Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE3262

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-03-2002
Datum publicatie
13-06-2002
Zaaknummer
99/3568 NABW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene bijstandswet 111
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers 34
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2002, 122
JABW 2002, 60
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

99/3568 NABW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard-Geleen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Als gevolg van gemeentelijke herindeling treedt in dit geding gedaagde in de plaats van het College van burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente Sittard. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard.

Namens appellante heeft mr. P.C.W.M. Meerbach, advocaat te Woerden, op de in het aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een tussen partijen gewezen uitspraak van de rechtbank Maastricht van 20 mei 1999, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft bij brief van 4 oktober 1999 meegedeeld geen aanleiding te zien voor het indienen van een verweerschrift.

Gedaagde heeft de Raad desgevraagd op 15 november 2001 en 28 januari 2002 nadere stukken toegezonden.

Bij brief van 17 januari 2002 zijn namens appellante eveneens nadere stukken ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 29 januari 2002, waar appellante zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. Meerbach, voornoemd, en gedaagde door mr. P.M. Hellenbrand, werkzaam bij de gemeente Sittard-Geleen.

II. MOTIVERING

Appellante ontvangt sedert 26 juli 1996 een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW).

Gedaagde heeft bij twee afzonderlijke besluiten van 14 en 17 juni 1997 afwijzend beslist op een verzoek van appellante van 17 december 1996 om toekenning van een activiteitenpremie en een premie deeltijdwerk als bedoeld in de Verordening premiebeleid ter bevordering van de zelfstandige bestaansvoorziening, zoals vastgesteld door de raad van de gemeente Sittard op 14 december 1995 (hierna: de Verordening premiebeleid).

Appellante heeft tegen beide bovengenoemde besluiten bezwaarschriften ingediend. Gedaagde heeft bij het bestreden besluit van 2 december 1997 de bezwaren gegrond verklaard en aan appellante alsnog evengenoemde premies toegekend, echter niet met terugwerkende kracht tot 26 juli 1996, de door appellante gewenste ingangsdatum, maar met ingang van 17 december 1996.

Namens gedaagde is in het verweerschrift aan de rechtbank meegedeeld dat de ingangsdatum van de premies bij nader inzien dient te worden gesteld op 16 oktober 1996, omdat gebleken was dat appellante zich reeds op 16 oktober 1996 had gemeld bij de afdeling sociale zaken met de bedoeling om een aanvraag voor beide premies in te dienen.

De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard.

Namens appellante is in hoger beroep onder meer aangevoerd dat de rechtbank in het gestelde in het verweerschrift aanleiding had moeten zien om het bestreden besluit te vernietigen en gedaagde te veroordelen in de proceskosten en tot vergoeding van het betaalde griffierecht. Voorts is aangevoerd dat appellante reeds bij haar aanvraag om een periodieke IOAW-uitkering heeft gemeld dat zij inkomsten had uit werkzaamheden in deeltijd en dat zij daarnaast diverse onbetaalde activiteiten als vrijwilliger verrichtte.

Zij was er toen niet mee bekend dat zij voor het verkrijgen van premies in verband met deze werkzaamheden een aparte aanvraag in moest dienen. Als gevolg van onvoldoende voorlichting van de zijde van de gemeente Sittard heeft zij, aldus haar gemachtigde, pas nadat zij zich op 16 oktober 1996 opnieuw bij de afdeling sociale zaken had vervoegd, daadwerkelijk een aanvraag voor de premies ingediend.

De Raad stelt eerst vast dat de bevoegdheid van gedaagde om de onderhavige premies te verstrekken berust op artikel 111, derde lid, (oud) van de Algemene bijstandswet en artikel 34, derde lid, (oud) van de IOAW, alsmede op de ter uitvoering daarvan vastgestelde Verordening premiebeleid. Zowel in de tekst van deze Verordening als in de publieksfolder die de Dienst Sociale Zaken en Welzijn in januari 1996 over de premieregeling heeft uitgebracht staat duidelijk vermeld dat de premies slechts op aanvraag toegekend kunnen worden.

De Raad acht het niet onjuist dat bij de bepaling van de datum met ingang waarvan premies als hier aan de orde worden toegekend, als uitgangspunt wordt gehanteerd dat in beginsel geen premie wordt verleend over een periode die voorafgaat aan de datum waarop de aanvraag is ingediend. In de doelstelling van de Verordening premiebeleid, die gericht is op de bevordering van de zelfstandige bestaansvoorziening, ziet de Raad, anders dan de gemachtigde van appellante, geen grond om hier een ander uitgangspunt te kiezen.

Dit laat onverlet dat van dat uitgangspunt kan worden afgeweken, indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.

Gedaagde heeft er terecht op gewezen dat onbekendheid met regelgeving geen grond is om van voormeld uitgangspunt af te wijken.

Het verwijt van onvoldoende voorlichting treft geen doel. Uit de gedingstukken blijkt dat gedaagde het bestaan van de Verordening premiebeleid op ruime schaal bekend heeft gemaakt. Niet alleen is deze Verordening gepubliceerd in het blad "Gemeente Sittard" van januari 1996, dat huis aan huis verspreid is, maar ook in een uitgave van de "Maas en Mijn". Appellante had er derhalve niet van kunnen uitgaan dat de premies ambtshalve, en gekoppeld aan haar IOAW-uitkering, toegekend zouden worden. Daartoe bestond te minder grond aangezien appellante reeds bij brief van 24 juli 1996 was meegedeeld dat zij voor een IOAW-uitkering in aanmerking kwam en in die brief niet over premies werd gerept.

De Raad is, gelet op het bovenstaande, van oordeel dat niet gebleken is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan aan appellante met ingang van een eerdere datum dan 16 oktober 1996 de premies toegekend hadden moeten worden.

De Raad stelt vervolgens met de gemachtigde van appellante vast dat de nadere standpuntbepaling namens gedaagde in het verweerschrift in eerste aanleg gedeeltelijk aan het beroep tegemoetkwam en dus niet tot ongegrondverklaring van dat beroep had mogen leiden. De Raad zal daarom de aangevallen uitspraak vernietigen, het inleidend beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en gedaagde opdragen met inachtneming van het vorenstaande een nieuw besluit op bezwaar te nemen. In dat besluit dient gedaagde tevens de hoogte van de toe te kennen premies aan te geven.

De Raad acht ten slotte termen aanwezig om gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.288,--, wegens verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit van 2 december 1997;

Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door de gemeente Sittard-Geleen;

Bepaalt dat de gemeente Sittard-Geleen aan appellante het betaalde griffierecht van in totaal € 102,10 (f 225,--), vergoedt.

Aldus gegeven door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. R.M. van Male en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van A. Heijink als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2002.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) A. Heijink.

AP2802