Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE0176

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-01-2002
Datum publicatie
14-03-2002
Zaaknummer
99/2102 AOW + 00/1458 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:18, geldigheid: 2002-01-09
Algemene wet bestuursrecht 6:19, geldigheid: 2002-01-09
Algemene wet bestuursrecht 7:3, geldigheid: 2002-01-09
Algemene wet bestuursrecht 7:2, geldigheid: 2002-01-09
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2002/77
USZ 2002/88

Uitspraak

99/2102 + 00/1458 AOW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij besluit van 11 augustus 1997 heeft appellant aan gedaagde vrijstelling van de verzekeringsplicht ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW), de Algemene nabestaandenwet (Anw), de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) en de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) - hierna: de volksverzekeringen - verleend met ingang van 27 mei 1997.

Bij besluit van 28 oktober 1997 (hierna: het bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 11 augustus 1997 ongegrond verklaard.

De rechtbank Maastricht heeft bij uitspraak van 4 maart 1999 het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, met veroordeling van appellant in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht.

Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen op bij beroepschrift, met bijlage, aangevoerde gronden. Bij brief van 13 september 1999 heeft appellant nog een stuk aan de Raad gezonden.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Naar aanleiding van een vraag van de Raad heeft appellant bij brief van 17 maart 2000 een besluit van die datum aan de Raad gezonden, waarbij appellant een namens gedaagde ingediend verzoek tot vaststelling van een eerdere vrijstellingsdatum dan 27 mei 1997 heeft afgewezen. Vervolgens heeft de griffier van de Raad bij brieven van 30 maart 2000 aan partijen medegedeeld dat besloten is om bij de behandeling van dit geding tevens een oordeel te geven over het nadere besluit van 17 maart 2000.

Namens gedaagde heeft mr. H.G.M.F. Rothkranz, advocaat te Maastricht, op 5 april 2000 een aanvullend verweerschrift ingediend. Ten slotte heeft appellant bij brief van 30 augustus 2000 nog enige stukken in het geding gebracht.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 28 november 2001, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. H.S. van Zanten, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank, en waar gedaagde in persoon is verschenen bijgestaan door mr. Rothkranz, voornoemd.

II. MOTIVERING

Gedaagde bezit de Duitse nationaliteit en is in november 1994 met zijn echtgenote vanuit Duitsland verhuisd naar Nederland. Tot zijn pensionering per 1 januari 1995 is gedaagde werkzaam geweest als beroepsmilitair in Duitsland en sindsdien ontvangt hij een Versorgungsbezüge van de Wehrbereichsgebührnisamt III te Düsseldorf.

Op 27 mei 1997 heeft gedaagde een aanvraag om vrijstelling van de verzekeringsplicht ingevolge de Nederlandse volksverzekeringen ingediend. Appellant heeft vervolgens bij het primaire besluit van 11 augustus 1997 de gevraagde vrijstelling met ingang van 27 mei 1997 verleend op grond van artikel 24 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1989, Stb. 164 (hierna: KB 164). Het bezwaar van gedaagde, gericht tegen de ingangsdatum van de vrijstelling, is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. Appellant heeft daarbij overwogen dat een hoorzitting achterwege gelaten is, omdat het bezwaar kennelijk ongegrond werd geacht.

De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd, overwegende dat appellant artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft geschonden door gedaagde niet in de gelegenheid te stellen te worden gehoord voordat op het bezwaar is beslist. Volgens de rechtbank was geen sprake van een kennelijk ongegrond bezwaar, zodat appellant op grond van artikel 7:3 van de Awb niet kon afzien van het horen van gedaagde. Verder is de rechtbank tot de slotsom gekomen dat appellant het rechtszekerheidsbeginsel heeft geschonden, door buitenlandse migranten - als gedaagde - niet op de hoogte te brengen van hun rechten en plichten en hen in te lichten over de voor hen relevante regelgeving, en dat daarin voldoende aanleiding is gelegen om een aanvaardbare onbekendheid met de in KB 164 neergelegde regeling aan te nemen. De rechtbank heeft appellant opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen en heeft appellant daarbij in overweging gegeven toepassing te geven aan artikel II van het op 21 oktober 1998 in werking getreden Besluit tot wijziging van KB 164 van 2 september 1998, Stb. 597 (hierna: KB 597), waarin is voorzien in de mogelijkheid van het verlenen van terugwerkende kracht tot ten hoogste drie jaar voorafgaand aan de datum van een daartoe strekkend verzoek aan een gegeven vrijstelling als bedoeld in artikel 24, derde lid, van KB 164 indien sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb terecht is besloten af te zien van het horen van gedaagde, nu het bezwaar gelet op artikel 24, derde lid, van KB 164 en ´s Raads jurisprudentie met betrekking tot die bepaling, terecht kennelijk ongegrond is. Verder heeft appellant aangevoerd dat er geen sprake is van schending van het rechtszekerheidsbeginsel en dat er geen enkele aanleiding is af te wijken van artikel 24, derde lid, van KB 164 met betrekking tot de ingangdatum van de vrijstelling.

Bij besluit van 17 maart 2000 heeft appellant afwijzend beslist op een namens gedaagde op 1 december 1999 ingediend verzoek om de per 27 mei 1997 verleende vrijstelling van de verzekeringsplicht ingevolge de volksverzekeringen op een eerdere datum te laten ingaan. Daarbij is overwogen dat op grond van artikel II van KB 597 besloten kan worden tot een eerdere vrijstellingsdatum indien toepassing van artikel 24, derde lid, van KB 164 leidt tot onbillijkheden van overwegende aard, maar dat daarvan geen sprake is indien wegens onbekendheid met de regelgeving geen tijdige aanvraag om vrijstelling is ingediend.

De Raad overweegt het volgende.

De Raad ziet zich in deze procedure allereerst gesteld voor de vraag of op grond van artikel 6:19 juncto artikel 6:24 van de Awb bij de beoordeling van het bestreden besluit ook het hiervoor genoemde besluit van 17 maart 2000 moet worden betrokken. Deze vraag beantwoordt de Raad ontkennend. Het besluit van 17 maart 2000 kan niet aangemerkt worden als een besluit waarbij het bestreden besluit wordt gewijzigd, nu aan het besluit van 17 maart 2000 een andere aanvraag ten grondslag ligt dan aan het bestreden besluit en het besluit van 17 maart 2000 betrekking heeft op het met ingang van 21 oktober 1998 gewijzigde artikel 24 van KB 164 en het bij die wijziging behorende overgangsrecht, waarbij andere beoordelingsmaatstaven een rol hebben gespeeld dan bij het bestreden besluit.

Naar het oordeel van de Raad kan dan ook niet gezegd worden dat het besluit van 17 maart 2000 valt binnen de grondslag en reikwijdte van het bestreden besluit, zodat geen sprake kan zijn van een besluit als bedoeld in artikel 6:18 van de Awb.

Appellant heeft derhalve in het besluit van 17 maart 2000 terecht aangegeven dat het een primair besluit betreft, waartegen bezwaar mogelijk is. Het feit dat de griffier van de Raad bij brieven van 30 maart 2000 aan partijen heeft medegedeeld dat besloten is tevens een oordeel te geven over dit besluit vermag de Raad niet tot een ander oordeel te leiden, nu uit het hiervoor overwogene voortvloeit dat die mededeling gebaseerd is op een onjuiste kwalificatie van het besluit van 17 maart 2000. Het is thans aan appellant om de grieven van gedaagde, zoals onder meer verwoord in de brief van zijn gemachtigde van 5 april 2000, te behandelen als bezwaarschrift tegen laatstgenoemd besluit.

Nu gedaagde in eerste aanleg alsnog heeft geageerd tegen het niet horen in de bezwaarfase, dient beoordeeld te worden of appellant de hoorplicht als bedoeld in artikel 7:2 van de Awb heeft geschonden. Op grond van dit artikel is appellant gehouden de belanghebbende in de gelegenheid te stellen te worden gehoord, waarvan blijkens artikel 7:3 van de Awb slechts kan worden afgezien in een beperkt aantal gevallen, onder meer wanneer het bezwaar kennelijk ongegrond is. Zoals de Raad al eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraken van 11 april 1995 en 29 juni 1995 (JB 1995/125 en

JB 1995/180), dienen de uitzonderingsmogelijkheden op de hoorplicht restrictief te worden gehanteerd, hetgeen betekent dat eerst van een kennelijk ongegrond bezwaar gesproken kan worden wanneer uit het bezwaarschrift reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren ongegrond zijn en er redelijkerwijs over die conclusie geen twijfel mogelijk is.

Met appellant en anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat aan die voorwaarde in dit geval was voldaan. Appellant heeft het primaire besluit van 11 augustus 1997 gebaseerd op een dwingendrechtelijke bepaling, hetgeen betekent dat appellant niet de bevoegdheid had een andere ingangsdatum van de vrijstelling te hanteren. Nu door gedaagde in bezwaar voorts slechts is gewezen op zijn onbekendheid met de wettelijke regeling kon er, mede gelet op ´s Raads jurisprudentie met betrekking tot artikel 24, derde lid, van KB 164, redelijkerwijs geen twijfel over bestaan dat het bezwaar ongegrond was. Appellant heeft derhalve terecht op grond van artikel 7:3, aanhef en onder c, van de Awb ervan afgezien gedaagde te horen alvorens op het bezwaar te beslissen.

Bij het bestreden besluit heeft appellant de ingangsdatum van gedaagdes vrijstelling van de verzekeringsplicht ingevolge de volksverzekeringen gebaseerd op artikel 24, derde lid, van KB 164, zoals dat artikel luidde tot 21 oktober 1998. In dit artikellid is, met enige in dit geding niet van belang zijnde uitzonderingen, bepaald dat de vrijstelling ingaat met ingang van de datum van het verzoek om vrijstelling. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen, onder meer in de aan partijen bekende uitspraak van 12 november 1997, nr. 96/11975 AOW (niet gepubliceerd), heeft appellant niet de bevoegdheid om af te wijken van deze bepaling terzake van het tijdstip van ingang van de vrijstelling. De door gedaagde aangevoerde onbekendheid met de wettelijke regeling kan in ieder geval niet tot een ander oordeel leiden. Voorts zijn door of namens gedaagde geen bijzondere feiten of omstandigheden aangedragen op grond waarvan appellant niet meer gehouden zou zijn te achten toepassing te geven aan de hiervoor genoemde dwingendrechtelijke bepaling. Daarbij merkt de Raad nog op dat het op de weg van gedaagde had gelegen om zich voor of kort na zijn vestiging in Nederland te laten informeren over de gevolgen daarvan ten aanzien van - onder meer - de belasting- en premieheffing in Nederland, ook na ingang van zijn pensionering.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de ingangsdatum van de vrijstelling van de verzekeringsplicht terecht is gesteld op 27 mei 1997, de datum van het verzoek daartoe van gedaagde. Dit betekent dat het hoger beroep slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt en het inleidend beroep alsnog ongegrond verklaard dient te worden.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.

Aldus gegeven door mr. F.P. Zwart als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M. Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2002.

(get.) F.P. Zwart.

(get.) M.B.M. Vermeulen.