Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE4050

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-02-2002
Datum publicatie
03-07-2002
Zaaknummer
01/3612 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid 10
Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid 38
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/3612 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het bestuur van de Stichting Ziekenhuis Walcheren, te Vlissingen, gedaagde.

1. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellante heeft mr. K.P.T.P. Flos, advocaat te Middelburg, op bij beroepschrift (met bijlagen) aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Middelburg op 17 mei 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde heeft mr. J. van der Wijst, advocaat te Vlissingen, een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 9 januari 2002, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Flos, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. Van der Wijst, voornoemd.

II. MOTIVERING

Aan de gedingstukken ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden.

Appellante is op 16 februari 1993 in dienst getreden van de Stichting Ziekenhuis Walcheren (hierna ook: het Ziekenhuis) in de functie van [functienaam] voor 32 uur per week. Nadat appellante ongeveer twee weken had gewerkt, heeft zij zich ziek gemeld, waarna zij, behoudens een korte periode, niet meer heeft gewerkt. Appellante bleek te lijden aan de ziekte van Bechterew en heeft in verband hiermee voorafgaande aan haar dienstverband met het Ziekenhuis gedurende geruime tijd een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangen. Omdat gedaagde, naar zijn zeggen, hiervan door appellante op het betreffende sollicitatieformulier en bij het medisch onderzoek ten behoeve van haar aanstelling bij het Ziekenhuis opzettelijk slechts gedeeltelijk dan wel onjuist was geïnformeerd, is appellante door gedaagde op 17 november 1993 op staande voet ontslagen.

De kantonrechter heeft bij vonnis van 11 juli 1994 bij wijze van voorlopige voorziening geoordeeld dat dit ontslag geen stand kan houden en heeft het Ziekenhuis veroordeeld tot het betalen van het loon aan appellante met ingang van 18 november 1993 tot de datum van de rechtsgeldige beëindiging van de dienstbetrekking.

Vervolgens vinden er tussen appellante en gedaagde verschillende besprekingen plaats die er toe leiden dat appellante opnieuw voor de geschiktheid voor haar functie wordt gekeurd. De keuring geschiedt in november 1994 door de bedrijfsarts Van Caspel en deze acht appellante voor die functie, bij een arbeidsduur van 20 uur per week, ongeschikt. Hierop volgt een procedure die moet leiden tot een zogeheten second opinion. Omdat naar de opvatting van gedaagde appellante hieraan niet voldoende heeft meegewerkt, is, mede gelet op de voorgeschiedenis, volgens gedaagde sprake van een vertrouwensbreuk met appellante. Een en ander is voor gedaagde aanleiding de kantonrechter te verzoeken de arbeidsovereenkomst te ontbinden, welk verzoek de kantonrechter bij beschikking van 7 mei 1996 met ingang van 1 juni 1996 heeft ingewilligd.

Vervolgens heeft appellante gedaagde verzocht om toekenning van een werkloosheidsuitkering waartoe de tussen appellante en gedaagde ten tijde in geding van toepassing zijnde CAO Ziekenhuis Walcheren de mogelijkheid biedt. De in genoemde CAO opgenomen Uitvoeringsregeling werkloosheidsuitkering (hierna: Uitvoeringsregeling) vloeit voort uit het Besluit van 29 december 1986, Stb. 686 (hierna: het Besluit), houdende een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 10 van de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid, Stb. 1986, 567 (hierna: IWS), welke bepaling aangeeft dat voorschriften kunnen worden gegeven inzake aanspraken bij werkloosheid voor bepaalde groepen van ambtenaren in de zin van de Algemene burgerlijke pensioenwet.

Bij besluit van 14 augustus 1996 heeft gedaagde de gevraagde uitkering geweigerd onder de overweging dat appellante haar ontslag aan eigen schuld of toedoen heeft te wijten, in welk geval ingevolge artikel 3, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling geen recht op uitkering bestaat.

Nadat tussen appellante en gedaagde verschillende gerechtelijke procedures zijn gevoerd, heeft gedaagde uiteindelijk bij besluit van 17 juli 2000 de bezwaren van appellante tegen het besluit van 14 augustus 1996 ongegrond verklaard. Gedaagde heeft zich gesteld achter de overwegingen van de kantonrechter in diens beschikking van 7 mei 1996.

De rechtbank heeft bij de thans aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, het beroep van appellante tegen het besluit van 17 juli 2000 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, samengevat, overwogen dat het oordeel van de kantonrechter wordt gedeeld dat de verzwijging van appellantes ziekte en haar "WAO-verleden" appellante te verwijten is en dat er voor appellante geen gegronde redenen waren om te weigeren mee te werken aan het onderzoek door de commissie van geneeskundigen (de second opinion procedure). Naar het oordeel van de rechtbank heeft gedaagde niet zozeer op beëindiging van het dienstverband aangestuurd omdat appellante ongeschikt was voor haar functie. maar omdat door de hele gang van zaken en de opstelling van appellante het vertrouwen in haar volledig was verdwenen. Hierdoor is, aldus de rechtbank, een vruchtbare samenwerking onmogelijk geworden. ook indien appellante weer arbeidsgeschikt zou worden.

Appellante kan zich met deze uitspraak en de daartoe door de rechtbank gebezigde overwegingen, voor zover betrekking hebbende op het besluit van 17 juli 2000, niet verenigen. Zij stelt zich -samengevat- op het standpunt dat de rechtbank niet op een evenwichtige wijze de rol van beide partijen en de commissie van geneeskundigen in de second opinion procedure heeft gewogen. Deze commissie heeft nagelaten appellante te informeren omtrent de loop van de procedure en heeft appellante ook niet of onvoldoende geïnformeerd omtrent beslissingen onder meer ter zake van de inschakeling van een psychiater als zogeheten derde geneeskundige. Appellante is van mening dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat het ophouden van het vertrouwen van gedaagde in appellante aan haar gedrag is te wijten.

De Raad overweegt het volgende.

De Raad heeft in zijn eerder tussen partijen gewezen uitspraak van 14 oktober 1999, nummer 98/5188 AW geoordeeld dat het besluit van gedaagde ter zake van de aanvraag van appellante om werkloosheidsuitkering moet worden aangemerkt als een beslissing ter uitvoering van het hierboven genoemde Besluit van 29 december 1986, welk Besluit is gebaseerd op artikel 10 van de IWS. In evengenoemde uitspraak is tevens geoordeeld dat een dergelijke beslissing als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet worden beschouwd.

Voorts wijst de Raad er op dat artikel 38 van de IWS, voor zover hier van belang, bepaalt dat beslissingen en uitkeringen op grond van hoofdstuk II van de IWS - waartoe artikel 10 van de IWS behoort - of de daarop berustende bepalingen, voor zover de Werkloosheidswet - zoals deze gold tot 1 januari 1987 - niet van toepassing blijft, voor de toepassing van wettelijke bepalingen worden beschouwd als beslissingen en uitkeringen op grond van de nieuwe Werkloosheidwet.

Allereerst dient de vraag te worden beantwoord of het einde van het dienstverband van appellante aan haar eigen schuld of toedoen is te wijten, met andere woorden of sprake is van verwijtbare werkloosheid.

Evenals de rechtbank is ook de Raad met gedaagde van oordeel dat zulks het geval is. Ook naar het oordeel van de Raad stond het appellante niet vrij zich te onttrekken aan de procedure van de second opinion. Weliswaar moet met appellante geoordeeld worden dat deze, in de voor haar en gedaagde van toepassing zijnde CAO niet in alle opzichten even zorgvuldig is omschreven en dat ook bij de uitvoering van die procedure vraagtekens zijn te zetten, doch dit alles had appellante er niet van mogen weerhouden toch haar medewerking hieraan te verlenen. In ieder geval had zij moeten voldoen aan de oproep van een van de leden van de commissie om duidelijk te maken waarom zij niet wilde meewerken aan (onder meer) een psychiatrisch onderzoek door het Expertise Centrum Rotterdam, mede gelet op het doel van dit onderzoek, te weten het in beeld brengen van de functie van het bewegingsapparaat en de functie van de psyche alsmede de relatie daar tussen. Ook ter zitting van de Raad is appellante er niet in geslaagd haar beweegredenen om zich niet aan een dergelijk onderzoek te onderwerpen duidelijk te maken.

Appellante had er rekening mee moeten houden dat haar gedrag in dezen niet door haar werkgever zou worden geaccepteerd en dat een en ander aanleiding zou kunnen vormen alsnog te komen tot een beëindiging van het arbeidscontract. De Raad heeft hiertoe het volgende van belang geacht.

Nadat het aan appellante eerder gegeven ontslag op staande voet, ingegeven door de opvatting van gedaagde dat appellante bij haar aanstelling in 1993 opzettelijk gegevens betreffende onder meer haar gezondheid had verzwegen, na het vonnis van de kantonrechter van 11 juni 1994 was teruggedraaid en appellante vervolgens geruime tijd loon was betaald zonder dat zij daarvoor had gewerkt, is appellante eind 1995 opnieuw gekeurd voor haar functie van [functienaam]. Die keuring, verricht door een onafhankelijk arts met wiens aanwijzing appellante akkoord ging, viel negatief voor appellante uit en, omdat zij zich met deze uitslag niet kon verenigen, is vervolgens de in de betreffende CAO voor een situatie als hier aan de orde voorziene procedure van de second opinion gestart. Naar het oordeel van de Raad had appellante, gelet ook op de voorgeschiedenis, ondanks haar bezwaren tegen de keuze voor een psychiatrisch onderzoek en ondanks - overigens eerst achteraf namens haar - opgeworpen bezwaren tegen de procedure als zodanig onvoldoende redenen zich te onttrekken aan een tweede geneeskundig onderzoek zoals voorzien in de CAO.

Nu in het geval van appellante sprake is van verwijtbare werkloosheid, is vervolgens de vraag aan de orde welke gevolgen hieraan kunnen dan wel moeten worden verbonden ter zake van het recht op uitkering.

Artikel 3, eerste lid, van het Besluit houdt in dat voor de betreffende werknemer de voorschriften van het Besluit in acht worden genomen omtrent diens aanspraken bij werkloosheid. Deze voorschriften vinden geen toepassing, zo is verder in het tweede lid van dit artikel bepaald, ten aanzien van de werknemer op wie een regeling betreffende aanspraken op uitkering bij werkloosheid van het lichaam van toepassing is, voor zover die regeling hem geen mindere aanspraken ter dier zake verleent dan de regeling overeenkomstig de voorschriften van het Besluit.

lngevolge artikel 3, vijfde lid, van de in de CAO vervatte Uitvoeringsregeling wordt indien het ontslag aan eigen schuld of toedoen is te wijten in het geheel geen uitkering verstrekt. Deze bepaling is als een verplichting geformuleerd en voorts is van enige beperking in duur dan wel omvang van de weigering geen sprake.

Artikel 15 van het meergenoemde Besluit van 29 december 1986 bepaalt dat indien de werknemer -kort gezegd- verwijtbaar werkloos is geworden de bevoegdheid bestaat de uitkering blijvend geheel te weigeren, tijdelijk of blijvend gedeeltelijk te weigeren of de uitkeringsduur te beperken.

Vergelijking van artikel 3, vijfde lid, van 'de Uitvoeringsregeling met artikel 15 van het Besluit wijst uit dat de eerstgenoemde bepaling imperatief voorschrijft dat de gevraagde uitkering bij wijze van sanctie blijvend geheel wordt geweigerd, terwijl in laatstgenoemde bepaling sprake is van een bevoegdheid een sanctie op te leggen waarbij de blijvend gehele weigering van de uitkering slechts een van de sanctiemogelijkheden is.

Nu de Uitvoeringsregeling op het voormelde punt minder gunstig voor appellante is dan het Besluit dient op grond van het tweede lid van artikel 3 van het Besluit voorrang te worden toegekend aan artikel 15 van het Besluit boven artikel 3, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling. Ook indien ten tijde hier in geding de Uitvoeringsregeling mogelijkerwijs niet meer van toepassing was, dan gelden ingevolge artikel 3, eerste lid, van het Besluit de voorschriften van het Besluit ter zake van de aanspraken bij werkloosheid.

Gelet op alle omstandigheden van het geval is de Raad van oordeel dat gedaagde bij afweging van alle belangen in redelijkheid niet heeft kunnen komen tot het besluit de uitkering blijvend geheel te weigeren. Zoals hierboven reeds is overwogen had appellante, in aanmerking genomen de voorgeschiedenis, zich weliswaar niet mogen onttrekken aan de second opinion procedure, doch in dit geval is evenwel geen sprake van een zodanig wangedrag van appellante dat aanleiding bestaat voor oplegging van de zwaarst mogelijke sanctie, zijnde de blijvend gehele weigering van de uitkering. De Raad wijst er in dit verband op dat appellante terecht heeft doen aanvoeren dat de procedure van de second opinion niet in alle opzichten even zorgvuldig is geregeld en ook niet erg duidelijk is uitgevoerd. De Raad kan uit de gedingstukken niet opmaken dat appellante door de van de commissie deeluitmakende, door gedaagde aangewezen, geneeskundige tijdig en adequaat is uitgelegd waarom onderzoek door een psychiater noodzakelijke werd geacht. Verder is van belang dat appellante van de voor de betreffende commissie door haar aangewezen geneeskundige, haar behandelend internist, had vernomen dat er geen reden bestond voor het inschakelen van een psychiater.

Voorts is de Raad van oordeel dat de voorgeschiedenis niet uitsluitend op het conto van appellante kan worden geschreven. Zoals ook de kantonrechter in zijn beschikking van 7 mei 1996 heeft overwogen, mag ook gedaagde zich zelf verwijten dat bij de aanstellingskeuring geen vragen zijn gesteld toen appellante het betreffende formulier niet volledig had ingevuld. De toenmalige keuringsarts had nauwkeuriger en vollediger informatie kunnen inwinnen toen tijdens de aanstellingskeuring duidelijk werd dat er bij appellante mogelijk sprake was van de ziekte van Bechterew.

Uit het vorenstaande volgt dat de sanctie in de vorm van een blijvend gehele weigering van de uitkering niet de rechterlijke toetsing kan doorstaan. De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit kunnen derhalve niet in stand blijven.

De Raad overweegt tenslotte nog het volgende.

Ter zake van het dienstverband van appellante met gedaagde voeren partijen reeds sedert 1993 allerlei (gerechtelijke) procedures en is voorts getracht het tussen hen bestaande geschil door middel van een minnelijke schikking op te lossen.

Noch langs de weg van de procedures noch door middel van een schikking is het geschil tot een oplossing gekomen. Ook in het geding dat thans tot deze uitspraak van de Raad leidt, komt het niet tot een finale beslechting van het geschil.

Mede gelet op de door appellante ter zitting van de Raad geuite wens dat er zo snel mogelijk een einde komt aan de tussen haar en gedaagde bestaande rechtsstrijd, komt het de Raad voor dat - bij wijze van overwegingen ten overvloede - moet worden aangegeven welke sanctie wel de toetsing van de Raad zou kunnen doorstaan.

Zoals hiervoor is overwogen dient in dit geval toepassing te worden gegeven aan artikel 15 van het Besluit boven artikel 3, vijfde lid, van de Uitvoeringsregeling.

Gedaagde heeft met betrekking tot de uitvoering van artikel 15 van het Besluit geen afzonderlijk beleid ontwikkeld. Wel heeft gedaagde in zijn tijdens de procedure voor de rechtbank ingediende verweerschrift aangegeven dat bij de boordeling van aanvragen voor werkloosheidsuitkeringen rekening wordt gehouden met de wettelijke bepalingen en de ten aanzien van die bepalingen gevormde jurisprudentie.

Artikel 15 van het Besluit komt overeen met artikel 27 van de Werkloosheidwet (WW) zoals dat artikel tot 1 augustus 1996 luidde.

De toenmalige Sociale Verzekeringsraad heeft bij Besluit van 17 maart 1994, Stcrt. 1994, 61 (hierna: SVr-Sanctiebesluit) regels gesteld omtrent de wijze waarop van de in artikel 27 (oud) van de WW opgenomen sanctiebevoegdheid gebruik wordt gemaakt. Met betrekking tot het niet nakomen van een verplichting van de vijfde categorie, waartoe wordt gerekend de verplichting van de werknemer te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt, kan een sanctie worden opgelegd in de vorm van een korting van 10% gedurende 8 weken, 20% gedurende 16 weken, 30% gedurende 21 weken, 30% gedurende 42 weken dan wel gehele weigering van de uitkering over de volledige of resterende uitkeringsduur. Welke sanctie in het concrete geval van toepassing is, is afhankelijk van de mate waarin de gedraging of nalatigheid van de werknemer naar het oordeel van het betreffende uitvoeringsorgaan kan worden verweten.

Ten aanzien van de zwaarte van de sanctie heeft de Raad in het kader van de toepassing van de WW overwogen, zie onder meer zijn uitspraak van 14 augustus 1990, RSV, 1990/357, dat gelet op doel en strekking van de WW in het bijzonder de graad van voorzienbaarheid van werkloosheid een voor de hand liggende maatstaf is bij de hantering van de in artikel 27 van de WW neergelegde bevoegdheid tot het treffen van een sanctie in het geval sprake is van verwijtbare werkloosheid.

In de thans voorliggende situatie zou naar het oordeel van de Raad moeten worden gezegd dat appellante er ernstig rekening mee diende te houden dat gedaagde, toen eenmaal duidelijk was dat appellante niet wilde meewerken aan de second opinion procedure, mede gelet op hetgeen hieraan vooraf was gegaan, het dienstverband tot een einde wilde laten komen. Gelet hierop overweegt de Raad dat een sanctie in de vorm van een korting van 30% gedurende 42 weken zijn toetsing zou kunnen doorstaan.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor in eerste aanleg verleende rechtsbijstand alsmede .€ 2,40 aan reiskosten en op € 644,-- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand en € 33,36 aan reiskosten.

Derhalve moet als volgt worden beslist.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep.

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, en vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag groot € 1.323.76; Bepaalt dat gedaagde aan appellante het betaalde griffierecht van in totaal € 104,37 (f 230,--) vergoedt.

Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. Th.C. van Sloten en mr. Th.M. Schelfhout als leden in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2002.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) M.D.F. de Moor.

GdJ

112