Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE3761

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-03-2002
Datum publicatie
06-06-2002
Zaaknummer
01/2839 WSF en 01/2840 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de studiefinanciering 22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2002/194
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/2839 en 01/2840 WSF

U I T S P R A A K

in de gedingen tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, hierna tezamen te noemen: appellanten,

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN

Bij twee afzonderlijke besluiten van 4 maart 2000 heeft gedaagde de verzoeken van appellant en appellante om de korting op de aanvullende (prestatie)beurs van hun kinderen [kind I] en [kind II] ter zake van het studiejaar 2000 te baseren op hun respectievelijke inkomens over een recenter jaar dan het peiljaar 1997 afgewezen op de grond dat de daling van het gezamenlijk inkomen over 1998 behoort tot de normale risico's van hun beroep of de manier waarop zij hun inkomen verwerven.

Namens appellanten heeft A.P.M. Janssen, werkzaam bij Vista accountants & belastingadviseurs, bij twee afzonderlijke bezwaarschriften van 13 april 2000 tegen beide besluiten bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 8 juni 2000 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde de bezwaren van appellanten tegen de besluiten van 4 maart 2000 ongegrond verklaard.

De rechtbank Roermond heeft bij uitspraak van 26 maart 2001 het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Op bij aanvullend beroepschrift d.d. 22 augustus 2001 uiteengezette gronden heeft mr. J.M. Beumers, kantoorgenoot van Janssen, voornoemd, namens appellanten tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft twee gelijkluidende verweerschriften, gedateerd 10 september 2001 en 20 september 2001, ingediend, het eerste inzake het hoger beroep van appellant en het tweede inzake het hoger beroep van appellante.

Bij schrijven van 21 december 2001 is namens appellanten een vanwege de Raad gestelde vraag beantwoord en zijn nadere stukken overgelegd.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 15 februari 2002, waar appellanten niet zijn verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Naber, werkzaam bij de Informatie Beheer Groep.

II. MOTIVERING

Bij besluiten van 17 oktober 1999, berichten ouder 2000, no. 1, heeft gedaagde de korting op de aanvullende (prestatie)beurs voor het jaar 2000 van twee kinderen van appellanten, dochter [kind I] en zoon [kind II], vastgesteld aan de hand van de inkomens van appellant en appellante in het jaar 1997. Ten aanzien van appellant is gedaagde daarbij uitgegaan van een inkomen in dat jaar van € 24.605,32 (f 54.223,-) en ten aanzien van appellante van een inkomen in dat jaar van € 26.282,95 (f 57.920,-). Bij besluiten van 23 oktober 1999, berichten ouder 2000, no. 2, heeft gedaagde de vastgestelde kortingen gewijzigd in verband met het alsnog meetellen van [kind III], schoolgaande zoon van appellanten.

Appellanten hebben bij aanvraagformulieren, gedateerd 27 januari 2000, verzocht om verlegging van het peiljaar. Zij hebben daarbij aangegeven dat door slechte bedrijfsresultaten hun inkomens tussen 1 juli 1997 en 1 juli 1998 zijn gedaald en hebben berekeningen overgelegd van hun belastbare inkomens in het jaar 1998.

Bij besluiten van 4 maart 2000, berichten ouder 2000, no. 3, heeft gedaagde het verzoek van appellant en het verzoek van appellante afgewezen op de grond dat de daling van het gezamenlijk inkomen over 1998 behoort tot de normale risico's van het beroep of de manier waarop appellanten hun inkomens verwerven. Tegen deze besluiten hebben appellanten bezwaar doen maken. In bezwaar is aangevoerd dat hun inkomens in het jaar 1997 zijn tot stand gekomen als gevolg van een éénmalige aankoop en daarop volgende verkoop van bedrijfsinventaris, waarmee een extra winst in 1997 ontstond van - per persoon - € 19.446,75 (f 42.855,-). Zij verzoeken de korting alsnog te berekenen met inachtneming van hun inkomens over het jaar 1998.

Bij het bestreden besluit heeft gedaagde de bezwaren ongegrond verklaard, waarbij hij onder meer heeft overwogen:

"De door u genoemde oorzaak die aan de terugval in inkomen ten grondslag ligt, staat in relatie tot de door u gekozen wijze van inkomensverwerving. Het is niet de bedoeling van de wetgever geweest om bij bijvoorbeeld wisselende bedrijfsresultaten die leiden tot wisselende inkomens, de hogere inkomens buiten beschouwing te laten en deze te vervangen door een lager inkomen van een volgend jaar. De éénmalige aankoop c.q. verkoop van bedrijfsinventaris heeft niet geleid tot bedrijfsbeëindiging."

In dit geding ligt de vraag ter beantwoording voor of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. De Raad beantwoordt deze vraag, anders dan de rechtbank heeft gedaan bij de aangevallen uitspraak, ontkennend en hij overweegt daartoe als volgt.

Tussen partijen is in geschil of bij het bestreden besluit terecht en op goede gronden is beslist dat de vermindering van de belastbare inkomens van appellanten in het jaar 1998 kan worden gerekend tot 'inkomensschommelingen die in het algemeen normaal kunnen worden geacht bij de gekozen wijze van inkomensverwerving', als bedoeld in artikel 22, tweede lid, aanhef, en onder b, van de Wet op de studiefinanciering (WSF).

Uit de jurisprudentie van het voormalige College van beroep studiefinanciering vloeit voort dat ter beantwoording van de vraag welke inkomensschommelingen in het algemeen normaal moeten worden geacht bij de gekozen wijze van inkomensverwerving in elk geval in ogenschouw moeten worden genomen:

-de aard van de gebeurtenissen die aan de inkomensschommelingen ten grondslag liggen, in relatie tot de gekozen wijze van inkomensverwerving, en

-de mate waarin bij de gekozen wijze van inkomensverwerving inkomensschommelingen plegen voor te komen.

Blijkens de voorhanden zijnde gegevens, welke betrekking hebben op de jaren 1994 tot en met 2000, zijn de inkomens van appellanten jaarlijks aan schommelingen onderhevig geweest, maar is de terugval in hun inkomens in het jaar 1998, gelet op de schommelingen in de andere jaren, extreem hoog geweest. De oorzaak van deze terugval was gelegen in het feit dat appellanten in het jaar 1997 de bedrijfsinventaris van een door hen in privé aangekocht pand, dat werd gebruikt als champignonkwekerij, hebben doorverkocht en de eenmalige extra winst die zij daarbij hebben gemaakt om fiscale redenen voor rekening hebben gebracht van de door hen gedreven onderneming. Die onderneming, welke per 1 augustus 2001 door appellanten is gestaakt, betrof het kweken van champignons; aankoop dan wel verkoop van bedrijfsinventaris heeft voorafgaande aan het jaar 1997, maar ook nadien, nooit (meer) plaatsgehad.

Met appellanten is de Raad, gelet op hetgeen hij hiervoor heeft overwogen, van oordeel dat in de onderhavige situatie de terugval in de inkomens van appellanten over het jaar 1998 niet kan worden gerekend tot inkomensschommelingen die in het algemeen normaal kunnen worden geacht bij de gekozen wijze van inkomensverwerving. In de omstandigheid dat de eenmalige extra winst door appellanten in het jaar 1997 is gemaakt met de aankoop en verkoop van de bedrijfsinventaris van een voormalige champignonkwekerij ziet de Raad onvoldoende aanleiding om tot een andersluidend oordeel te komen.

Op grond van bovenstaande overwegingen is de Raad van oordeel dat het hoger beroep doel treft, zodat moet worden beslist als hieronder is vermeld.

De Raad acht in verband met het vorenoverwogene termen aanwezig om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellanten, welke zijn begroot op € EURO 322,- als kosten van verleende rechtsbijstand in beroep en op €EURO 322,- als kosten van verleende rechtsbijstand in hoger beroep, totaal derhalve € EURO 644,-.

Ten slotte stelt de Raad vast dat het door appellanten betaalde griffierecht van € EURO 104,37 (ƒ 60,- + ƒ 170,-) door de Informatie Beheer Groep dient te worden vergoed.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidende beroep alsnog gegrond en vernietigt het bestreden besluit van 8 juni 2000;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van €EURO 644,-, te betalen door de Informatie Beheer Groep;

Bepaalt dat de Informatie Beheer Groep aan appellanten het betaalde griffierecht van EURO€ 104,37 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. H. Bolt en mr. J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van mr. N.E. Nijdam als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2002.

(get.) J.Janssen.

(get.) N.E. Nijdam.