Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE5029

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-06-2002
Datum publicatie
10-07-2002
Zaaknummer
00/3287 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Ambtenarenwet, geldigheid: 2002-06-13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

00/3287 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 mei 2000, nr. AW 98/5908/163, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 2 mei 2002, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. W.D. van Doorn, advocaat te Amsterdam, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.M. Dekker en D.R. Groen, beiden werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. MOTIVERING

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was sedert 1987 werkzaam bij de Dienst Parkeerbeheer van de gemeente [woonplaats], laatstelijk in de functie van [functie], vestiging [vestigingsplaats]. Naar aanleiding van een klacht van een bewoner van een aan die kade gelegen woonboot, dat nabij zijn boot regelmatig de gehele dag een van een dagkaart voorziene auto werd geparkeerd, door iemand die volgens hem werkzaam was bij de Dienst Parkeerbeheer is vanwege die Dienst een onderzoek ingesteld. Op 31 oktober 1997 werd geconstateerd dat er een aan appellant toebehorende [automerk] stond geparkeerd, voorzien van een dagkaart, aankomsttijd 8.45 uur, afkomstig van een parkeerautomaat in [regio I]. Op 1 november 1997 stond dezelfde auto er weer, ditmaal met een dagkaart afkomstig uit [regio II], aankomsttijd 9.14 uur. Op de bewuste dagen heeft de Dienst Parkeerbeheer de parkeerautomaten onderzocht, waaruit de betrokken dagkaarten afkomstig waren. Uit dat onderzoek bleek dat de tijdregistratie van de desbetreffende parkeerautomaat in [regio I] op 30 oktober 1997 om 14.44 uur was vooruitgezet naar 31 oktober 1997 om 8.45 uur, en om 14.47 uur weer was teruggezet naar 30 oktober 1997. De tijdregistratie van de desbetreffende parkeerautomaat in [regio II] bleek op 31 oktober 1997 om 13.13 uur te zijn verzet naar 1 november 1997 om 9.14 uur, en om 13.15 uur weer te zijn teruggezet naar 31 oktober 1997. Voorts bleek uit zogeheten storingslijsten dat appellant op 30 oktober 1997 een storing had verholpen aan de bewuste parkeerautomaat in [regio I] en op 31 oktober 1997 aan de parkeerautomaat in [regio II].

1.2. Appellant, die door de Dienst Parkeerbeheer werd geconfronteerd met de hiervoor vermelde gegevens, heeft verklaard dat hij niets te maken had met de betrokken parkeerkaarten, omdat hij zijn auto tweemaal 's nachts had uitgeleend aan zijn broer, die de auto op beide dagen 's ochtends vroeg aldaar had geparkeerd, opdat appellant 's middags weer met zijn eigen auto naar huis kon gaan. Deze broer had, aldus appellant, de twee dagkaarten tegelijkertijd gekocht van twee buitenlanders. Vervolgens heeft gedaagde nog nader onderzoek doen verrichten. Zo heeft onder meer de broer van appellant een verklaring omtrent het gebeurde afgelegd.

1.3. Nadat een verantwoordingsgesprek was gehouden is appellant bij besluit van 17 februari 1998 met ingang van 1 maart 1998 disciplinair ontslag verleend, omdat hij zich schuldig had gemaakt aan plichtsverzuim, bestaande uit het tweemaal gebruik maken van onrechtmatig, door manipulatie aan parkeerautomaten verkregen, parkeerkaarten. Voorts heeft gedaagde bepaald dat appellant geen uitkering ingevolge de Wachtgeld- of Uitkeringsverordening toekomt. Gedaagde heeft voormeld besluit bij zijn beslissing op bezwaar van 11 juni 1998 gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat in deze zaak te veel twijfels bestaan om zonder meer te kunnen aannemen dat hij, na manipulaties te hebben gepleegd aan twee parkeerautomaten, dagkaarten aan zijn broer heeft gegeven dan wel deze dagkaarten zelf heeft gebruikt. Dat er sprake is van een zeker toeval kan, aldus appellant, niet tot de bewezenverklaring van frauduleus handelen van hem leiden. In dit verband acht appellant van belang dat de politie aanleiding heeft gezien de zaak, wegens gebrek aan bewijs, te seponeren.

3.2. De Raad stelt voorop dat gedaagde zich terecht niet gebonden heeft geacht aan het oordeel van de politie dat er onvoldoende bewijs is dat appellant de dagkaarten zelf heeft verduisterd door te knoeien aan de parkeerautomaten. Gedaagde is gerechtigd zich zelfstandig, op basis van mede uit eigen onderzoek verkregen gegevens, een oordeel te vormen omtrent de vraag of genoegzaam is komen vast te staan dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim.

3.3. Appellant heeft, ter verklaring dat in zijn auto twee uit andere stadsdelen afkomstige dagkaarten werden aangetroffen, verwezen naar zijn broer, die in twee opeenvolgende nachten de auto van appellant zou hebben geleend en deze auto 's ochtends, niet afgesloten, geparkeerd zou hebben bij het werk van appellant. Deze verklaring van appellant is op zich al weinig geloofwaardig te achten. Daar komt bij dat de verklaring van de broer van appellant omtrent de reden waarom en de wijze waarop hij appellants auto zou hebben gebruikt in samenhang met de wijze waarop hij aan de twee parkeerkaarten zou zijn gekomen, die niet strookt met hetgeen appellant daaromtrent heeft verklaard, als volstrekt ongeloofwaardig van de hand moet worden gewezen. Dat brengt de Raad tot de conclusie dat het appellant moet zijn geweest die zijn auto op 31 oktober 1997 en op 1 november 1997 had geparkeerd aan de [vestigingsplaats] en had voorzien van de bewuste parkeerkaarten.

3.4. Uit het vanwege de Dienst Parkeerbeheer verrichte onderzoek is voorts gebleken dat de betrokken parkeerkaarten tijdstippen van afgifte vermelden die liggen in het korte tijdvak van telkens enkele minuten dat overeenkomt met de minuten waarnaar de dag tevoren de tijdsregistratie van de bewuste parkeerautomaat is vooruitgezet. Voorts neemt de Raad in aanmerking dat appellant op 30 oktober 1997 en 31 oktober 1997 werkzaamheden had verricht aan deze parkeerautomaten. Appellant heeft nog aangevoerd dat hij niet op 31 oktober 1997 om 13.13 uur aan de parkeerautomaat kan hebben gewerkt, omdat hij toen lunchte, hetgeen hij, volgens zijn verklaring, altijd tussen 13.00 uur en 14.00 uur te samen met collega's placht te doen. Naar het oordeel van de Raad heeft appellant deze stelling niet aannemelijk gemaakt, nu uit verklaringen van diverse op de vestiging [vestigingsplaats] werkzame personen blijkt dat zij tussen 11.30 uur en 13.00 uur plachten te lunchen.

3.5. Gelet op het vorenstaande, in onderling verband bezien, is de Raad, evenals de rechtbank, van oordeel dat genoegzaam is komen vast te staan dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan de hem verweten gedragingen. Dat het plichtsverzuim appellant niet zou zijn toe te rekenen is niet gebleken.

4. De Raad is voorts van oordeel dat de handelwijze van appellant dermate ernstig is te achten, dat het daarop gevolgde strafontslag niet onevenredig is te achten. Appellant bekleedde als monteur van parkeerautomaten een zelfstandige positie. Gedaagde heeft er met juistheid op gewezen dat hij zonder meer erop moet kunnen vertrouwen dat het werk als monteur naar behoren wordt uitgevoerd en dat geen manipulaties aan de automaten plaatsvinden.

5. Gezien het vorenstaande, en in aanmerking genomen dat appellant geen afzonderlijke grieven heeft aangevoerd tegen de weigering hem een uitkering te verstrekken, komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslist wordt als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en mr. J.H. van Kreveld als leden, in tegenwoordigheid van D. Boers als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2002.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) D. Boers.