Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE4573

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-05-2002
Datum publicatie
27-06-2002
Zaaknummer
00/2864 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2003, 26 met annotatie van J.C. Binnerts
TAR 2002/138
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/2864 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Westerveld, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de president van de rechtbank Assen van 19 april 2000, nrs. 99/846 en 00/171 AW P02 G03, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft gedaagde bij faxbericht van 21 maart 2002 nog nadere stukken ingebracht.

Het geding is behandeld ter zitting van 22 maart 2002, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. A.A. Kootstra, advocaat te Groningen. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.P. de Boer, werkzaam bij CAPRA te Zwolle, en J.P. Jorritsma, werkzaam bij de gemeente Westerveld.

II. MOTIVERING

1.1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.2. Appellant was werkzaam als hoofd van de afdeling [X.] in de gemeente [C.]. In het kader van de gemeentelijke herindeling zijn de gemeenten Havelte, Diever, Dwingeloo en Vledder met ingang van 1 januari 1998 opgegaan in de nieuw gevormde gemeente Westerveld. Tengevolge van deze herindeling dienden alle ambtenaren van de betrokken gemeenten te worden geplaatst in de nieuwe gemeente. Appellant heeft op zijn reflectieformulier gemotiveerd aangegeven dat hij - in volgorde van voorkeur - belangstelling had voor de functies hoofd afdeling [Y.], eerste medewerker [Y.] en juridisch beleidsmedewerker rechtsbescherming (de laatste onder voorbehoud). Omdat voor de eerstvermelde functie twee kandidaten beschikbaar waren heeft gedaagde een assessmentonderzoek laten verrichten naar de mate van geschiktheid van een ieder. Naar aanleiding van de resultaten hiervan is niet appellant, maar de andere kandidaat geplaatst als hoofd afdeling [X.].

1.3. Overeenkomstig het terzake uitgebrachte advies van de inpassingscommissie als bedoeld in het Sociaal Statuut bij de gemeentelijke herindeling (hierna: Sociaal Statuut) en het aan appellant ter kennis gebrachte voorstel van 30 maart 1998 heeft gedaagde, onder ongegrondverklaring van appellants daartegen gerichte bedenkingen, bij besluit van 17 november 1998 besloten dat appellant geplaatst wordt in de functie van beleidsmedewerker [Y.], welke functie als passend wordt beschouwd. Dit besluit is appellant meegedeeld bij brief van 23 december 1998.

1.4. Bij het bestreden besluit van 28 oktober 1999 heeft gedaagde de bezwaren van appellant tegen het besluit van 17 november 1998 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de president van de rechtbank, met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht, het daartegen ingestelde beroep van appellant ongegrond verklaard. Hiertegen heeft appellant hoger beroep ingesteld.

2. Appellants hoofdbezwaar bestaat kort gezegd hieruit dat hij niet is geplaatst in de functie van zijn eerste voorkeur, die van hoofd afdeling [Y.] (hierna ook: de geambieerde functie). Appellant meent dat hij voor deze functie, met name gelet op zijn jarenlange ervaring met leidinggeven, de voorkeur had moeten genieten boven de andere kandidaat. Daarnaast heeft appellant aangevoerd dat de functie van eerste medewerker [Y.] te specialistisch voor hem is, en daarom niet passend.

3. De Raad stelt vast dat het plaatsingsbesluit, gelet op appellants opgave op het reflectieformulier, behalve de plaatsing als eerste medewerker [Y.], tevens behelst de impliciete weigering appellant te plaatsen in de geambieerde functie. Het bestreden besluit ziet mede op de handhaving daarvan. Derhalve kunnen appellants grieven tegen deze niet plaatsing in dit geding aan de orde komen.

4.1. Inpassing heeft plaatsgevonden overeenkomstig de procedure neergelegd in het Sociaal Statuut. De Raad onderschrijft hetgeen de president van de rechtbank met betrekking tot die procedure heeft overwogen. Uitgangspunt is het "mens volgt functie" principe, gevolgd door plaatsing in een passende functie en tenslotte door plaatsing in een geschikte functie. Indien meer personen geschikt zijn geldt dat de meest geschikte wordt geplaatst. Bij gelijke geschiktheid geldt de volgorde van het vijfde lid van de "Werkwijze inpassing".

4.2. De Raad volgt appellant niet in zijn stelling dat hij reeds in de functie hoofd afdeling [Y.] geplaatst zou moeten zijn, omdat (alleen) hij functievolger is. De Raad sluit zich aan bij hetgeen in de aangevallen uitspraak hieromtrent is overwogen. Ook de Raad is van oordeel dat appellants functie in de oude gemeente [C.] breder van karakter was dan de geambieerde functie, die meer specialistisch van aard is. Uit de gedingstukken blijkt dat appellant destijds de leiding had over de onderafdelingen [(..1..)]. In de nieuwe organisatie, die als gevolg van de samenvoeging groter is, bestaat ruimte voor functies met een meer specialistisch karakter. De geambieerde functie heeft dan ook (slechts) als werkterreinen [(..2..)]. Dat in beide functies sprake is van leidinggeven kan dat verschil niet ongedaan maken. Het enkel optellen van percentages behorende bij deeltaken, zoals appellant voorstaat, doet geen recht aan de aard en inhoud van de beide functies. Overigens bestaat tussen beide functies ook een schaalverschil.

4.3. Niet betwist is dat de geambieerde functie passend is voor appellant. Onder passende functie moet volgens het Sociaal Statuut worden verstaan een functie die de ambtenaar redelijkerwijs in verband met zijn persoonlijkheid en zijn omstandigheden kan worden opgedragen. Gelet hierop en op de stukken die met betrekking tot haar (voormalige) functie van plaatsvervangend sectorhoofd [D.] in de gemeente [E.] zijn overgelegd, is de functie hoofd afdeling [Y.] naar het oordeel van de Raad terecht ook passend geacht voor de andere kandidaat. Vast staat dat appellant voor de geambieerde functie is gepasseerd op grond van de uitkomsten van een assessmentonderzoek.

4.4. De Raad overweegt dat gedaagde bij de keuze wie van twee geschikte kandidaten in een functie moet worden geplaatst een grote vrijheid toekomt. Omdat een assessment een geëigend instrument is om de mate van geschiktheid van de verschillende kandidaten objectief vast te stellen, kan gedaagde zeker niet de bevoegdheid worden ontzegd gebruik te maken van de resultaten van het assessmentonderzoek.

4.5. De resultaten van het assessmentonderzoek zijn in dit geval echter niet ter kennis gebracht aan gedaagde, maar uitsluitend aan de (onafhankelijke) inpassingscommissie, die tot taak had aan het voorlopig bestuursorgaan van de toekomstige nieuwe gemeente advies uit te brengen omtrent de inpassing van de ambtenaren in een functie in de nieuwe organisatie. In het bestreden besluit is hierover overwogen dat de uitkomsten van het door appellant afgelegde assessment aan gedaagde, gezien de privacy van betrokkene, niet bekend zijn en dat ervan moet worden uitgegaan dat de inpassingscommissie op basis van de resultaten van het assessmentonderzoek redelijkerwijze heeft kunnen komen tot de beslissing appellant niet in aanmerking te laten komen voor de geambieerde functie. Met betrekking tot appellants grief dat hij het assessmentonderzoek onder moeilijke privé-omstandigheden heeft afgelegd en hem niet duidelijk is in hoeverre daarmee rekening is gehouden, is in het bestreden besluit overwogen dat gedaagde ervan mag uitgaan dat bij de beoordeling van het door appellant afgelegde assessment met de privé-situatie rekening is gehouden en dat derhalve het advies van de inpassingscommissie op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen.

4.6. De Raad acht deze gang van zaken onjuist. Zoals de Raad reeds vaker heeft overwogen brengen de ten aanzien van een deugdelijke besluitvorming te stellen eisen met zich mee dat, wanneer een bestuursorgaan in het kader van zijn besluitvorming een advies inwint, hij zich op grond van de beschikbare gegevens zelfstandig een oordeel dient te vormen, in welk verband hij zich mede ervan dient te vergewissen dat aan de totstandkoming en de conclusies van dat advies geen zodanige gebreken kleven dat het besluit niet, althans niet zonder meer, op dat advies mag worden gebaseerd. Wil een advies deugdelijk zijn dan kan in beginsel een weergave van de onderzoeksgegevens niet worden gemist. De Raad is van oordeel dat het advies van de inpassingscommissie niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen, nu daarin slechts is opgemerkt dat de commissie na assessment adviseert betrokkene in te passen in de functie van eerste medewerker [Y.]. Op geen enkele wijze is aangegeven welke de resultaten van het onderzoek zijn en om welke reden de voorkeur uitgaat naar de andere kandidaat. Dit klemt te meer nu appellant er terecht op gewezen heeft dat hij degene is met de meeste leidinggevende ervaring en dat er dus zwaarwegende redenen moeten zijn geweest om niet hem, doch de andere kandidaat in de geambieerde functie te plaatsen. Die redenen zijn niet kenbaar geworden.

Gelet hierop heeft gedaagde niet kunnen volstaan met slechts te verwijzen naar dit advies, maar had hij zelf inzicht moeten verkrijgen in de resultaten van de assessmentonderzoeken van beide kandidaten teneinde zich zelfstandig een oordeel te kunnen vormen over de mate van geschiktheid van de beide kandidaten. Nu dit niet is geschied kan het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht niet in stand blijven, evenmin als de aangevallen uitspraak.

4.7. Ten overvloede overweegt de Raad dat de functie van eerste medewerker [Y.] voor appellant terecht als passend is aangemerkt. Weliswaar kent deze functie geen leidinggevende taken, maar dat neemt niet weg dat de functie appellant in verband met zijn persoonlijkheid en zijn omstandigheden redelijkerwijs kan worden opgedragen. De Raad wijst er op dat appellant op zijn reflectieformulier destijds heeft aangegeven dat deze functie bij niet plaatsing in de geambieerde functie voor hem een redelijk aanvaardbaar alternatief is.

5. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding gedaagde op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep ten bedrage van € 1.288,- wegens verleende rechtsbijstand, alsmede een bedrag van € 24,30 wegens reiskosten in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep alsnog gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit van 28 oktober 1999;

Bepaalt dat gedaagde een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant, in eerste aanleg tot een bedrag van € 644,- en in hoger beroep eveneens tot een bedrag van € 668,30, te betalen door de gemeente Westerveld;

Bepaalt dat de gemeente Westerveld het in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 256,59 (voorheen f 565,- ) vergoedt.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr A. Beuker-Tilstra en mr K. Zeilemaker als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Okyay-Bloem als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 mei 2002.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) P.M. Okyay-Bloem.

HD

19.04

Q