Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE3418

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-03-2002
Datum publicatie
30-05-2002
Zaaknummer
00/484 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 40
Wet terugdringing ziekteverzuim
Ziektewet 29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2002/152
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/484 ZW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen , gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Appellant is op bij beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Dordrecht onder dagtekening 10 december 1999 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft bij schrijven van 29 maart 2000 van verweer gediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 12 februari 2002, waar appellant in persoon is verschenen en waar gedaagde, daartoe ambtshalve opgeroepen, zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. P.C.M. Huijzer, werkzaam bij het Uwv.

II. MOTIVERING

Voor een uitvoerig overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen daaromtrent in rubriek 2 van de aangevallen uitspraak is vermeld. Kortheidshalve vermeldt de Raad hier het volgende.

Appellant is per 1 oktober 1992 als commercieel directeur in dienst getreden bij [werkgever] Op 28 maart 1994 heeft hij zich ziek gemeld. Appellants werkgever is op 30 maart 1994 in staat van faillissement verklaard in verband waarmee appellant een uitkering ingevolge hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW) heeft aangevraagd. Bij op bezwaar genomen besluit van 18 november 1994 heeft gedaagde besloten over de periode van 1 maart 1994 tot en met 18 mei 1994 de betalingen van de werkgever over te nemen. Daaraan is wat betreft de periode vanaf 28 maart 1994 ten grondslag gelegd dat de wettelijke opzegtermijn in het geval van appellant ingevolge artikel 40 van de Fallissementswet liep tot en met 18 mei 1994 en dat op de werkgever ingevolge de Wet Terugdringing Ziekteverzuim (WTZ) de verplichting rustte om gedurende de eerste 6 weken van ziekte van de werknemer het volle loon door te betalen. Met betrekking tot de laatste week voor 19 mei 1994 heeft gedaagde, eveneens op grond van artikel 61 en volgende van de WW, de aanvulling op het ziekengeld tot het volle loon voor zijn rekening genomen. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend, zodat dit onherroepelijk is geworden.

Naast voormelde betalingen heeft appellant over de gehele periode van 28 maart tot en met 18 mei 1994 van gedaagde ziekengeld ontvangen. Bij besluit van 4 juni 1998 (het bestreden besluit) is het over de periode van 28 maart tot en met 8 mei 1994 te veel betaalde bedrag aan ziekengeld berekend op f 8488,68 bruto. Gedaagde heeft zich op het standpunt gesteld dat appellant geen recht op ziekengeld had omdat hij een uitkering ingevolge de WW ontving en het hem redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat er onverschuldigd werd betaald. Met inachtneming van een aantal bedragen waarop appellant jegens gedaagde nog aanspraak had, heeft gedaagde het terug te vorderen bedrag gesteld op f 3617,53 netto. De terugvordering is door gedaagde voorts nog beperkt tot f 1656,05 netto, omdat dit bedrag bij besluit in primo van 20 februari 1998 als het terug te betalen bedrag was aangemerkt en appellant door het instellen van bezwaar niet benadeeld mocht worden.

Bij het bestreden besluit heeft gedaagde voorts het bezwaar van appellant tegen een tweede besluit van 20 februari 1998 ongegrond verklaard, welk besluit betrekking heeft op de weigering van gedaagde om over de periode dat appellant recht heeft op ziekengeld vakantietoeslag te betalen.

De rechtbank heeft het tegen beide onderdelen van het bestreden besluit gerichte beroep ongegrond verklaard. Ten aanzien van het teveel betaalde ziekengeld heeft de rechtbank als haar oordeel gegeven dat gedaagde genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt dat appellant meer ziekengeld heeft ontvangen dan waarop hij recht had, dat gedaagde tijdig aan appellant heeft aangegeven dat tot terugvordering zou worden overgegaan, dat het appellant redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij teveel ontving en dat niet gezegd kan worden dat de wijze waarop gedaagde van zijn bevoegdheid gebruik heeft gemaakt, bij afweging van de betrokken belangen, met de redelijkheid niet in overeenstemming was.

Ten aanzien van de weigering van gedaagde om over het ziekengeld vakantietoeslag te betalen heeft de rechtbank als haar oordeel gegeven dat gedaagde dit terecht geweigerd heeft, omdat het dagloon van appellant hoger is dan het maximale bedrag dat op grond van artikel 9 van de Coördinatiewet Sociale Verzekering tot uitbetaling kan komen.

In hoger beroep heeft appellant zich tegen beide onderdelen van de aangevallen uitspraak gekeerd.

De Raad overweegt als volgt.

Tussen partijen is niet in geschil dat op grond van artikel 40 van de Faillissementswet de voor appellant geldende wettelijke opzegtermijn in totaal zeven weken bedroeg en dat, daarmee rekening houdend, het dienstverband van appellant doorliep tot en met 18 mei 1994. Alsdan heeft appellant ingevolge de WTZ ter zake van zijn op 28 maart 1994 ingetreden ongeschiktheid tot werken gedurende de eerste zes weken, derhalve tot 9 mei 1994, jegens zijn werkgever aanspraak op doorbetaling van zijn volle loon. Op grond van het te dien tijde geldende artikel 29 van de Ziektewet heeft appellant over de periode van 28 maart 1994 tot 9 mei 1994 geen recht op uitkering ingevolge die wet. De omstandigheid dat aan die loondoorbetalingsverplichting door de werkgever niet is voldaan doet hieraan niet af. Daardoor ontstaat niet alsnog jegens gedaagde recht op uitkering ingevolge de ZW over evenvermelde periode. Hetgeen gedaagde ten titel van ziekengeld over deze periode heeft voldaan is derhalve onverschuldigd betaald.

Ingevolge het bepaalde in artikel 33, eerste lid, onder b van de ZW, zoals dit artikel luidde ten tijde hier in geding en voorzover hier relevant, is gedaagde bevoegd hetgeen op grond van deze wet onverschuldigd is betaald, geheel of gedeeltelijk terug te vorderen gedurende twee jaren na de dag van betaalbaarstelling in het geval dat het de betrokkene redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat onverschuldigd werd betaald.

De Raad stelt vast dat de hier aan de orde zijnde betaling van ziekengeld heeft plaatsgevonden in augustus 1994 en medio november 1994 en dat appellant te dien tijde reeds op grond van hoofdstuk IV van de WW betalingen van gedaagde had ontvangen. Uit de bij die betalingen behorende specificaties heeft appellant kunnen afleiden dat hem over dezelfde periode meerdere betalingen werden gedaan. Gelet op de hoogte van die betalingen die het voor hem geldende maximumuitkeringsbedrag ruimschoots overtroffen had het appellant redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat hem tot een te hoog bedrag en derhalve onverschuldigd werd betaald. De omstandigheid dat appellant, gelijk hiervoor is overwogen ten onrechte, meende (en meent) dat hij recht heeft op deze dubbele betaling staat hieraan geenszins in de weg.

De Raad is voorts van oordeel dat de terugvordering van het onverschuldigd betaalde ziekengeld tijdig is geschied nu bij besluit van 31 mei 1996, derhalve binnen twee jaar na betaalbaarstelling, tot terugvordering is overgegaan.

De Raad is ten slotte van oordeel dat de wijze waarop gedaagde van zijn terugvorderingsbevoegdheid gebruik heeft gemaakt, waarbij een aanzienlijke matiging van het terug te vorderen bedrag is toegepast, de aan de Raad toekomende toetsing kan doorstaan.

Met betrekking tot de bij het bestreden besluit gehandhaafde afwijzing van gedaagde van het verzoek van appellant om tot uitbetaling van de vakantietoeslag over de uitkering ingevolge de ZW over te gaan, overweegt de Raad dat het hier betreft de periode van 19 mei 1994 tot en met 27 maart 1995, waarin het dienstverband van appellant al was geëindigd.

Ingevolge artikel 11 van de Dagloonregelen ZW wordt het dagloon van de werknemer wiens dienstverband eindigt na de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken doch voor of tijdens het genot van een uitkering ingevolge de ZW, over dagen gelegen na de laatste dag van de dienstbetrekking, verhoogd met een evenredig deel van de vakantietoeslag, indien de werknemer tegenover zijn werkgever recht had op vakantietoeslag in geld. Appellant behoort tot de categorie werknemers waarop deze bepaling ziet.

Voorts is van belang dat artikel 14 van de ZW onder loon in de zin van deze wet verstaat het loon in de zin van de Coördinatiewet Sociale Verzekering. Artikel 15 van de ZW bepaalt dat voor de berekening van het ziekengeld, waarop ingevolge deze wet aanspraak bestaat, als dagloon wordt beschouwd: hetgeen de werknemer tijdens het genot van het ziekengeld bij een vijfdaagse werkweek gemiddeld per dag zou hebben kunnen verdienen in het beroep, dat hij laatstelijk voor het ontstaan van de ongeschiktheid tot werken uitoefende.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering komt bij de berekening van het dagloon dat aan de uitkering ingevolge de ZW ten grondslag wordt gelegd, het dagloon hetwelk meer bedraagt dan het in dit artikel genoemde maximum dagloon voor dat meerdere niet in aanmerking. Ten tijde hier in geding bedroeg het maximum dagloon ingevolge deze bepaling f 286,84.

Het voor appellant vastgestelde dagloon bedroeg f 301,38. Dit dagloon overtreft het maximum dagloon waarnaar de uitkering ingevolge de ZW kan worden berekend. Aldus ziet de Raad geen plaats voor de door appellant gewenste verhoging van het dagloon met vakantietoeslag, omdat nu eenmaal niet meer uitkering kan worden verleend dan naar het maximum dagloon.

Gezien al het voorgaande treffen appellants grieven geen doel en komt de aangevallen uitspraak, zij het op enigszins andere gronden, voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. Ch.J.G. Olde Kalter als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W.P. van der Hoeven als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2002.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.W.P. van der Hoeven.