Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE2699

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-03-2002
Datum publicatie
21-06-2002
Zaaknummer
99/3585 NABW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene bijstandswet 43
Algemene bijstandswet 42
Algemene bijstandswet 45
Algemene bijstandswet 47
Algemene bijstandswet 52
Algemene bijstandswet 69
Algemene bijstandswet 81
Algemene bijstandswet 82
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2002, 119
JABW 2002, 147
USZ 2002/112
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

99/3585 NABW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zutphen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appellante heeft mr. Q.J. van Leeuwen, werkzaam bij het Buro voor Rechtshulp te Zutphen, op bij het beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de -rechtbank Zutphen op 22 juni 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, een vraag beantwoord en nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 22 januari 2002, waar appellante en haar gemachtigde - met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegen-woordi-gen door D.H.P.G. Buiting, werkzaam bij de gemeente Zutphen.

II. MOTIVERING

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is onder meer het volgende gebleken.

Aan appellante is met ingang van 1 december 1996 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) toegekend. In verband met een haar overkomen verkeersongeval ontving appellante schadevergoeding. Zij belegde het haar uitgekeerde smartengeld ad f 60.000,-- in een obligatiedividendfonds en in een aandelenfonds van de [X.]-bank. Gedaagde besloot de uitkering in verband met geleden immateriële schade met toepassing van artikel 52, eerste lid aanhef en onder e, van de Abw in zijn geheel niet als vermogen in aanmerking te nemen.

In april 1998 ontving appellante in verband met over het jaar 1997 door genoemde beleggingsfondsen behaalde rendementen dividenduitkeringen tot een bruto-bedrag van f 1.014,45.

Bij besluit van 13 juli 1998 heeft gedaagde dit bedrag geheel in aanmerking genomen als inkomen, op grond van artikel 69, derde lid, van de Abw het besluit tot toekenning van bijstand over de maand april 1998 herzien en met toepassing van artikel 81, eerste lid, genoemd bedrag van appellante teruggevorderd.

Gedaagde heeft de tegen dit besluit ingediende bezwaren ongegrond verklaard bij besluit van 12 januari 1999.

De rechtbank heeft het tegen het besluit van 12 januari 1999 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, gedaagde opgedragen een nader besluit op bezwaar te nemen en beslissingen gegeven omtrent de in eerste aanleg gevraagde vergoeding van wettelijke rente, proceskosten en griffierecht.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft gedaagde ten onrechte de ten laste van appellante afgedragen dividendbelasting als middelen in aanmerking genomen en is het besluit tot herziening en de daarop gebaseerde terugvordering genomen in strijd met artikel 45 van de Abw.

De rechtbank oordeelde voorts dat geen grond kan worden gevonden om dividendopbrengsten uit een immateriële schadevergoeding uit te zonderen van het middelenbegrip en wees het verzoek om toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) "in verband met de ten onrechte niet toegekende uitkering" af op grond van de volgende overwegingen:

"Gelet op het in artikel 42 van de Abw neergelegde uitgangspunt, dat in beginsel alle inkomens- en vermogens bestanddelen van invloed zijn op de bijstandsuitkering, is de rechtbank van oordeel dat een dividenduitkering, zoals door eiseres genoten, in beginsel tot de middelen dient te worden gerekend, tenzij een dergelijke uitkering expliciet bij of krachtens de Abw van het middelenbegrip is uitgezonderd. De rechtbank is van oordeel dat dit laatste niet het geval is.

Ingevolge artikel 43, tweede lid, onderdeel g van de Abw wordt weliswaar niet tot de middelen gerekend rente ontvangen over op grond van artikel 52, eerste lid, onderdelen b, c en d van de Abw niet in aanmerking genomen vermogen en spaargelden, een immateriële schadevergoeding wordt evenwel expliciet in onderdeel e van laatstgenoemd artikellid als niet in aanmerking te nemen vermogen vermeld. De rechtbank laat in dit verband nog daar de vraag of een dividenduitkering gelijkgesteld kan worden met rente, als in artikel 43, tweede lid onderdeel g van de Abw genoemd.

Voorts kunnen opbrengsten uit een uitkering in verband met geleden immateriële schade naar het oordeel van de rechtbank niet gelijkgesteld worden met de uitkering zélf, welke in artikel 43, tweede lid, onderdeel j van de Abw als niet in aanmerking te nemen middelen wordt genoemd.

Gelet op het voorgaande kan in het bepaalde van artikel 43 Algemene Bijstandswet (Abw) als ook in enige andere bepaling bij of krachtens die wet gesteld, naar het oordeel van de rechtbank geen grond worden gevonden om dividendopbrengsten uit een immateriële schadevergoeding uit te zonderen van het middelenbegrip. (…Namens eiseres is tevens verzocht om toepassing van artikel 8:73 van de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb), bestaande uit vergoeding van de wettelijke rente over de ten onrechte niet toegekende uitkering. De rechtbank stelt vast dat uit de aard van verweerders besluitvorming, welke betrekking heeft op herziening en terugvordering van reeds verstrekte uitkering, als zodanig niet voortvloeit dat door eiseres renteschade, als door haar gesteld, zou zijn geleden.".

Blijkens hetgeen in hoger beroep is aangevoerd kan appellante zich met deze overwegingen niet verenigen.

De Raad overweegt het volgende.

De in april 1998 aan appellante betaalbaar gestelde dividenduitkeringen zijn middelen als bedoeld in artikel 42 van de Abw. Deze uitkeringen zijn, gezien de duidelijke en niet voor tweeërlei uitleg vatbare tekst van het tweede lid van artikel 43, geen in dat lid uitgezonderde middelen en dienen, gelet op het bepaalde in het eerste lid van de artikelen 45 en 47, derhalve als inkomsten uit vermogen in aanmerking te worden genomen tot het bedrag dat resteert na aftrek van de daarop ingehouden dividendbelasting.

Hetgeen van de zijde van appellante op dit punt is aangevoerd heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen. De Raad merkt daarbij op dat het in het beroepschrift genoemde artikel 52, eerste lid aanhef en onder e, van de Abw in dit geding niet van belang is, omdat het hier gaat om inkomen in de zin van paragraaf 2 van hoofdstuk IV van de Abw.

Met inachtneming van het bepaalde in artikel 47 dient vervolgens te worden vastgesteld of dat inkomen betrekking heeft op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan en zo ja, op welke periode.

Dienaangaande stelt de Raad vast dat uit de gedingstukken naar voren komt dat de onderhavige dividenduitkeringen zijn gedaan op basis van de rendementen van de betreffende beleggingsfondsen over het jaar 1997 en derhalve geacht kunnen worden betrekking te hebben op de in 1997 gelegen periode waarin appellante haar vermogen in die fondsen belegd had. Deze constatering brengt tevens mee dat er geen plaats is voor herziening van het besluit tot toekenning van bijstand over de maand april 1998 met toepassing van artikel 69, derde lid, van de Abw en bijgevolg ook niet voor (gedeeltelijke) terugvordering van de aan appellante verstrekte bijstandsuitkering over de maand april 1998.

Het vorenstaande leidt ertoe dat het bestreden besluit wegens strijd met de wet niet in stand kan blijven en wel op gronden die verder reiken dan de rechtbank heeft gebezigd. De Raad zal daarom de aangevallen uitspraak met verbetering van gronden bevestigen, voorzover daarbij het inleidend beroep gegrond is verklaard en het bestreden besluit is vernietigd, en die uitspraak vernietigen, voorzover daarin gedaagde is opgedragen om met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank een nader besluit te nemen.

Met dit laatste komt tevens de grondslag te ontvallen aan het inmiddels ter uitvoering van die uitspraak genomen en in dit geding te betrekken besluit van gedaagde van 5 juli 1999, voorzover dit ertoe strekt een nader besluit te nemen ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank.

De Raad acht het in de plaats daarvan aangewezen dat gedaagde het primaire besluit herroept en vervolgens een nieuw besluit op bezwaar neemt met betrekking tot de vraag of en zo ja, in hoeverre in verband met de in april 1998 ontvangen dividenduitkeringen terugvordering van voor appellante gemaakte kosten van bijstand over het jaar 1997 aangewezen is met toepassing van artikel 82, aanhef en onder a, van de Abw. De Raad tekent daarbij aan dat gedaagde bij dat nieuwe besluit op bezwaar in elk geval niet meer van appellante kan terugvorderen dan het bedrag van de dividenduitkeringen over 1997 dat resteert na aftrek van de daarop ingehouden dividendbelasting.

De Raad ziet voorts geen aanleiding om de beslissing van de rechtbank ter zake van de gevorderde wettelijke rente over ten onrechte niet toegekende uitkering voor onjuist te houden. Van vertragingsschade die in zodanig verband staat met gedaagdes in dit geding aan de orde zijnde besluiten dat zij gedaagde als gevolg van die besluiten kunnen worden toegerekend, is de Raad niet gebleken.

De Raad acht ten slotte termen aanwezig om gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € EURO 322,--, wegens verleende rechtsbijstand. De kostenveroordeling voor het betaalde griffierecht en de proceskosten in eerste aanleg wordt in stand gelaten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover daarbij het inleidend beroep gegrond is verklaard, het bestreden besluit is vernietigd en beslissingen zijn gegeven omtrent de vergoeding van gestelde renteschade, griffierecht en proceskosten in eerste aanleg;

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Verklaart het beroep dat geacht moet worden mede te zijn gericht tegen het besluit van 5 juli 1999, voorzover deze ertoe strekt een nader besluit te nemen ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank, gegrond en vernietigt dat besluit inzoverre;

Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag van € EURO 322,--, te betalen door de gemeente Zutphen;

Bepaalt dat de gemeente Zutphen aan appellante het door haar in hoger beroep betaalde griffierecht van € 77,14 ( f 170,--) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2002.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) P.C. de Wit.

AP1402