Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE5329

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-06-2002
Datum publicatie
31-07-2002
Zaaknummer
00/867 Anw
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene nabestaandenwet 20, geldigheid: 2002-06-26
Inkomens- en samenloopbesluit Anw 11, geldigheid: 2002-06-26
Inkomens- en samenloopbesluit Anw 13, geldigheid: 2002-06-26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2002/237

Uitspraak

00/867 Anw

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante

en

de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Gedaagde heeft bij besluit van 17 maart 1998 vastgesteld dat de uitkering van appellante ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw) ingaande 1 januari 1998 niet tot uitbetaling komt.

Bij besluit van 30 juni 1998, het bestreden besluit, heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 17 maart 1998 ongegrond verklaard.

De rechtbank Breda heeft bij uitspraak van 14 december 1999 het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Appellante heeft tegen deze uitspraak op bij beroepschrift uiteengezette gronden hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 15 mei 2002, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. W.Th. Snoek, advocaat te Amsterdam, en mr. L.M.I. van Gool, werkzaam bij de Bond van Gepensioneerden van de Nederlandse Antillen en Aruba, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. P.C.A. Buskens en J.A.J. Groenendaal, beiden werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.

II. MOTIVERING

Appellantes echtgenoot is als [functie] werkzaam geweest op het eiland Curaçao. Na zijn overlijden is aan appellante ingaande februari 1978 een pensioen ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezenwet toegekend, dat ingaande 1 juli 1996 is omgezet in een nabestaandenuitkering ingevolge de Anw.

Bij inkomensonderzoek dat door gedaagde is uitgevoerd in 1997 is gebleken dat appellante toen tevens in het genot was van een weduwenpensioen op grond van de Pensioenverordening Burgerlijke Landsdienaren 1938, haar toegekend ten laste van het Algemeen Pensioenfonds van de Nederlandse Antillen (APNA). Dit pensioen had in de maand oktober 1997 een hoogte van f. 2.299,25.

Genoemd pensioen is voor gedaagde aanleiding geweest om bij het primaire besluit van 17 maart 1998, gehandhaafd bij het bestreden besluit, te bepalen dat de Anw-uitkering van appellante ingaande 1 januari 1998 niet langer tot uitbetaling komt. Gedaagde heeft hierbij toepassing gegeven aan artikel 11, eerste lid, van het - mede - op artikel 20 van de Anw gebaseerde Inkomens- en samenloopbesluit Anw (hierna: het Besluit), dat, voor zover hier van belang, als volgt luidt:

"Een op grond van de wetgeving van de Nederlandse Antillen (…) toegekende uitkering, die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering als bedoeld in artikel 14, (…) wordt op de uitkering, bedoeld in artikel 14 (…) in mindering gebracht."

De rechtbank heeft dit besluit bij de aangevallen uitspraak in stand gelaten.

Appellante heeft tegen deze uitspraak aangevoerd, in hoofdzaak, dat het APNA-weduwenpensioen geen uitkering is die naar aard en strekking overeenkomt met een nabestaandenuitkering ingevolge de Anw, nu het bij de Anw om een volksverzekering gaat en bij het APNA-pensioen om een pensioen voor een beperkte specifieke groep verzekerden.Voorts heeft appellante gesteld dat door het bestreden besluit een onverantwoord verschil in rechtsbedeling zou ontstaan tussen weduwen met een APNA-pensioen, dat wel op de Anw-uitkering zou worden gekort, en weduwen met een pensioen van de Stichting Pensioenfonds ABP, dat niet wordt gekort. Tenslotte heeft appellante een beroep gedaan op de hardheidsclausule, opgenomen in artikel 13 van het Besluit.

De Raad kan appellante, evenals de rechtbank, in deze grieven niet volgen.

Vooreerst is de Raad, anders dan appellante, van oordeel dat het APNA-weduwenpensioen naar de duidelijke bewoordingen van artikel 11, eerste lid, van het Besluit onder dit artikellid valt, nu het een nabestaandenuitkering betreft die ingevolge de wetgeving van de Nederlandse Antillen is toegekend. De Raad wijst er in dit verband op dat de woorden "een uitkering, die naar aard en strekking overeenkomt" in artikel 11, eerste lid, van het Besluit, op welke woorden appellante ter ondersteuning van haar standpunt een beroep doet, niet meebrengen dat de aan de orde zijnde wetgeving van de Nederlandse Antillen naar aard en strekking zou moeten overeenkomen met de Anw, doch slechts dat het dient te gaan om een overeenkomstig type uitkering, waarvan hier ontegenzeggelijk sprake is. Voorts wijst de Raad er op, zoals ook de rechtbank heeft gedaan, dat artikel 20 van de Anw en het daarop gebaseerde Besluit blijkens de wetsgeschiedenis een voortzetting vormen van een eerdere overeenkomstige regeling bij en krachtens de Algemene Weduwen- en Wezenwet (artikel 30a van die wet en artikel 1 van het daarop gebaseerde Koninklijk besluit van 20 maart 1968, Stb. 174), terwijl in de rechtspraak van deze Raad over die laatste regeling aldus is geoordeeld, dat een pensioen als in casu aan de orde daar onder valt (zie de uitspraak van deze Raad van 12 december 1990, Rechtspraak Sociale Verzekering 1991/263 en de daarin vermelde eerdere rechtspraak).

De Raad kan voorts, anders dan appellante, niet inzien dat er in casu sprake zou zijn van een, zoals appellante stelt, onverantwoord verschil in rechtsbedeling tussen de onderhavige korting en de wijze waarop in de Anw een pensioen van de Stichting Pensioenfonds ABP wordt behandeld. Nog daargelaten het bijzondere aspect dat het in casu gaat om een samenloop van uitkeringen uit verschillende landen, is bij een ABP-pensioen de aanspraak ingevolge de Anw ingebouwd, terwijl bij het APNA-pensioen geen inbouw van externe aanspraken voorkomt.

Tenslotte verwerpt de Raad het beroep op de hardheidsclausule van artikel 13 van het Besluit, nu dit artikel niet de strekking heeft te bewerkstelligen dat een wettelijke regel als hier aan de orde opzij wordt gezet.

Het vorenstaande leidt er toe dat de aangevallen uitspraak in stand kan blijven.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. T.L. de Vries als voorzitter en mr. J.G. Treffers en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M. Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2002.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) M.B.M. Vermeulen.