Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE3454

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-03-2002
Datum publicatie
14-06-2002
Zaaknummer
99/4744 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2002, 144
USZ 2002/135
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

99/4744 WW

U I T S P R A A K

in het geding tussen

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,

en

[appellant], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden (Wet Suwi). Ingevolge de Invoeringswet Wet Suwi treedt in dit geding (de Raad van bestuur van) het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.

Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Amsterdam op 4 augustus 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarbij het beroep tegen het besluit op bezwaar van 8 oktober 1997 is gegrond verklaard, met verwijzing van appellant in de kosten en het griffierecht, en appellant is opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van die uitspraak.

Namens gedaagde heeft mr. P. Lans, advocaat te Bussum, een verweerschrift ingediend. Bij brief van 9 april 2001 heeft hij een vanwege de Raad gestelde vraag beantwoord.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 30 januari 2002, waar appellant - vanwege de Raad opgroepen om te verschijnen - zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. P.A.L. Nieuwenhuis, werkzaam bij het Uwv, en waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. J.H. Messing, kantoorgenoot van mr. Lans voornoemd. Ter zitting is met toestemming van gedaagde in geding gebracht de ontslagaanvraag d.d. 31 januari 1997 van de werkgever bij de Regionaal Directeur voor de Arbeidsvoorziening (RDA) en het op verzoek van de laatste door het Lisv uitgebrachte advies als bedoeld in artikel 5:2 van het bij het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen behorende Ontslagbesluit.

II. MOTIVERING

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Gedaagde is sedert 19 maart 1979 als administratief medewerker werkzaam geweest in dienst van [B.V. X.] (hierna ook: de werkgever) voor 38,75 uur per week. Per 20 januari 1995 is gedaagde uitgevallen met klachten van psychische aard. De aan hem toegekende AAW/WAO-uitkering van 80-100% is per 4 december 1996 verlaagd en berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Die schatting heeft plaatsgevonden op basis van geschiktheid van gedaagde voor gangbare arbeid op de vrije arbeidsmarkt, zoals blijkt uit het rapport van 24 september 1996 van de betrokken arbeidsdeskundige. Onder 3.2 van dat rapport is tevens aangegeven dat gedaagde arbeidsongeschikt werd geacht voor zijn eigen werk bij de werkgever, maar wel in staat werd geacht om minder stresserende onderdelen van dat werk te doen. Er werden beperkingen aangenomen voornamelijk in samenhang met stress en tijdsdruk. De arbeidsdeskundige heeft gedaagde geadviseerd contact op te nemen met zijn werkgever om te komen tot gedeeltelijke werkhervatting. Gedaagde heeft uit zijn contact met de werkgever begrepen dat deze voor hem geen passend werk beschikbaar had. Bij brief van 24 december 1996 heeft de werkgever gedaagde meegedeeld dat het verschil tussen het percentage 80 tot 100 en 35 tot 45 tot 19 januari 1997 niet zou worden aangevuld, en heeft deze gedaagde geadviseerd een WW-uitkering aan te vragen, zo hij nog geen passend werk zou hebben gevonden. Daarop heeft gedaagde uitkering krachtens de WW aangevraagd.

In afwachting van een in te stellen onderzoek naar gedaagdes recht op uitkering heeft appellant hem bij besluit van 22 januari 1997 met ingang van 4 december 1996 voorschotten ingevolge de WW toegekend.

Op 31 januari 1997 heeft de werkgever de RDA verzocht toestemming te verlenen om de arbeidsverhouding met gedaagde te beëindigen. Dat verzoek is, nadat gedaagde inhoudelijk verweer had gevoerd, bij besluit van 4 juni 1997 ingewilligd. Daarbij heeft de directeur het volgende overwogen:

"Beëindiging van de arbeidsovereenkomst wordt redelijk geacht omdat werknemer voor de eigen werkzaamheden langer dan twee jaar arbeidsongeschikt is en - hoewel werknemer dit betwijfelt - er genoegzaam is vast komen te staan dat er geen vervangende werkzaamheden voorhanden zijn.".

Gedaagde is vervolgens met inachtneming van de opzegtermijn ontslag aangezegd tegen 30 september 1997. Aan hem is ingaande 1 oktober 1997 WW-uitkering toegekend.

Intussen heeft appellant gedaagde bij besluit van 16 juli 1997 ervan in kennis gesteld dat hij met ingang van 4 december 1996 voldoet aan de voorwaarden voor het recht op een WW-uitkering doch dat deze hem blijvend geheel wordt geweigerd op de grond dat sprake is van verwijtbare werkloosheid.

Bij het besluit van 8 oktober 1997 (het bestreden besluit) heeft appellant (onder meer) het bezwaar tegen het besluit van 16 juli 1997 gegrond verklaard met dien verstande dat gedaagde geen recht op WW-uitkering heeft op de grond dat hij ingaande 4 december 1996 niet werkloos is geworden. Uit de beschikbare gegevens blijkt volgens appellant dat het dienstverband na 4 december 1996 nog voortduurde, dat de arbeidsdeskundige van mening was dat de werkgever passende arbeid beschikbaar kon stellen en dat gedaagde zich ook beschikbaar hield voor werk. Gezien die gegevens en in aanmerking nemend dat van de werkgever de nodige reintegratie-activiteiten hadden mogen worden verwacht, had gedaagde op en na 4 december 1996 onverminderd recht op doorbetaling van loon, zodat niet is voldaan aan een van de drie ontstaansvereisten voor het recht op uitkering, aldus het bestreden besluit.

In beide instanties spitst het geding zich in de eerste plaats toe op de vraag of voldoende aannemelijk is geworden dat er bij de werkgever voor gedaagde passende werkzaamheden beschikbaar waren.

De rechtbank heeft daaromtrent geoordeeld dat uit de stukken niet blijkt dat is onderzocht tot welke van zijn vroegere werkzaamheden gedaagde per 4 december 1996 in staat werd geacht en evenmin hoeveel tijd die werkzaamheden in beslag zouden nemen en/of welke loonwaarde zij zouden vertegenwoordigen. Voor de stelling van appellant dat bij de werkgever passende arbeid voorhanden was die aan gedaagde ter beschikking kon worden gesteld, ontbreekt feitelijke basis, zodat de conclusie dat gedaagde niet werkloos was in de zin van de WW, eveneens feitelijke basis ontbeert, aldus de rechtbank.

Appellant bestrijdt in hoger beroep het oordeel van de rechtbank en verwijst naar het bedrijfsbezoek van de betrokken arbeidsdeskundige op 17 september 1996 en op het telefonisch overleg met de werkgever en de verzekeringsarts. Voorts meent hij dat voldoende duidelijk is om welke passende arbeid het gaat, namelijk de minder stresserende deeltaken van gedaagdes eigen werk. Appellant beklemtoont dat de rechtspraak op het terrein van het arbeidsrecht op de werkgever de stelplicht en bewijslast legt van het niet-beschikbaar zijn van passende arbeid en dat de werknemer, als de werkgever hem zonder deugdelijke grond niet in staat stelt andere passende werkzaamheden te verrichten, evenzo aanspraak heeft op doorbetaling van zijn loon.

Van de zijde van gedaagde wordt gewezen op de visie van de RDA, terwijl verder wordt aangesloten bij de aangevallen uitspraak.

De Raad overweegt als volgt.

Hoewel niet uitgesloten kan worden geacht dat er aan de zijde van de werkgever sprake is van onwil om serieus de mogelijkheden te onderzoeken om gedaagde te werk te stellen, onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat op grond van de voorhanden gegevens niet tot de conclusie kan worden gekomen dat passende werkzaamheden per 4 december 1996 voor gedaagde aanwezig waren.

De Raad wijst in de eerste plaats op eerdergenoemd arbeidskundig rapport van 24 september 1996. Daarin is een beschrijving gegeven van de diverse taken van gedaagde, waarvan de arbeidsdeskundige er één noemt als een bron van stress, te weten de kostenadministratie "overige zaken". Uit datzelfde rapport blijkt dat de werkgever bang is dat terugkeer weer tot uitval zal leiden, ook omdat door reorganisatie de werkdruk inmiddels is toegenomen en nog toeneemt. Voorts verwacht de werkgever niet dat gedaagde het werk weer naar behoren zal kunnen verrichten, mede door de toegenomen werkdruk, reorganisatie en directiewisseling. Na overleg met de verzekeringsarts heeft de arbeidsdeskundige zijn conclusie gehandhaafd dat gedaagde geschikt was voor niet-stresserend werk en heeft hij gedaagde verwezen naar de werkgever. Specifieke deeltaken van zijn werk die passend voor gedaagde zouden zijn, zijn niet genoemd. Gelet op de verwachting van de werkgever en de vermelding van een reorganisatie, moet worden geoordeeld dat een kritische beoordeling temeer noodzakelijk was.

In de tweede plaats wijst de Raad op de motivering door de RDA van zijn toestemming de arbeidsverhouding met gedaagde te beëindigen als hierboven is aangehaald. De tegenspraak in deze twee stukken is zodanig dat het op de weg van appellant had gelegen om bij de werkgever meer duidelijkheid te krijgen omtrent de reïntegratie-mogelijkheden van gedaagde bij die werkgever. Dat heeft appellant nagelaten.

Blijkens de ter zitting van de Raad overgelegde stukken is het Lisv-advies aan de RDA uitgebracht door dezelfde arbeidsdeskundige die het rapport van 24 september 1996 heeft opgesteld en deze verwijst in de motivering van zijn advies naar dat rapport. De gegeven antwoorden op het betreffende formulier bevatten wederom tweeslachtigheid, in die zin dat sommige antwoorden impliceren dat er bij de werkgever geen passende arbeid voorhanden is en andere dat daarvan wel sprake is. In het bijzonder de verwijzing naar nr. 2.2.7 van het arbeidskundig rapport laat opnieuw vragen open over de strekking en uitkomst van het overleg met de werkgever destijds. Namens appellant is daarbij opgemerkt dat de RDA op onzorgvuldige wijze tot zijn beslissing is gekomen. Wat daarvan ook zij, de Raad constateert dat de RDA vermeldt dat de werkgever in tweede termijn de situatie en zijn inspanningen om tot reïntegratie te komen verder heeft toegelicht en heeft herhaald dat er voor gedaagde geen passende werkzaamheden voorhanden zijn. Ook die nadere informatie van de werkgever heeft appellant niet in zijn beoordeling betrokken.

Hetgeen appellant verder nog heeft aangevoerd, heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht.

Uit het hiervoor overwogene vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. In verband met het feit dat de rechtbank kennelijk per abuis verzuimd heeft het bestreden besluit (voor zover aangevochten) te vernietigen zal de Raad dat alsnog doen.

De Raad acht termen aanwezig appellant te veroordelen in de kosten van gedaagde in hoger beroep, begroot op € 644,-- wegens verleende rechtsbijstand.

Beslist wordt als hierna is aangegeven.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Rechtdoende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak met dien verstande dat het bestreden besluit alsnog wordt vernietigd voor zover aangevochten;

Veroordeelt appellant in de kosten van gedaagde in hoger beroep, begroot op € 644,--, te voldoen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Gelast dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht wordt geheven, ten bedrage van € 327,--.

Aldus gegeven door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. Th.C. van Sloten en mr. Th.M. Schelfhout als leden in tegenwoordigheid van mr. S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2002.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning.

GdJ/113