Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE3400

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-01-2002
Datum publicatie
14-06-2002
Zaaknummer
01/31 REA + 01/6334 REA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet 16, geldigheid: 2002-01-23
Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten 23, geldigheid: 2002-01-23
Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten 23, geldigheid: 2002-01-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

01/31 REA

01/6334 REA

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[A.], wonende te [B.], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisaties werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding (de Raad van bestuur van) het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 1 februari 2000 heeft gedaagde geweigerd om appellante een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) en de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet REA) toe te kennen.

Bij besluit van 18 april 2000 (hierna: besluit I) heeft gedaagde het bezwaar van appellante tegen voornoemd besluit ongegrond verklaard en haar meegedeeld dat dit betekent dat appellante geen recht heeft op een WW-uitkering.

Appellante heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank Middelburg.

Bij besluit van 30 augustus 2000 (hierna: besluit II) heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 1 februari 2000 ongegrond verklaard en haar meegedeeld dat zij geen recht heeft op uitkeringen ingevolge de WW en de Wet REA.

De rechtbank Middelburg heeft bij uitspraak 22 december 2000 het beroep tegen besluit I gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het beroep tegen besluit II ongegrond verklaard.

Appellante is van deze uitspraak in hoger beroep gekomen op bij beroepschrift aangevoerde gronden.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad van 12 december 2001, waar partijen niet zijn verschenen.

II. MOTIVERING

Appellante is op 16 juli 1998 wegens ziekte uitgevallen voor haar werkzaamheden als leerling verpleegkundige op niveau 4 bij de Stichting [C.] Ziekenhuizen. Van 10 mei 1999 tot 10 juni 2000 heeft appellante de opleiding verzorgende op niveau 3 bij de [C.] Thuiszorg te [D.] gevolgd.

Gedaagde heeft appellante met ingang van 26 juli 1999 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Met ingang van 22 februari 2000 heeft gedaagde appellante voor minder dan 15% arbeidsongeschikt geacht op grond van geschiktheid voor gangbaar werk.

Aan de weigering om appellante een uitkering ingevolge de Wet REA toe te kennen heeft gedaagde ten grondslag gelegd dat appellante niet voldoet aan de wekeneis die geldt voor het recht op een WW-uitkering. Appellante heeft de op die grond gebaseerde weigering haar een WW-uitkering toe te kennen niet aangevochten. Dit heeft tot gevolg dat appellante, naar door appellante niet wordt betwist, niet voldoet aan de vereisten zoals genoemd in artikel 23, eerste lid, van de Wet REA. Omdat appellante volgens gedaagde ook niet voldoet aan de uitzondering genoemd in artikel 23, tweede lid, van de Wet REA, heeft gedaagde zich op het standpunt gesteld dat appellante niet in aanmerking komt voor een reïntegratie-uitkering.

Het hoger beroep van appellant is uitsluitend gericht tegen (het deel van de aangevallen uitspraak dat betrekking heeft op) de weigering van gedaagde om haar ingevolge het tweede lid van artikel 23 van de Wet REA een reïntegratie-uitkering toe te kennen. Daartoe voert appellante met name aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat die bepaling niet op haar van toepassing is, omdat de beslissing om haar geen werkloosheidsuitkering toe te kennen niet berust op het feit dat zij niet beschikbaar is om arbeid te aanvaarden, maar op het feit dat zij niet voldoet aan de wekeneis. Appellante benadrukt dat zij op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW niet als werkloos kan worden aangemerkt omdat zij wegens het volgen van een opleiding niet beschikbaar is om arbeid te verrichten zodat zij reeds om die reden geen recht heeft op een WW-uitkering.

De Raad overweegt met betrekking tot het onderhavige geschil het volgende.

De rechtbank heeft overwogen dat appellante op grond van artikel 23, tweede lid, in combinatie met het eerste lid, van de Wet REA niet in aanmerking kan komen voor een reïntegratie-uitkering, omdat de weigering om appellante een WW-uitkering toe te kennen niet berust op het feit dat zij niet beschikbaar is om arbeid te aanvaarden maar op de grond dat zij niet voldoet aan de wekeneis.

Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de Wet REA kan door het Lisv aan de arbeidsgehandicapte die recht heeft op een uitkering op grond van de WW of de Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria, een reïntegratie-uitkering worden toegekend indien hij:

a. op een proefplaats bij een werkgever onbeloonde werkzaamheden gaat verrichten;

b. een naar het oordeel van het Lisv noodzakelijke scholing of opleiding gaat volgen.

In artikel 23, tweede lid, van de Wet REA is bepaald dat met de arbeidsgehandicapte, bedoeld in het eerste lid, wordt gelijkgesteld de arbeidsgehandicapte die geen recht heeft op uitkering op grond van de WW omdat hij niet voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel b, van de WW, wegens het enkele feit dat hij voorafgaande aan of aansluitend op het arbeidsurenverlies en het verlies van het recht op doorbetaling van loon als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel a, van de WW, deelneemt of gaat deelnemen aan een scholing of opleiding als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.

In artikel 16, eerste lid, van de WW is bepaald dat werkloos is de werknemer die:

a. ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren, alsmede het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon over die uren; en

b. beschikbaar is om arbeid te aanvaarden.

Tussen partijen staat vast - en ook de Raad gaat hiervan uit - dat appellante geen recht heeft op uitkering ingevolge de WW, omdat zij - onder meer - niet voldoet aan de zogenaamde wekeneis. Op grond hiervan komt zij onbetwist niet in aanmerking voor een reïntegratie-uitkering op grond van de in artikel 23, eerste lid, van de Wet REA neergelegde hoofdregel.

Aangezien in het onderhavige geval geen sprake is van een situatie waarin geen recht op WW-uitkering bestaat uitsluitend wegens het niet voldoen aan de beschikbaarheidseis als bedoeld in artikel 16, aanhef en eerste lid onder b, van de WW, kan appellante ook niet onder toepassing van artikel 23, tweede lid, van de Wet REA, zoals die bepaling, mede gelet op de toelichting daarop, moet worden verstaan, worden gelijkgesteld met een arbeidsgehandicapte die recht heeft op een uitkering op grond van de WW of de WBIA als bedoeld in het eerste lid van artikel 23 van de REA. Derhalve heeft gedaagde terecht geweigerd appellante een reïntegratie-uitkering toe te kennen.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak, voor zover deze is aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.

Aldus gegeven door mr. M.I. 't Hooft als voorzitter, en mr. R.M. van Male en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. van Netten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2002.

(get.) M.I. 't Hooft.

(get.) A. van Netten.

GdJ

291