Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE1690

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-03-2002
Datum publicatie
19-04-2002
Zaaknummer
00/6527 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

00/6527 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur

uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 22 juli 1998 heeft gedaagde de uitkering van appellant op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van

11 september 1998 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

Bij besluit van 15 maart 2000 heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 juli 1998 ten dele gegrond verklaard en wel in die zin dat genoemde uitkering met ingang van 11 september 1998 werd herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

De rechtbank Rotterdam heeft bij uitspraak van 14 november 2000 het door appellant tegen het besluit van 15 maart 2000 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant op bij aanvullend beroepschrift van 12 maart 2001 aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld.

Gedaagde heeft een verweerschrift, gedateerd 27 maart 2001, (met bijlagen) ingediend.

Bij brief van 11 januari 2002 heeft appellant nog stukken toegezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 25 januari 2002, waar appellant in persoon en bijgestaan door mr. R.T.M. van Diepen, advocaat te Amsterdam, is verschenen en waar gedaagde, zoals tevoren bericht, zich niet heeft doen vertegenwoordigen.

II. MOTIVERING

Appellant was werkzaam als steigerbouwer toen hij zich op 20 augustus 1996 ziek meldde wegens rugklachten. In verband hiermede zijn hem met ingang van 19 augustus 1997 uitkeringen op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de WAO toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, waarvan alleen de uitkering op grond van de WAO tot uitbetaling kwam.

Op 14 mei 1998 is appellant in het kader van de eerste jaarsherbeoordeling onderzocht door de verzekeringsarts

A.M. Blaauw-Hoeksma die bij appellant forse beperkingen ten aanzien van de rugbelastbaarheid heeft geconstateerd. Met inachtneming van het door deze arts opgestelde belastbaarheidspatroon heeft de arbeidsdeskundige H. Garnier een vijftal door hem voor appellant geschikt geachte functies geselecteerd als neergelegd in zijn rapport van 6 juli 1998. Vergelijking van het mediane loon van de drie functies waarmede het hoogste inkomen kon worden verworven met het maatmaninkomen, bracht de arbeidsdeskundige tot de slotsom dat appellant als 44% arbeidsongeschikt was te beschouwen.

Gelet op dit resultaat heeft gedaagde zijn primaire besluit van 22 juli 1998 genomen waarbij de uitkering van appellant op grond van de WAO met ingang van 11 september 1998 is herzien en nader vastgesteld naar een mate van

arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

In de bezwarenprocedure heeft de bezwaarverzekeringsarts C.T.M. Linthorst in een rapport van 15 juli 1999 als zijn oordeel gegeven dat de belastbaarheid van appellant door de primaire verzekeringsarts juist was vastgesteld.

De bezwaararbeidsdeskundige J.G. Grothe was blijkens haar rapport van 22 juli 1999 van oordeel dat de appellant voorgehouden functie van coupeur om medische redenen als niet geschikt was aan te merken, hetgeen echter niet van invloed was op de mediane loonwaarde. De bezwaararbeidsdeskundige heeft voorts het maatmaninkomen herberekend met gebruikmaking van het desbetreffende, inmiddels beschikbaar gekomen, indexcijfer per 1 juli 1998. Deze herberekening leidde tot een arbeidsongeschiktheidspercentage van 45,6. Vervolgens is op 27 september 1999 een hoorzitting gehouden waar appellant mededeelde dat hij sedert november 1997 onder behandeling was van een psychiater. De bezwaarverzekeringsarts heeft hierin aanleiding gezien inlichtingen te vragen bij A. Lisei, sedert september 1998 behandelend psychiater van appellant. Nadat deze inlichtingen op 17 januari 2000 waren verkregen, heeft de bezwaarverzekeringsarts zich in een rapport van 24 januari 2000 op het standpunt gesteld dat bij appellant ook sprake is van psychische beperkingen en wel waar het gaat om werken onder tijdsdruk, conflicthantering en verantwoordelijkheid. Het belastbaarheidspatroon is in deze zin (aspecten 28A, 28E en 28H) bijgesteld. De bezwaararbeidsdeskundige heeft hierna blijkens haar rapport van 13 maart 2000 de (resterende) voor appellant geselecteerde functies opnieuw bezien en heeft daarbij vastgesteld dat bij deze functies geen sprake is van belastingen op de betrokken psychische aspecten.

Gelet op het vorenstaande is appellant bij het bestreden besluit ingaande de datum in geding ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 45 tot 55%.

De rechtbank heeft in haar uitspraak waarbij het beroep van appellant ongegrond is verklaard, uitdrukkelijk aangegeven dat naar haar oordeel artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarin is bepaald dat wanneer na het horen aan het

bestuursorgaan feiten of omstandigheden bekend worden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, dit aan belanghebbenden wordt medegedeeld en zij in de gelegenheid worden gesteld daarover te worden gehoord, door gedaagde niet is geschonden.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat zijn belastbaarheid onjuist is vastgesteld. Op psychisch gebied is hij in het geheel niet belastbaar. Ter zitting heeft appellant gesteld dat twee van de geselecteerde functies niet voor hem geschikt zijn omdat daarvoor een VBO-niveau is vereist, dat ten minste één functie niet geschikt is omdat daarvoor het kunnen (spreken en) lezen van Nederlands is vereist en dat twee functies niet geduid konden worden wegens het daarin voorkomen van lawaai. Derhalve resteert ten hoogste de functie van monteur koffiezetters doch daarin moet steeds een uur aaneengesloten worden gezeten; twijfelachtig is of appellant daartoe in deze functie in staat is.

Bovendien heeft appellant staande gehouden dat gedaagde niet in overeenstemming met artikel 7:9 van de Awb heeft gehandeld nu de na de hoorzitting door de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige opgestelde rapporten hem eerst tezamen met het bestreden besluit zijn toegezonden.

De Raad overweegt dat uit de, hiervoor deels weergegeven, gedingstukken duidelijk naar voren komt dat vanwege gedaagde op zorgvuldige wijze is gehandeld bij het instellen van onderzoeken naar de belastbaarheid van appellant. Appellant heeft geen gegevens van medische zijde overgelegd waaruit zou kunnen worden afgeleid dat zijn belastbaarheid door gedaagde is onderschat. Dit geldt, mede gelet op de door de behandelend psychiater Lisei verstrekte inlichtingen, eveneens voor de psychische belastbaarheid. In het bijzonder is ook niet gebleken dat beperkingen ten aanzien van het ondervinden van lawaai hadden moeten worden aangenomen.

Wat de appellant voorgehouden functies betreft merkt de Raad nog op dat in geen daarvan een VBO-diploma wordt gevraagd. Wel is voor twee functies een VBO-niveau vereist doch gezien de werkervaring van appellant kan worden aangenomen dat appellant hieraan voldoet. Voorts heeft de arbeidsdeskundige in zijn rapport van 6 juli 1998 opgemerkt dat appellant de Nederlandse taal redelijk beheerst en in ieder geval in staat is om instructies te begrijpen. Gelet hierop gaat de Raad ervan uit dat de onderhavige functies ook uit een oogpunt van kennis van de Nederlandse taal niet voor appellant ongeschikt zijn, waarbij in aanmerking is genomen dat appellant eerst ter zitting heeft gesteld geen Nederlands te kunnen lezen en schrijven. Gezien tenslotte de rapportage restricties va/ad van 25 juni 1998, ondertekend door de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige, is de Raad van oordeel dat ook overigens onvoldoende grond bestaat om de functies niet als geschikt te beschouwen.

Met betrekking tot de grief van appellant dat geen toepassing is gegeven aan artikel 7:9 van de Awb, overweegt de Raad dat advisering als geschied in de nadere rapporten van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige als zodanig niet een nieuw feit of een nieuwe omstandigheid oplevert als in dit artikel bedoeld. De Raad merkt voorts nog op dat appellant niet heeft gesteld dat de inlichtingen van zijn behandelend psychiater Lisei hem door gedaagde vóór het nemen van het bestreden besluit voor eventueel commentaar hadden moeten worden voorgelegd. Aangenomen kan ook worden dat deze inlichtingen geen feiten of omstandigheden inhielden welke appellant niet bekend waren. Appellant heeft in de loop van de procedures in beroep en in hoger beroep ook geenszins afstand genomen van deze inlichtingen.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk en prof. mr. W.M. Levelt-Overmars als leden, in tegenwoordigheid van mr. N.E. Nijdam als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2002.

(get.) J.Th. Wolleswinkel.

(get.) N.E. Nijdam.