Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE3770

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-05-2002
Datum publicatie
06-06-2002
Zaaknummer
00/3819 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Handelen in strijd met eigen beleid ten aanzien van einde wachttijd in casu geen reden tot vernietiging.

Weigering WAO-uitkering onder overweging dat gedaagde na afloop van de wachttijd op 17 november 1998 minder dan 15% arbeidsongeschikt was.

In de bijlage bij het inmiddels vervallen Besluit einde wachttijd is het beleid opgenomen dat appellant hanteerde bij beslissingen over al dan niet toekenning van WAO-uitkeringen of voorschotten per einde wachttijd. De Raad overweegt dat, hoewel zulks niet uitdrukkelijk in voormelde bijlage is neergelegd, uit inhoud en strekking van deze bijlage duidelijk naar voren komt dat in een geval als dit alleen dan vóór einde wachttijd een aanzegging of beslissing omtrent het resultaat van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling aan betrokkene wordt uitgebracht indien deze beoordeling zowel wat het medische als wat het arbeidskundige aspect daarvan betreft geheel tot afronding is gekomen en dat, indien appellant daarin niet slaagt, een beslissing omtrent (al dan niet) toekenning van een voorschot dient te worden genomen.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat in dit geval het medisch onderzoek van de verzekeringsarts eerst op 20 november 1998 kenbaar tot een afronding was gekomen. Op deze datum was de wachttijd van 52 weken als bedoeld in art. 19 van de WAO reeds verstreken. Hoewel dit meebrengt dat appellant met het nemen van zijn primaire besluit op 16 november 1998 heeft gehandeld in strijd met het door hem zelf vastgestelde beleid, ziet de Raad daarin, anders dan de Rb., geen grond gelegen voor een vernietiging van het bestreden besluit, waarbij het besluit van 16 november 1998 is gehandhaAfdeling Daarbij wijst de Raad er allereerst op dat het al dan niet verstrekken van een voorschot aan gedaagde in dit geval niet in geschil was of is. Daarenboven overweegt de Raad, strikt genomen ten overvloede, nog dat appellant in dit geval volgens het beleid niet gehouden was om per einde wachttijd een voorschot toe te kennen en dat namens appellant ter zitting desgevraagd is verklaard dat een zodanig voorschot te dezen stellig ook niet zou zijn verleend, gelet op de bij einde wachttijd al bekende medische en arbeidskundige bevindingen. De Raad kan dit niet onjuist of onredelijk achten en voegt daaraan nog toe dat toegekende voorschotten volgens het beleid na daaropvolgende weigering van arbeidsongeschiktheidsuitkering worden verrekend of teruggevorderd.

De Raad kan dan ook niet inzien dat er met de vernietiging van het bestreden besluit door de rechtbank enig redelijk belang van gedaagde is gediend.

De Raad van bestuur van het UWV, appellant.

mrs. J.Th. Wolleswinkel, M.S.E. Wulffraat-van Dijk, prof. mr. W.M. Levelt-Overmars

Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 19

Besluit einde wachttijd en uitlooptermijn WAO, WAZ en Wajong van 1 april 1998, Stcrt. 1998, 70 (vervallen) 1

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:69
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2002, 192
USZ 2002/174
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/3819 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 16 november 1998 heeft appellant geweigerd aan gedaagde een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, onder overweging dat gedaagde na afloop van de wachttijd op 17 november 1998 minder dan 15% arbeidsongeschikt was.

Bij het bestreden besluit van 25 januari 1999 heeft appellant het bezwaar van gedaagde tegen het besluit van 16 november 1998 ongegrond verklaard.

De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 14 juni 2000 het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd, met bepalingen inzake vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

Namens gedaagde heeft mr. W. Hoebba, advocaat te Amsterdam, een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft daarop gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 25 januari 2002, waar namens appellant is verschenen mr. J.B. van der Horst, werkzaam bij het Uwv, terwijl gedaagde en zijn gemachtigde, zoals schriftelijk aangekondigd, niet zijn verschenen.

II. MOTIVERING

Aan de aangevallen uitspraak ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden, welke hij als vaststaand aanneemt.

Gedaagde, laatstelijk werkzaam als medewerker bij een congrescentrum voor 32 uur per week, heeft zich op 19 november 1997 ziek gemeld vanuit de Werkloosheidswet met rugklachten. Vervolgens heeft hij ook psychische klachten gekregen. De verzekeringsarts M.R.M. Enneking heeft gedaagde op 19 oktober 1998 onderzocht en op die dag, in afwachting van informatie van de behandelend psychiater, een voorlopig belastbaarheidspatroon opgesteld, waarin naast beperkingen wegens de rugklachten ook een groot aantal psychische beperkingen is opgenomen. Bij brief van eveneens 19 oktober 1998 heeft deze verzekeringsarts de behandelend psychiater P.E. Wartena om informatie verzocht. De arbeidsdeskundige A. Muller heeft in een op 10 november 1998 met gedaagde gevoerd gesprek meegedeeld dat gedaagde niet langer geschikt is voor zijn eigen werk van medewerker bij een congrescentrum, maar dat hij wel in staat wordt geacht om met passende functies zoals draadvlechter, printmonteur, produktiemedewerker en schoonmaker verpleegafdeling een zodanig inkomen te verwerven dat geen verlies aan verdiencapaciteit optreedt. Vervolgens heeft appellant bij zijn in rubriek I vermelde besluit van 16 november 1998 geweigerd gedaagde per 17 november 1998 in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de WAO. Op 20 november 1998 heeft de verzekeringsarts Enneking vervolgens gerapporteerd dat de op 11 november 1998 verstrekte informatie van de psychiater Wartena geen aanleiding heeft gegeven om gedaagde meer beperkt te achten dan reeds aangegeven in het belastbaarheidspatroon van 19 oktober 1998.

In het kader van de bezwaarprocedure heeft gedaagde informatie overgelegd van de psychiater A. Lisei, die begin november 1998 de behandeling van de psychiater Wartena had overgenomen. Deze informatie alsmede het verhandelde tijdens de hoorzitting is voor de bezwaarverzekeringsarts W. Ruitenberg geen aanleiding geweest het door de verzekeringsarts Enneking opgestelde belastbaarheidspatroon bij te stellen, waarna appellant bij het bestreden besluit de bezwaren van gedaagde tegen het besluit van 16 november 1998 ongegrond heeft verklaard.

De rechtbank heeft zich in de aangevallen uitspraak gesteld achter de medische en arbeidskundige bevindingen van de zijde van appellant, doch heeft vervolgens overwogen dat het besluit van 16 november 1998 niet is gebaseerd op een volledig en derhalve zorgvuldig medisch onderzoek, aangezien appellant tot weigering van de uitkering heeft besloten terwijl de door de verzekeringsarts noodzakelijk geachte informatie van de behandelend psychiater van gedaagde nog niet voorhanden was. Gezien het feit dat het medisch onderzoek pas op 20 november 1998 was afgerond heeft naar het oordeel van de rechtbank vóór die datum geen geldige aanzegging inzake gedaagdes arbeidsongeschiktheid kunnen plaatsvinden. Aangezien de wachttijd van 52 weken reeds op 17 november 1998 was verstreken had het op de weg van appellant gelegen toepassing te geven aan het Besluit einde wachttijd en uitlooptermijn WAO, WAZ en Wajong van 1 april 1998, Stcrt. 1998, 70 (hierna: "Besluit einde wachttijd").

Gelet hierop heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd.

Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat niet is uitgesloten dat de primaire verzekeringsarts de aanvullende informatie van de psychiater Wartena vóór de afgifte van het besluit op 16 november 1999 onder ogen heeft gehad. In dat geval zou het oordeel van de rechtbank berusten op een onjuist beeld van de feiten. Voorts heeft appellant ten aanzien van de voorbereiding van medische besluiten opgemerkt dat een besluit terzake van arbeidsongeschiktheid in zijn algemeenheid dient te zijn gebaseerd op een volledig en voldoende zorgvuldig medisch onderzoek. Daarbij dient, aldus appellant, aan de verzekeringsarts de verantwoordelijkheid te worden gelaten of hij bij einde wachttijd op eigen waarneming en onderzoek bij een verzekerde een bepaalde objectiveerbare afwijking meent te kunnen waarnemen, rechtstreeks samenhangend met ziekte of gebrek. Indien dit het geval is en de bepaling van de omvang van de afwijking in combinatie met de hoeveelheid nog te duiden functies aanleiding geeft om te veronderstellen dat er geen sprake is van vermoedelijke toekenning van uitkering, kan het afgeven van een beslissing met betrekking tot een weigering van uitkering bij einde wachttijd niet in strijd genoemd worden met het "Besluit einde wachttijd".

Onder bepaalde omstandigheden kan, indien de betrokkene onder behandeling van artsen is, het niet inwinnen van informatie bij die artsen tot gevolg hebben dat strijd aanwezig geacht moet worden met de eis dat er een volledig en zorgvuldig onderzoek moet hebben plaatsgevonden. Zulks zal van geval tot geval beoordeeld moeten worden.

In het onderhavige geval heeft de verzekeringsarts Enneking ervoor gekozen om ter completering van zijn beeld wel de nadere informatie in te winnen. Dit leidde ertoe dat de bij brief van 11 november 1998 verstrekte informatie van de psychiater Wartena bevestigde hetgeen Enneking uit eigen waarneming en uit de observaties van de ziektewetarts reeds ten grondslag had gelegd aan de medische beslissing en het daarmee samenhangende belastbaarheidspatroon van 19 oktober 1998. Dit laatste was onder voorbehoud opgesteld doch met aanzienlijke beperkingen ten aanzien van de psychische belastbaarheid en de rugfunctie. Op deze wijze gaf de verzekeringsarts niet alleen gestalte aan zijn eigen anamnese en verdere bevindingen, doch incorporeerde hij tevens reeds de door hem op grond van deze bevindingen verwachte rapportage van de behandelende psychiater die, naar naderhand is gebleken, inderdaad geen nieuwe gezichtspunten ten aanzien van de medische situatie van gedaagde op 17 november 1998 opleverde. De ruime hoeveelheid functies die met deze beperkingen nog vervuld kon worden, ondersteunde de stelling dat betrokkene met zijn beperkingen nog over een aanzienlijke restcapaciteit beschikte en rechtvaardigde de keus om betrokkene bij einde wachttijd tijdig op de hoogte te stellen van het feit dat hij minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht in het kader van de WAO en derhalve niet in aanmerking kwam voor een uitkering krachtens die wet.

Gedaagde heeft van zijn kant naar voren gebracht dat de hem voorgehouden functies medisch niet als passend kunnen worden beschouwd. Hij stelt zich verder op het standpunt dat niet juist is het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit niet op arbeidskundige gronden kan worden vernietigd.

De Raad overweegt naar aanleiding van de grief van appellant het volgende.

Ingevolge artikel 1 van het inmiddels vervallen "Besluit einde wachttijd", voor zover hier van belang, hanteerde appellant bij beslissingen over al dan niet toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen of voorschotten per einde wachttijd op grond van de WAO het beleid als weergegeven in de bijlage bij dit besluit.

In deze bijlage is onder meer het volgende opgenomen:

"-De uitvoeringsinstelling licht de verzekerde schriftelijk in omtrent de bevindingen over zijn arbeidsongeschiktheid, de ingangsdatum van de uitkering of de datum waarop uitkering geweigerd wordt en de arbeidsmogelijkheden. Dit kan via een brief (schriftelijke aanzegging) of de beslissing.

-De uitvoeringsinstelling kent geen arbeidsongeschiktheidsuitkering toe, indien voor einde wachttijd of toekenningstermijn schriftelijk aan de verzekerde is aangezegd dat hij per einde wachttijd respectievelijk toekenningstermijn minder dan 15/25% arbeidsongeschikt is.

(....)

-Indien de verzekerde tijdig (binnen 9 maanden na aanvang arbeidsongeschiktheid) een aanvraag heeft ingediend, op einde wachttijd nog geen aanzegging heeft plaats gevonden en er geen loondoorbetalingsplicht is voor de werkgever en ook geen recht op wachtgeld ten laste van de werkgever bestaat, verstrekt de uitvoeringsinstelling per einde wachttijd een voorschot naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. De uitvoeringsinstelling deelt aan de verzekerde mee dat een voorschot wordt verstrekt en dat deze wordt beëindigd met ingang van de dag na datum beschikking omtrent de mate van arbeidsongeschiktheid. Een eventuele arbeidsongeschiktheidsuitkering gaat per einde wachttijd in.

-Indien de voorlopige gegevens van de uitvoeringsinstelling daartoe aanleiding geven kan de uitvoeringsinstelling een lager voorschot verstrekken of voorschot weigeren. Dit laatste geldt met name in de situatie dat het onderzoek naar de mate van arbeidsongeschiktheid is afgerond, maar de schriftelijke aanzegging niet voor einde wachttijd heeft plaatsgevonden."

De Raad overweegt dat, hoewel zulks niet uitdrukkelijk in voormelde bijlage is neergelegd, uit inhoud en strekking van deze bijlage duidelijk naar voren komt dat in een geval als dit alleen dan vóór einde wachttijd een aanzegging of beslissing omtrent het resultaat van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling aan betrokkene wordt uitgebracht indien deze beoordeling zowel wat het medische als wat het arbeidskundige aspect daarvan betreft geheel tot afronding is gekomen en dat, indien appellant daarin niet slaagt, een beslissing omtrent (al dan niet) toekenning van een voorschot dient te worden genomen.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat in dit geval het medisch onderzoek van de verzekeringsarts eerst op

20 november 1998 kenbaar tot een afronding was gekomen. Op deze datum was de wachttijd van 52 weken als bedoeld in artikel 19 van de WAO reeds verstreken. Hoewel dit meebrengt dat appellant met het nemen van zijn primaire besluit op 16 november 1998 heeft gehandeld in strijd met het door hem zelf vastgestelde beleid, ziet de Raad daarin, anders dan de rechtbank, geen grond gelegen voor een vernietiging van het bestreden besluit, waarbij het besluit van 16 november 1998 is gehandhaafd. Daarbij wijst de Raad er allereerst op dat het al dan niet verstrekken van een voorschot aan gedaagde in dit geval niet in geschil was of is. Daarenboven overweegt de Raad, strikt genomen ten overvloede, nog dat appellant in dit geval volgens het beleid niet gehouden was om per einde wachttijd een voorschot toe te kennen en dat namens appellant ter zitting desgevraagd is verklaard dat een zodanig voorschot te dezen stellig ook niet zou zijn verleend, gelet op de bij einde wachttijd al bekende medische en arbeidskundige bevindingen. De Raad kan dit niet onjuist of onredelijk achten en voegt daaraan nog toe dat toegekende voorschotten volgens het beleid na daaropvolgende weigering van arbeidsongeschiktheidsuitkering worden verrekend of teruggevorderd. De Raad kan dan ook niet inzien dat er met de vernietiging van het bestreden besluit door de rechtbank enig redelijk belang van gedaagde is gediend.

Voorzover de primaire besluitvorming op het hiervoor besproken onderdeel als onzorgvuldig is te kenschetsen, is deze onzorgvuldigheid in de bezwaarfase hersteld. Uit de overwegingen van de rechtbank leidt de Raad af dat dit ook het oordeel van de rechtbank is.

Met betrekking tot de door gedaagde in hoger beroep naar voren gebrachte grieven merkt de Raad op dat deze buiten bespreking moeten blijven omdat zij het in hoger beroep aan de orde zijnde onderwerp van geschil te buiten gaan. Het door appellant ingestelde hoger beroep is immers beperkt tot het hiervoor besproken onderdeel van de uitspraak van de rechtbank en dit onderdeel is niet verweven met het onderdeel van het bestreden besluit en die uitspraak, waarop de grieven van gedaagde zien. Daarbij acht de Raad van belang dat de rechtbank uitdrukkelijk heeft overwogen dat er geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de belastbaarheid van gedaagde van de zijde van appellant onjuist is vastgesteld alsook dat gedaagde in staat moest worden geacht de voor hem geselecteerde functies te vervullen. Gelet hierop bestond er voor gedaagde alle aanleiding om, als hij zich hiermede niet kon verenigen, zelf ook hoger beroep in te stellen tegen de uitspraak van de rechtbank, hetgeen hij echter niet heeft gedaan. Ten gevolge van het hoger beroep van appellant is het belang van gedaagde bij een beoordeling door de Raad van zijn eerder bedoelde grieven niet anders komen te liggen. Gelet op een en ander dienen deze grieven hier buiten beschouwing te blijven.

Het vorenstaande leidt de Raad tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, voor vernietiging in aanmerking komt en dat het inleidend beroep alsnog ongegrond dient te worden verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten;

Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.

Aldus gegeven door mr. J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk en prof. mr. W.M. Levelt-Overmars als leden, in tegenwoordigheid van mr. N.E. Nijdam als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2002.

(get.) J.Th. Wolleswinkel.

(get.) N.E. Nijdam.

PK