Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE4597

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-03-2002
Datum publicatie
27-06-2002
Zaaknummer
01/1334 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/1334 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[A.], wonende te [B.], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij brief gedateerd 8 februari 1999 heeft gedaagde geweigerd appellantes uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, welke was ingetrokken per 1 januari 1998, met ingang van 3 februari 1998 te heropenen, op de grond dat er per die datum geen sprake is van toegenomen beperkingen.

Bij brief gedateerd 9 maart 1999 heeft mr. R.C. de Zeeuw, advocaat te Amsterdam, namens appellante tegen dit besluit bezwaar aangetekend, zulks op nader aan te voeren gronden.

Bij brief gedateerd 10 mei 1999 heeft gedaagde appellante in de gelegenheid gesteld binnen vier weken na datum dagtekening van dat schrijven de gronden in te dienen waarop het bezwaar rust.

Bij besluit van 23 juni 1999 heeft gedaagde appellantes bezwaar tegen het besluit van 8 februari 1999 niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 11 januari 2001, verzonden op 29 januari 2001, het beroep tegen het besluit van 23 juni 1999 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Namens appellante is mr. De Zeeuw voornoemd bij beroepschrift van 26 februari 2001 van die uitspraak in hoger beroep gekomen, waarna de gemachtigde bij schrijven van 9 mei 2001 de gronden heeft aangegeven waarop het beroep rust.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 12 februari 2002, waar appellante niet is verschenen, en waar namens gedaagde is verschenen mr. E. van Hilten, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

Bij de in rubriek I genoemde brief van 10 mei 1999 heeft gedaagde appellante in de gelegenheid gesteld binnen vier weken na datum dagtekening van dat schrijven de gronden in te dienen waarop het bezwaar rust. Daarbij heeft gedaagde niet aangegeven dat het nalaten van het indienen van gronden binnen de gestelde termijn, zou kunnen leiden tot de niet-ontvankelijkverklaring van appellante in het ingediende bezwaar.

Bij het uitblijven van de gronden binnen de gestelde termijn heeft gedaagde appellantes bezwaar bij het bestreden besluit rauwelijks niet-ontvankelijk verklaard.

Bij brief gedateerd 29 juni 1999 heeft appellantes gemachtigde bij gedaagde geïnformeerd of de bezwaargronden door gedaagde zijn ontvangen.

Blijkens een zich onder de gedingstukken bevindende interne correspondentie van gedaagde is de brief van 27 mei 1999, bevattende de gronden van het bezwaar, door gedaagde op 9 juli 1999 ontvangen.

De rechtbank heeft bij de in rubriek I genoemde uitspraak het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank is er vanuit gegaan dat de gronden waarop het bezwaar rust door appellantes gemachtigde zijn verzonden op 27 mei 1999. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat te late ontvangst van deze gronden door gedaagde voor rekening en risico van appellante dienen te komen. De rechtbank is er daarbij vanuit gegaan dat de te late ontvangst van de gronden te wijten was aan de onjuiste adressering van de brief van 27 mei 1999 door appellantes gemachtigde. Het besluit van 8 februari 1999, waartegen het bezwaar zich richtte, vermeldde wel het juiste adres van gedaagde.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het bestreden besluit van gedaagde, en de uitspraak van de rechtbank waarbij dat besluit in stand is gelaten, in rechte stand kunnen houden.

De Raad overweegt dat ingevolge artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het bezwaar of beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien niet voldaan is aan artikel 6:5 van de Awb of aan enig ander bij de wet gestelde vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het bezwaarschrift niet tijdig is ontvangen, en dat de overschrijding van de bezwaartermijn niet verschoonbaar is. Daaruit volgt echter niet dat het bestreden besluit, en de uitspraak van de rechtbank waarbij dat besluit in stand is gelaten, in rechte stand kunnen houden.

De Raad overweegt ambtshalve dat artikel 6:6 van de Awb weliswaar niet voorschrijft dat tot niet-ontvankelijkverklaring in het bezwaar eerst wordt overgegaan nadat betrokkene is gewezen op de consequenties van het gepleegde verzuim, maar zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen, de Raad wijst op zijn uitspraken van 5 april 2000, nr. 99/1731 WW en 5 december 2001, nr. 00/843 WAO, ligt het, gelet ook op de strekking van de bezwaarprocedure om belanghebbenden op betrekkelijk eenvoudige wijze in de gelegenheid te stellen het besluit ter heroverweging aan het desbetreffende bestuursorgaan voor te leggen, niet in de rede dat het bestuursorgaan die heroverweging doet afstuiten op de omstandigheid dat de betrokkene niet tijdig gevolg heeft gegeven aan de mogelijkheid om een gepleegd verzuim te herstellen, zonder dat daaraan voorafgaand is aangegeven welke consequenties aan het overschrijden van de daartoe gestelde termijn verbonden kunnen zijn.

Het vorenoverwogene in aanmerking nemend is de Raad van oordeel dat de in het kader van de bezwaarprocedure van de Awb in acht te nemen zorgvuldigheid met zich brengt dat een bestuursorgaan dat de indiener van een bezwaarschrift een als fataal bedoelde termijn stelt om een gepleegd verzuim te herstellen, daarbij aangeeft dat bij het overschrijden van die termijn de kans bestaat dat dit niet-ontvankelijkverklaring tot gevolg zal hebben.

Geconcludeerd moet derhalve worden dat gedaagdes handelwijze ten aanzien van appellantes bezwaarschrift niet in overeenstemming is met genoemde zorgvuldigheidseis. Het bestreden besluit, alsmede de aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit in stand is gelaten, kunnen dan ook in rechte geen stand houden en komen voor vernietiging in aanmerking.

Gedaagde zal een nieuw besluit op appellantes bezwaarschrift moeten nemen. Daarbij staat vast dat de gronden in elk geval op 9 juli 1999, en in het licht van het voorafgaande derhalve tijdig, door gedaagde zijn ontvangen.

In hoger beroep is namens appellante aan de Raad onder meer verzocht gedaagde te veroordelen tot vergoeding van schade en proceskosten, alsmede tot vergoeding van het betaalde griffierecht, 'beide bedragen te betalen binnen vier weken na de beslissing in deze, althans binnen een door de rechtbank te bepalen termijn, bij gebreke waarvan wettelijke rente over deze vergoeding verschuldigd is'.

De Raad stelt voorop dat uit het hiervoor overwogene blijkt dat het bestreden besluit wordt vernietigd op de grond dat gedaagde appellante ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het bezwaar en dat gedaagde een nader besluit op het bezwaarschrift dient te nemen.

Daarom ligt het thans niet op de weg van de Raad om zich over mogelijke schade, die overigens door of namens appellante niet nader is toegelicht, uit te spreken.

Wel zal gedaagde bij het nemen van een nader besluit tevens aandacht moeten besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om schade te vergoeden.

De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep.

Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand.

Andere op grond van dat artikel te vergoeden kosten zijn niet gevorderd en daarvan is de Raad ook niet gebleken.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in de artikelen 24 en 25, eerste lid van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat het door appellante zowel in eerste aanleg als in hoger beroep betaalde griffierecht door gedaagde dient te worden vergoed.

Appellantes vordering om gedaagde te veroordelen tot betaling van de proceskosten en het griffierecht 'binnen vier weken (…), bij gebreke waarvan wettelijke rente over deze vergoeding verschuldigd is', komt niet voor inwilliging in aanmerking, nu deze vordering niet steunt op de wet.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat als volgt moet worden beslist.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit alsnog gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante, in eerste aanleg tot een bedrag groot € 322,- en in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde recht van € 104,37 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Jenniskens als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2002.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) J.W. Schuttel.

MH