Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE4370

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-06-2002
Datum publicatie
19-06-2002
Zaaknummer
99/6025 NABW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 8 EVRM strekt niet zover dat bestuursorgaan gehouden is gedetineerde bijstand te verlenen teneinde diens in het buitenland verblijvende gezin te onderhouden.

Beëindiging uitkering ingevolge de Abw per 2 februari 1998, aangezien appellant per laatstgenoemde datum rechtens zijn vrijheid is ontnomen.

De Raad kan appellant niet volgen in diens opvatting dat de beëindiging van de bijstandsverlening tijdens zijn detentie hem de mogelijkheid ontneemt om een financiële bijdrage voor zijn in Marokko verblijvende gezin over te maken, hetgeen een belemmering opwerpt welke niet te verenigen is met het uit art. 8 van het EVRM voortvloeiende recht op gezinsleven. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat uitoefening van het recht op gezinsleven op zich niet wordt belemmerd door de toepassing van de uitsluitingsgrond van art. 9.1.a van de Abw en de hantering van het territorialiteitsbeginsel. De bescherming die art. 8 EVRM biedt strekt niet zover dat het bijstandsverlenend orgaan verplicht is de betrokkene ook tijdens zijn detentie financieel in staat te stellen om zijn in het buitenland verblijvende gezin te onderhouden.

college van burgemeester en wethouders van Nijmegen, gedaagde.

mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans

Wetsverwijzingen
Algemene bijstandswet 9, geldigheid: 2002-06-04
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2002/253
JABW 2002, 124

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

99/6025 NABW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant heeft mr. P.P.F. Tummers, advocaat te Nijmegen, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Arnhem op 2 november 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 23 april 2002. Appellant is daar verschenen in persoon, bijgestaan door mr. Tummers voornoemd, terwijl gedaagde zich, zoals bericht, niet ter zitting heeft doen vertegenwoordigen.

II. MOTIVERING

De Raad gaat uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 14 april 1998 heeft gedaagde de uitkering van appellant ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) met ingang van 2 februari 1998 beëindigd op de grond dat appellant ingaande 2 februari 1998 rechtens zijn vrijheid is ontnomen.

De door appellant tegen het besluit van 14 april 1998 ingediende bezwaren heeft gedaagde bij besluit van 24 augustus 1998 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het namens appellant tegen het besluit van 24 augustus 1998 ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft - kort samengevat - geoordeeld dat gedaagde op grond van de detentie van appellant de bijstandsverlening aan appellant terecht heeft beëindigd, terwijl er evenmin aanleiding was appellant op grond van het door gedaagde gevoerde beleid in aanmerking te brengen voor bijzondere bijstand voor doorbetaling van zijn vaste lasten aangezien niet is gebleken dat hij die heeft.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen die uitspraak gekeerd.

De Raad overweegt het volgende.

In artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Abw is bepaald dat degene aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen, geen recht op bijstand heeft. Uit de wetsgeschiedenis komt naar voren dat dit voorschrift geldt voor het recht op algemene en bijzondere bijstand. Derhalve verzet dit voorschrift zich ertegen dat aan appellant tijdens zijn detentie algemene dan wel bijzondere bijstand wordt verleend.

Ingevolge artikel 11 (oud) van de Abw zijn burgemeester en wethouders bevoegd aan een persoon die geen recht heeft op bijstand, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van paragraaf 1 bijstand te verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.

Gedaagde heeft de aanspraak van appellant op algemene dan wel bijzondere bijstand mede beoordeeld aan de hand van het beleid dat hij in het kader van de hem bij artikel 11 (oud) van de Abw gegeven bevoegdheid als voormeld heeft ontwikkeld. Volgens dat beleid kan - voorzover van belang - bij veroordeling tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gedurende maximaal zes maanden bijzondere bijstand worden verstrekt voor doorbetaling van vaste lasten. Onder vaste lasten dienen te worden verstaan woonlasten zoals huur, gas, water en licht.

De Raad overweegt dat - zoals uit de wetsgeschiedenis naar voren komt - burgemeester en wethouders eerst dan bevoegd zijn met toepassing van artikel 11 (oud) van de Abw bijstand te verlenen, indien in concreto vast staat dat sprake is van een acute noodsituatie. Het onderhavige beleid van appellant gaat daaraan voorbij en is dan ook met artikel 11 (oud) van de Abw in strijd.

Gezien het voorgaande heeft het onderhavige beleid van appellant het karakter van buitenwettelijk beleid. De Raad komt in dit verband een terughoudende toets toe. Met inachtneming hiervan is de Raad niet kunnen blijken dat het bestreden besluit behoort te worden vernietigd. In het bijzonder heeft de Raad vastgesteld dat het bestreden besluit in overeenstemming met het onderhavige buitenwettelijke beleid is genomen. Daartoe overweegt de Raad dat niet is komen vast te staan dat gedurende de periode van zijn detentie woonlasten voor rekening van appellant zijn gekomen.

Naar aanleiding van hetgeen van de zijde van appellant in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad nog het volgende.

Evenals de rechtbank heeft de Raad op grond van de gedingstukken niet tot het oordeel kunnen komen dat in het geval van appellant sprake was van dagdetentie als omschreven in de circulaire van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 14 april 1997, kenmerk BZ VOL/97/7012 inzake detentie en bijstandsverlening, nog daargelaten of appellant hieraan een aanspraak zou kunnen ontlenen op doorbetaling van zijn bijstandsuitkering.

De Raad kan appellant ten slotte niet volgen in diens opvatting dat de beëindiging van de bijstandsverlening tijdens zijn detentie hem de mogelijkheid ontneemt om een financiële bijdrage voor zijn in Marokko verblijvende gezin over te maken, hetgeen een belemmering opwerpt welke niet te verenigen is met het uit artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) voortvloeiende recht op gezinsleven. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat uitoefening van het recht op gezinsleven op zich niet wordt belemmerd door de toepassing van de uitsluitingsgrond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Abw en de hantering van het territorialiteitsbeginsel. De bescherming die artikel 8 van het EVRM biedt strekt niet zover dat het bijstandsverlenend orgaan verplicht is de betrokkene ook tijdens zijn detentie financieel in staat te stellen om zijn in het buitenland verblijvende gezin te onderhouden.

Hetgeen overigens nog door appellant naar voren is gebracht kan de Raad niet tot een ander oordeel leiden.

Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2002.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.