Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE2333

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-03-2002
Datum publicatie
08-10-2007
Zaaknummer
01/2891 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Goede procesorde. Te late aanvraag aanvullende beurs. Besluit nevenzittingsplaatsen.

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 34
Wet op de rechterlijke organisatie 50
Wet op de rechterlijke organisatie 50
Wet op de studiefinanciering 1
Wet op de studiefinanciering 32
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2002/150
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

01/2891 WSF

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[A.], wonende te [B.], appellante

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 29 oktober 1999 heeft gedaagde aan appellante studiefinanciering toegekend op grond van de Wet op de studiefinanciering (WSF), zoals die wet op de in geding zijnde datum luidde, in de vorm van een basisbeurs per 1 januari 2000.

Bij wijzigingsformulier van 29 februari 2000 heeft appellante een aanvullende beurs aangevraagd per 1 januari 2000.

Bij besluit van 24 maart 2000 (Bericht 2000, no. 2) heeft gedaagde deze aanvraag per 1 maart 2000 ingewilligd.

Bij het bestreden besluit van 20 juni 2000 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 24 maart 2000 ongegrond verklaard.

De rechtbank Breda heeft bij uitspraak van 12 april 2001 het tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Namens appellante is door [C.], op bij beroepschrift van 18 mei 2001 aangevoerde gronden tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 27 september 2001, ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 15 februari 2002, waar voor appellante niemand is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Naber, werkzaam bij de IB-Groep.

II. MOTIVERING

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de in de aangevallen uitspraak vermelde feiten en omstandigheden.

Ambtshalve overweegt de Raad allereerst als volgt.

De woonplaats van appellante ligt in het arrondissement Breda, zodat de rechtbank Breda ingevolge artikel 8:7, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevoegd was op het beroep van appellante in eerste aanleg te beslissen. Het beroep van appellante is behandeld ter terechtzitting te 's-Hertogenbosch. Uit artikel 50, eerste lid van de Wet op de rechterlijke organisatie (Wet R.O.) volgt dat de rechtbanken in de regel hun terechtzittingen houden in de hoofdplaats van het arrondissement. In het krachtens artikel 50, tweede lid, juncto artikel 34 , tweede lid, van de Wet R.O. vastgestelde Besluit nevenzittingsplaatsen is met betrekking tot de rechtbank Breda geen nevenzittingsplaats aangewezen voorzover het betreft de kamers van bestuursrechtelijke zaken; daarnaast is aan de mogelijkheid dat bij algemene maatregel van bestuur plaatsen kunnen worden aangewezen waar ook buiten het arrondissement zittingen kunnen worden gehouden geen uitwerking gegeven.

Gelet op het bovenstaande constateert de Raad dat de rechtbank Breda in strijd met de toepasselijke wettelijke voorschriften zitting heeft gehouden te 's-Hertogenbosch. Dit brengt de Raad echter niet tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak deswege niet in stand kan blijven. Hiertoe heeft de Raad overwogen dat, nu artikel 28 van de Beroepswet hem de mogelijkheid geeft om, indien uitspraak is gedaan door een andere rechtbank dan de bevoegde, deze onbevoegdheid voor gedekt te verklaren, er aanleiding bestaat deze bepaling naar analogie toe te passen op de onderhavige situatie door de onbevoegdheid van de rechtbank Breda tot het houden van de zitting te 's-Hertogenbosch voor gedekt te verklaren.

Vervolgens komt de Raad toe aan de inhoudelijke kant van deze zaak.

In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of gedaagde terecht bij het bestreden besluit het bezwaar tegen de weigering om de ingangsdatum van de aanvullende beurs te bepalen op 1 januari 2000 in plaats van op 1 maart 2000 ongegrond heeft verklaard.

De rechtbank heeft vastgesteld dat "(…) het aanvraagformulier van 29 februari 2000 is aan te merken als het eerste verzoek om een aanvullende beurs van eiseres. Het verzoek om verlegging van het peiljaar hoefde door verweerster, gezien het ontbreken van een expliciet wijzigingsformulier, niet te worden gezien als een zodanige eerdere aanvraag. Hieruit volgt dat verweerster in overeenstemming met de toepasselijke wettelijke bepalingen eerst met ingang van 1 maart 2000 een aanvullende beurs aan eiseres heeft toegekend en dat het beroep van eiseres ongegrond dient te worden verklaard."

Namens appellante is in hoger beroep aangevoerd dat zij eerst uit de reactie d.d. 14 januari 2000 van gedaagde op een door haar vader reeds op 15 november 1999 ingediend verzoek om verlegging van het peiljaar heeft begrepen dat door gedaagde nooit een aanvraagformulier voor de aanvullende beurs was ontvangen. Als gedaagde eerder had gereageerd, had zij nog vóór 1 januari 2000 (voor de tweede keer) een zodanig aanvraagformulier kunnen indienen en was haar per die datum een aanvullende beurs toegekend.

Dienaangaande overweegt de Raad het volgende.

Uit de gedingstukken blijkt dat aan appellante bij besluit van 29 oktober 1999 op haar daartoe strekkende aanvraag per 1 januari 2000 studiefinanciering in de vorm van uitsluitend een basisbeurs is toegekend. Reeds na ontvangst van dit besluit had appellante dan ook kunnen constateren dat gedaagde haar per 1 januari 2000 slechts in aanmerking bracht voor een basisbeurs en niet tevens voor een aanvullende beurs hetgeen erop wees dat voor de laatste geen aanvraag was ontvangen.

Verder betreft de brief van gedaagde van 14 januari 2000 naar het oordeel van de Raad slechts een reactie op het verzoek om verlegging van het peiljaar van de vader van appellante. Uit de inhoud en strekking van deze brief valt niets op te maken over het (al dan) niet ingediend zijn van een aanvraag om aanvullende beurs van appellante. Gelet op het voorgaande kan de Raad de gemachtigde van appellante niet volgen in diens betoog dat er pas na ontvangst van deze brief aanleiding bestond voor appellante om (nogmaals) een aanvraag voor een aanvullende beurs in te dienen. Onder deze omstandigheden ziet de Raad volstrekt geen grond voor het oordeel dat gedaagde toepassing had dienen te geven aan de hardheidsclausule.

Uit het voortgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen.

De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. H. Bolt en mr. J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van mr. N.E. Nijdam als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2002.

(get.) J. Janssen.

(get.) N.E. Nijdam.

SSw

Q