een verhuizing moet worden verleend.

De Raad onderschrijft voorts de strekking van het oordeel van de rechtbank dat aan het buitengewoon verlof, naar aard en bedoeling, een geheel eigen karakter toekomt, en dat de aanspraken op buitengewoon verlof dan ook pas aan de orde komen, indien de daartoe aangegeven feiten en omstandigheden zich specifiek voordoen. Daarvan uitgaande is de Raad van oordeel dat gedaagdes standpunt, dat erop neerkomt dat een redelijke uitleg van de betrokken bepaling met zich brengt dat het moet gaan om een verhuizing die rechtstreeks verband houdt met de zich voorgedaan hebbende standplaatswijziging, juist moet worden geacht. Gedaagde heeft voor deze uitleg terecht mede steun gezocht in de omstandigheid dat per 1 april 1996 het voormalig artikel 85, eerste lid, aanhef en onder g, van het AMAR is vervallen, waarin was bepaald dat ook aanspraak op buitengewoon verlof bestond, zij het voor een geringer aantal dagen, bij een verhuizing zonder dat de plaats van tewerkstelling wijzigde. In de toelichting op deze wijziging van het AMAR, waarbij ook enige andere vormen van buitengewoon verlof zijn afgeschaft, is vermeld dat het hierbij gaat om een voorziening in de persoonlijke levenssfeer van de militair, waarvoor het, mede gelet op overige bestaande vrijetijdsvoorzieningen, niet meer wenselijk wordt geacht om buitengewoon verlof te verlenen.

2.4. De Raad is voorts van oordeel dat de verhuizing van appellant geen rechtstreeks verband hield met de wijziging van zijn plaats van tewerkstelling in november 1997. De Raad verwijst naar de overwegingen dienaangaande van de rechtbank.

3. Uit het vorenstaande volgt dat gedaagde op goede gronden heeft geweigerd aan appellant buitengewoon verlof te verlenen voor diens verhuizing in mei 1999, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. T. Hoogenboom en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2002.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) M. Pijper.

HD

30.05

Q