Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE3463

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-03-2002
Datum publicatie
14-06-2002
Zaaknummer
98/8113 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Algemene wet bestuursrecht 8:73
Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 21b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

98/8113 WUV

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen-en Uitkeringsraad, verweerster.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Verweerster heeft onder dagtekening 19 oktober 1998, kenmerk A 38543/BZ 36899/98/1069, ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolginggsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Tegen dit besluit heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Heerlen, als gemachtigde van eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In een aanvullend beroepschrift is uiteengezet waarom eiseres zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 31 januari 2002. Aldaar is, zoals vooraf bericht, eiseres noch haar gemachtigde verschenen, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. MOTIVERING

Uit de gedingstukken blijkt dat ingaande 1 juli 1976 aan eiseres als weduwe van een vervolgde uitkering is verleend ingevolge artikel 7, eerste lid, onder b, van de Wet. Bij besluit van 14 juli 1977 is vervolgens vastgesteld dat eiseres zelf vervolgde en uitkeringsgerechtigde is in de zin van de Wet.

Voorts blijkt dat in januari 1978 in het kader van de wetswijziging waarbij per 1 januari 1978 het (inmiddels weer vervallen) artikel 21b in de Wet is ingevoegd, ambtshalve een concept beslissing, gedateerd 5 januari 1978, is opgesteld waarbij aan eiseres een maandelijks bedrag ter zake van niet meetbare invaliditeitskosten werd toegekend. Aangezien abusievelijk is aangenomen dat eiseres op 23 april 1976 was overleden - het was haar echtgenoot die was overleden -, is die beslissing niet vastgesteld en verzonden.

Een in oktober 1987 ingediende aanvraag om periodieke uitkering is bij besluit van 1 december 1988 afgewezen op de grond dat de causale ziekten of gebreken van eiseres niet invaliderend tot uiting zijn gekomen.

Naar aanleiding van een namens eiseres bij brief van 31 mei 1995 ingediende hernieuwde aanvraag om een periodieke uitkering waarbij tevens werd verzocht om informatie omtrent een al dan niet toegekende uitkering ter zake van niet meetbare invaliditeitskosten, heeft verweerster bij besluit van 20 december 1995 eiseres alsnog ingaande 1 oktober 1987 dat hier bedoelde bedrag toegekend.

Verweerster heeft daarbij overwogen dat bij de beslissing van 1 december 1988 is verzuimd een afweging te maken of eiseres het bedrag ter zake van niet meetbare invaliditeitskosten had kunnen worden verleend en dat uit de gegevens is gebleken dat zij daarvoor wel in aanmerking had kunnen komen. De aanvraag van 31 mei 1995 op dit punt aanmerkend als verzoek om herziening heeft verweerster het bedrag ter zake van niet meetbare invaliditeitskosten met ingang van de eerste dag van de maand waarin de eerdere aanvraag was ingediend, toegekend.

Nadat namens eiseres tegen de in dit besluit bepaalde ingangsdatum van de toekenning bezwaar was gemaakt, heeft verweerster bij besluit van 13 mei 1996 de ingangsdatum alsnog vastgesteld op 1 januari 1978 onder overweging dat ten aanzien van eiseres destijds een ernstige fout is gemaakt.

Bij brief van 30 januari 1998 heeft de gemachtigde van eiseres vervolgens verzocht om "schadevergoeding wegens rentederving over het alsnog toegekende bedrag aan niet meetbare invaliditeitskosten vanaf 1 januari 1978".

Verweerster heeft hierop bij besluit van 16 juni 1998 een bedrag van f 445, 40 toegekend. Verweerster is daarbij uitgegaan van de onrechtmatigheid van haar besluit van 20 december 1995 gelet op de gronden waarmee zij dat besluit heeft herroepen zodat eiseres aanspraak kan maken op vergoeding van de tengevolge van dat primaire besluit veroorzaakte vertragingsschade.

Het tegen dat besluit gemaakte bezwaar heeft verweerster bij het thans bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard.

De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit in rechte kan standhouden. De Raad overweegt dienaangaande als volgt.

Van de kant van eiseres wordt de juistheid van verweersters berekening welke tot het bedrag van f 445,40 heeft geleid niet betwist. Zij neemt echter het standpunt in dat de onrechtmatigheid reeds is ontstaan bij het niet verzenden van de beschikking van 5 januari 1978 en dat derhalve dat tijdstip moet dienen als uitgangspunt voor het berekenen van de wettelijke rente.

Verweerster heeft overwogen dat slechts indien de gestelde geleden schade het gevolg is van een voor bezwaar of beroep vatbaar besluit, een primair besluit op een verzoek om schadevergoeding als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden aangemerkt, en dat, aangezien het op 5 januari 1978 niet ambtshalve toekennen van het bedrag ex artikel 21b (oud) van de Wet niet kan worden aangemerkt als een voor bezwaar of beroep vatbaar besluit, het bezwaar niet-ontvankelijk moet worden geacht.

De Raad onderschrijft het oordeel van verweerster met betrekking tot het zogenoemde connexiteitsvereiste, dat wil zeggen, dat de beslissing van een bestuursorgaan op een verzoek om schadevergoeding slechts een besluit in de zin van de Awb is indien de gestelde schade beweerdelijk is veroorzaakt door een besluit of handeling waartegen administratiefrechtelijke rechtsbescherming openstaat.

Met verweerster is de Raad voorts van oordeel dat er in januari 1978 geen voor bezwaar of beroep vatbaar besluit voorlag. Blijkens de stukken betrof het een concept besluit, dat is opgesteld ten behoeve van de in de administratie van verweersters rechtsvoorganger voorkomende vrouwelijke uitkeringsgerechtigden die destijds voor een bedrag als bedoeld in artikel 21b van de Wet in aanmerking zouden kunnen komen. Dat concept besluit is onder meer in het geval van eiseres - zij het in haar geval ten onrechte - niet vastgesteld en verzonden.

De Raad deelt echter niet verweersters standpunt dat dit dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het tegen verweersters besluit van 16 juni 1998 ingediende bezwaar. Laatstgenoemd besluit, waarin een bedrag aan vergoeding van wettelijke rente is toegekend en waartegen het bezwaar zich richt, is immers onmiskenbaar een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb.

In dat besluit van 16 juni 1998 heeft verweerster haar primair besluit van 20 december 1995 als schadeveroorzakend besluit aangemerkt, daarmee impliciet te kennen gevend een verzoek om schadevergoeding vanaf 1 januari 1978 niet te honoreren. Verweerster zou eiseres bij dat besluit in zoverre niet-ontvankelijk hebben kunnen verklaren.

Het vorenstaande brengt overigens mee dat de Raad van oordeel is dat verweerster in het kader van het verzoek om een bestuursrechtelijk schadebesluit terecht geen grond heeft gezien voor een ruimere vergoeding van wettelijke rente dan zij bij haar besluit van 16 juni 1998 heeft toegekend.

Daarbij merkt de Raad nog op dat al zou er sprake zijn geweest van een appellabel besluit in januari 1978, de door de Raad van overeenkomstige toepassing geachte bepalingen van het Burgerlijk Wetboek zoals die tot 1 januari 1992 golden, aan verdergaande rentevergoeding in de weg zouden hebben gestaan, nu van aanzegging van wettelijke rente in ieder geval geen sprake is geweest vóór 30 januari 1998.

Gelet op hetgeen hierboven is overwogen, kan het bestreden besluit geen standhouden. De Raad zal zelf in de zaak voorzien op de wijze als in het dictum aangegeven.

De Raad acht, ten slotte, termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb verweerster te veroordelen in de proceskosten van eiseres welke worden begroot op € 322,- ter zake van verleende rechtsbijstand. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de Raad niet gebleken.

Beslist wordt derhalve als volgt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Verklaart met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het bezwaar tegen verweersters besluit van 16 juni 1998 alsnog ongegrond;

Veroordeelt verweerster in de proceskosten van eiseres ad € 322,-, te betalen door de Pensioen- en Uitkeringsraad;

Bepaalt dat het betaalde griffierecht ad thans € 22,69 door de Pensioen- en Uitkeringsraad aan eiseres wordt vergoed.

Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. R.P.Th. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van A. de Gooijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2002.

(get.) C.G. Kasdorp.

(get.) A. de Gooijer.

HD07.03