Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE3942

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-05-2002
Datum publicatie
27-06-2002
Zaaknummer
00/2786 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Algemene wet bestuursrecht 6:11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2002, 338 met annotatie van H.E. Bröring
TAR 2003/6
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/2786 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het Bestuur van de Stichting Dienst Waterbeheer en Riolering Amsterdam en Amstel, Gooi en Vechtstreek, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellant is op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 april 2000, nr. AW 99/8844/157, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 12 april 2002, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. L.M. Oldenburg, advocaat te Amsterdam, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. S.F. Baraké, verbonden aan Vijverberg Juristen B.V., en A.A. Beelen, werkzaam bij gedaagde.

II. MOTIVERING

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was in 1997 als zuiveringstechnicus in dienst bij gedaagde en werd bezoldigd naar het maximum van schaal 6. Voorts genoot hij een persoonlijke toelage van 10% (ruim f 400,-).

1.2. Krachtens besluit van 23 januari 1998 is appellant per 1 januari 1998 bevorderd naar schaal 7. Hij is toen bezoldigd naar het maximum van die schaal.

Appellant heeft - zoals ook blijkt uit de desbetreffende salarisspecificaties - vanaf de salarisbetaling in januari 1998 de persoonlijke toelage (op een bedrag van f 13,91 na) niet meer ontvangen. Hij heeft daarover diverse malen mondeling contact gehad met functionarissen van gedaagde.

1.3. Naar aanleiding van het door hem ontvangen besluit van 13 november 1998 betreffende de uitkomst functietypering en -waardering heeft appellant er bij schrijven van 16 december 1998 bezwaar tegen gemaakt dat hem "een deel van zijn wedde" (de persoonlijke toelage) is afgenomen. Dat bezwaar is bij bestreden besluit van 27 juli 1999 niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.

1.4. Het door appellant tegen dat besluit ingestelde beroep is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat uit de vanaf januari 1998 aan appellant verzonden salarisspecificaties is af te leiden dat appellants persoonlijke toelage is verminderd en dat de aan dergelijke specificaties ten grondslag liggende uitbetalingen zijn te beschouwen als uitvoeringshandelingen, waartegen appellant eind januari 1998 bezwaar had dienen te maken op grond van artikel 8:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2. Appellant, die heeft ontkend dat hij het bevorderingsbesluit van 23 januari 1998 heeft ontvangen, heeft onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 15 juli 1993, TAR 1993, 193, het oordeel van de rechtbank betwist.

3. Namens gedaagde is gesteld dat appellant uit het bevorderingsbesluit van 23 januari 1998 had kunnen afleiden dat zijn toelage was ingebouwd en dat hij dit voorts had kunnen opmaken uit de (specificaties van de) maandelijkse salarisbetalingen. Er is op gewezen dat appellant zich de gewraakte wijziging destijds reeds bewust was nu hij, blijkens de bewoordingen van het bezwaarschrift van 16 december 1998, al een aantal keren bij zijn chef en personeelsadviseur had gemeld dat hem, naar zijn mening, een deel van zijn salaris was afgenomen.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Uit de onder 1.2. vermelde feiten blijkt dat appellant in ieder geval vanaf de salarisbetaling in januari 1998 wist dat hem de persoonlijke toelage van 10% niet meer (apart) werd betaald. De desbetreffende salarisspecificatie liet daarover, ook in vergelijking met de specificatie over de maand december 1997, geen misverstand bestaan. In zijn bezwaarschrift van 16 december 1998 geeft appellant aan dat hij zijn verontwaardiging hierover heeft uitgesproken bij zijn directe chef en de personeelsadviseur. Voorts stelt hij daarin: "Nu mijn functietyperings-waarderingsbeschikking is toegezonden, kom ik hierop terug."

4.2. Met betrekking tot de mogelijkheid van bezwaar en beroep tegen een salarisbetaling herhaalt de Raad hetgeen hij heeft overwogen in zijn uitspraak van 1 maart 2001, nr. 98/4357 AW: "Naar vaste jurisprudentie van de Raad (zie CRvB 25 april 1985, TAR 1985, 144) ligt aan elke (meestal: maandelijkse) betaling van salaris of uitkering een besluit tot zodanige betaling ten grondslag. Tegen zodanig besluit, dat in de regel - wanneer een (ander) geschrift van het bestuursorgaan waarin de daartoe strekkende beslissing is neergelegd, ontbreekt - zichtbaar wordt in een salaris- of uitkeringsspecificatie, kan bezwaar worden gemaakt en vervolgens beroep worden ingesteld (zie CRvB 22 april 1999, TAR 1999, 94 en 24 juni 1999, TAR 1999, 123). Indien bij de specificatie niet geheel is voldaan aan de eisen die ingevolge de Awb worden gesteld aan de motivering en de bekendmaking van besluiten, wordt door die gebreken het besluitkarakter niet aangetast (zie ook CRvB 29 februari 2000, AB 2000, 443). De Raad maakt van de gelegenheid gebruik om deze jurisprudentie te preciseren. De rechtsgeldigheid van een reeds eerder in rechte onaantastbaar geworden besluit waarbij omtrent de grondslag van periodiek te betalen salaris of uitkering is beslist, kan niet bij elke betaling opnieuw (integraal) aan de orde worden gesteld. Voorzover over een element van de salaris- of uitkeringsvaststelling al bij een eerdere (beslissing tot) betaling is beslist en dit element toen niet is aangevochten, is die salaris- of uitkeringsvaststelling in zoverre onaantastbaar geworden. Indien bij een periodieke betaling een wijziging optreedt ten opzichte van de vorige betaling, heeft dus te gelden dat in beginsel slechts sprake is van een besluit voorzover een beslissing is genomen met betrekking tot de wijziging. Te denken valt aan de toepassing van een korting, waarbij de grondslag van de uitkering overigens geen wijziging ondergaat (en ook niet behoefde te ondergaan). In dat geval is slechts de beslissing tot toepassing van de korting een (nieuw) besluit. Aangezien over de grondslag overigens niet nader is beslist (en daarover niet nader beslist behoefde te worden), is in zoverre sprake van een herhaling van een reeds eerder genomen beslissing en dus niet van een (nieuw) besluit. Indien bij een gebruikelijke periodieke betaling geen wijziging optreedt ten opzichte van de vorige betaling is in het algemeen geen sprake van een besluit. Dit is anders indien en voorzover die niet-wijziging een weigering impliceert van een besluit dat genomen had behoren te zijn. Te denken valt aan de weigering het salaris- of uitkeringsbedrag aan te passen in verband met een uit een toepasselijke rechtsregel voortvloeiende trendmatige verhoging."

4.3.1. Ten aanzien van het bezwaarschrift van appellant van 16 december 1998 moet dan worden vastgesteld dat het zich niet richtte tegen het besluit van 13 november 1998 betreffende de functietypering en functiewaardering. Zoals onder 1.3. is aangegeven, was het bezwaarschrift weliswaar ingediend naar aanleiding van de ontvangst van dat besluit, maar was het gericht tegen de beëindiging van de peroonlijke toelage van 10%, waarover het functietyperings- en -waarderingsbesluit niet handelt.

4.3.2. Van een ontvankelijk bezwaar tegen de salarisbetaling van november of december 1998 kan voorts, in het licht van hetgeen onder 2. is overwogen, evenmin worden gesproken. Bij die betaling was immers niet (opnieuw) beslist over de persoonlijke toelage; dat was in januari 1998 reeds, voor appellant kenbaar, geschied.

4.4. De Raad kan daarom slechts vaststellen dat op 16 december 1998 de termijn om bezwaar te maken tegen de beëindiging van de persoonlijke toelage in januari 1998 was overschreden. Het bezwaar was daarom niet-ontvankelijk.

De Raad is voorts van oordeel dat zich hier niet een situatie voordoet als bedoeld aan het slot van artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht, op grond waarvan ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft. Ook indien in aanmerking wordt genomen dat onder de salarisspecificaties een rechtsmiddelverwijzing ontbrak, kan niet worden gezegd dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant in verzuim is geweest door te volstaan met het uitspreken van zijn verontwaardiging en eerst in december 1998 bezwaar te maken.

5. De Raad komt dan ook tot de slotsom dat de bij het bestreden besluit uitgesproken niet-ontvankelijkverklaring van appellants bezwaar op goede gronden berust. Nu de rechtbank, zij het op andere gronden, het bestreden besluit in stand heeft gelaten, moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

6. Gelet op het bovenstaande en omdat de Raad geen termen aanwezig acht om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van S. van der Zee als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 mei 2002.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) S. van der Zee.

CVG

Q