Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE3620

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-03-2002
Datum publicatie
02-07-2002
Zaaknummer
99/5732 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 4:6
Werkloosheidswet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R

99/5732 WW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv alsmede de rechtsvoorganger van het Lisv, (het bestuur van) de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging.

Appellant is op daartoe aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Zutphen onder dagtekening 8 oktober 1999 gewezen uitspraak (de aangevallen uitspraak), waarbij het beroep tegen het door gedaagde op bezwaar gegeven besluit van 6 juli 1998 (het bestreden besluit) ongegrond is verklaard.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en heeft desgevraagd nog een schriftelijke toelichting op het bestreden besluit gegeven.

Appellant heeft op 3 september 2001 een nader stuk in het geding gebracht.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 23 januari 2002, waar appellant in persoon is verschenen, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J. Kessels, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

Appellant is vanaf 14 augustus 1991 werkzaam geweest als sales manager bij [werkgever] te [X.] (hierna: [werkgever]). Bij vonnis van 22 april 1992 is die vennootschap in staat van faillissement verklaard. In verband met dat ontslag is de dienstbetrekking van appellant door opzegging per 11 juni 1992 beëindigd.

Bij beslissing van 20 augustus 1992 heeft gedaagde ingevolge hoofdstuk IV van de WW een deel van appellants openstaande vorderingen op [werkgever] overgenomen. Tegen die beslissing heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend.

Op 9 oktober 1997 heeft appellant verzocht om alsnog het bedrag van de bij voormelde beslissing niet overgenomen onkosten aan hem uit te keren, aangezien hij van een voormalig collega-manager bij [werkgever], genaamd [C.], had gehoord dat diens vordering van achterstallige onkosten wel volledig was overgenomen door gedaagde.

Gedaagde heeft het verzoek van appellant afgewezen en die weigering bij het bestreden besluit gehandhaafd. Als motivering daarvoor is vermeld dat uit onderzoek van gedaagde is gebleken dat [C.] per 1 juli 1992 in dienst is getreden bij een andere werkgever, genaamd [werkgever 2], welk bedrijf op 1 november 1992 ook failliet is gegaan. Ten gevolge van die betalingsonmacht heeft gedaagde loonbetalingsverplichtingen ten behoeve van [C.] overgenomen. Aangezien sprake is van betalingsonmacht van een andere werkgever, is gedaagde bij het bestreden besluit tot de conclusie gekomen dat een beroep op het gelijkheidsbeginsel niet opgaat, zodat er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden, waardoor niet zou kunnen worden teruggekomen van de beslissing van 20 augustus 1992.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het bestreden besluit inhoudt een weigering om terug te komen van een in rechte onaantastbaar besluit en dat zodanige weigering dient te worden geëerbiedigd, tenzij aan het eerdere besluit dusdanige gebreken kleven dan wel zich dusdanige omstandigheden hebben voorgedaan dat het bestuursorgaan in redelijkheid niet had mogen weigeren dat eerdere besluit ongedaan te maken. Daarbij ligt het - aldus de rechtbank - op de weg van degene die verlangt dat van een eerder besluit wordt teruggekomen, om feiten of omstandigheden aan te dragen die bij de eerdere besluitvorming geen rol hebben gespeeld en destijds niet als beroepsgrond naar voren hadden kunnen worden gebracht, hetzij de evidente onjuistheid van dat besluit aan te tonen. De rechtbank is op grond van hetgeen uit de gedingstukken naar voren is gekomen van oordeel dat geen sprake is van feiten en omstandigheden of van een evidente onjuistheid als vorenomschreven. Het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel is daarbij door de rechtbank van de hand gewezen omdat er in het geval van appellants ex-collega sprake was van een andere werkgever die op een later moment in staat van faillissement is verklaard, waaraan het feit dat sprake was van een soortgelijke onderneming niet kan afdoen.

Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd komt erop neer dat zijns inziens het gelijkheidsbeginsel wel degelijk is geschonden, nu het bedrijf waarbij [C.] na het faillissement van [werkgever] in dienst is getreden onder dezelfde leiding stond en, weliswaar onder een iets andere naam, vanaf dezelfde locatie dezelfde activiteiten ontplooide en [C.] bovendien om vergoeding van soortgelijke onkosten heeft gevraagd als appellant. Appellant heeft in hoger beroep nog een brief van [C.] ingestuurd, waarin deze verklaart dat gedaagde aan hem inderdaad ter zake van achterstallige onkostenvergoeding een uitkering heeft toegekend, zij het dat ook in zijn geval niet alle onbetaald gebleven onkosten door gedaagde zijn overgenomen. Over concrete gegevens betreffende de toekenning zegt [C.] echter niet meer te beschikken.

In hoger beroep is namens gedaagde aangegeven dat niet is beoogd om bij het bestreden besluit de aanvraag van appellant af te wijzen met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, maar dat appellants aanvraag om terug te komen van de beslissing van 20 augustus 1992 in zoverre inhoudelijk is beoordeeld dat is onderzocht welke toekenning aan [C.] heeft plaatsgevonden, waaruit is gebleken dat deze niet heeft plaatsgevonden naar aanleiding van de betalingsonmacht van [werkgever] maar in het kader van een later faillissement. Dit gegeven acht gedaagde voldoende om te concluderen dat er geen sprake is van gelijke gevallen, zodat het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel niet kan slagen. In de fase van hoger beroep heeft gedaagde nog getracht na te gaan op welke loonbestanddelen de toekenning aan [C.] betrekking had, maar dit is niet gelukt omdat de gegevens dienaangaande inmiddels vernietigd waren.

De Raad oordeelt als volgt.

Nu van toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb in dit geding geen sprake is, heeft de rechtbank bij de toetsing van de weigering van gedaagde om deels terug te komen van zijn beslissing van 20 augustus 1992 op zichzelf terecht het eerder omschreven criterium gehanteerd dat is ontleend aan de bestendige jurisprudentie van de Raad dienaangaande.

Bij de door de rechtbank toegepaste toetsing tekent de Raad evenwel aan dat door appellant bij zijn aanvraag niet expliciet of impliciet is gesteld dat de beslissing van 20 augustus 1992 strijdig is met hetgeen in hoofdstuk IV van de WW omtrent overneming van verplichtingen van een in betalingsonmacht verkerende werkgever is bepaald. Appellant heeft bij zijn aanvraag, in zijn bezwaarschrift en ook in het kader van de gedingvoering tegen het bestreden besluit, uitsluitend een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel dat er zijns inziens toe zou nopen om aan hem alsnog op dezelfde voet uitkering ingevolge genoemd hoofdstuk IV toe te kennen als aan zijn ex-collega [C.] is gedaan. De vraag of het desbetreffende onderdeel van de beslissing van 20 augustus 1992 evident onjuist is, is dan ook niet aan de orde.

Gedaagde is er kennelijk van uitgegaan dat appellants mededeling omtrent de verklaring van zijn ex-collega een nieuw feit opleverde dat tot het verrichten van enig onderzoek noopte. Naar aanleiding van die mededeling heeft gedaagde immers in zijn administratie gevonden dat in het kader van hoofdstuk IV van de WW inderdaad (niet meer dan) één toekenning aan [C.] heeft plaatsgevonden, zij het wat betreft de verplichtingen van een (formeel) andere werkgever. Gelet op de inhoud van appellants brief van 9 oktober 1997, welke hij ook in bezwaar niet heeft onderbouwd met concrete en verifieerbare gegevens, kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat gedaagde door zich te beperken tot voormeld onderzoek en daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat er geen sprake is geweest van gelijke gevallen, appellant rechtens tekort heeft gedaan. Dat in hoger beroep geen duidelijkheid is verkregen over de inhoud van de toekenning aan [C.] moet in de gegeven omstandigheden voor risico van appellant komen. De Raad wijst er overigens op dat zelfs als er sprake zou zijn geweest van gelijke gevallen, daarmee nog niet zonder meer aan alle voorwaarden zou zijn voldaan om gedaagde gehouden te achten om aan appellant alsnog de door hem beoogde uitkering toe te kennen.

Uit het vorenoverwogene volgt dat de aangevallen uitspraak, zij het op enigszins andere gronden, voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. Th.M. Schelfhout, in tegenwoordigheid van mr. S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2002.

(get.) Th.M. Schelfhout.

(get.) S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning.

GdJ

43