Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2002:AE0169

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-01-2002
Datum publicatie
14-03-2002
Zaaknummer
00/1826 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:3c, geldigheid: 2002-01-08
Algemene wet bestuursrecht 6:4, geldigheid: 2002-01-08
Algemene wet bestuursrecht 6:5, geldigheid: 2002-01-08
Algemene wet bestuursrecht 6:5, geldigheid: 2002-01-08
Algemene wet bestuursrecht 6:7, geldigheid: 2002-01-08
Algemene wet bestuursrecht 6:11, geldigheid: 2002-01-08
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

00/1826 WAO

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.

Bij besluit van 10 juni 1999 heeft gedaagde aan appellante met ingang van 30 april 1999 een uitkering toegekend ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

Bij besluit van 28 september 1999, hierna: het bestreden besluit, heeft gedaagde het bezwaar van appellante tegen het besluit van 10 juni 1999 niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank Maastricht bij uitspraak van 22 februari 2000 het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Appellante is bij beroepschrift van 4 april 2000 van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 27 november 2001, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot [naam], en waar namens gedaagde is verschenen mr. M.J.H.H. Fuchs, destijds werkzaam bij USZO Uitvoeringsinstelling B.V.

II. MOTIVERING

De Raad zal eerst ingaan op de grief van appellante dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat appellante geen gebruik heeft gemaakt van de door gedaagde geboden mogelijkheid om op het bezwaarschrift te worden gehoord.

Blijkens de zich onder de gedingstukken bevindende uitnodiging voor de hoorzitting gedateerd 13 augustus 1999 is aan appellante verzocht om aan gedaagde te laten weten of zij van de mogelijkheid om te worden gehoord gebruik wenste te maken. Appellante is hiertoe een termijn gesteld van vier weken. Bij het ontbreken van een reactie zijdens appellante is door gedaagde aangenomen dat appellante heeft afgezien van de mogelijkheid om het bezwaar mondeling te motiveren.

Zoals de Raad reeds eerder heeft geoordeeld mag het recht van een belanghebbende om in bezwaar te worden gehoord niet afhankelijk worden gemaakt van een niet in de wet voorziene voorwaarde, zoals in casu het binnen een bepaalde termijn reageren op een verzoek van gedaagde.

De Raad moet concluderen dat in het onderhavige geval niet is voldaan aan de voorwaarden waaronder van het horen kan worden afgezien, met name niet aan die van artikel 7:3, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat brengt mee dat het bestreden besluit, en de uitspraak van de rechtbank waarbij dat besluit in stand is gelaten, voor vernietiging in aanmerking komen.

Nu appellante in de procedure in eerste aanleg, en in hoger beroep, ampel de gelegenheid is geboden haar standpunt ten aanzien van de in het besluit op bezwaar uitgesproken niet-ontvankelijk naar voren te brengen, waaraan kan worden toegevoegd dat dit geschilpunt van openbare orde is, acht de Raad het om redenen van proceseconomie aangewezen om na te gaan of hij dit geschilpunt ten gronde kan beslechten.

De Raad zal derhalve nagaan of gedaagde appellante met recht in haar bezwaar tegen het besluit van 10 juni 1999 niet-ontvankelijk heeft verklaard.

De Raad stelt vast dat, uitgaande van 11 juni 1999 als de dag waarop de bezwaartermijn begon te lopen, de termijn liep tot en met donderdag 22 juli 1999. Tussen partijen is niet in geschil dat het bezwaarschrift bij gedaagde is binnengekomen op maandag 2 augustus 1999.

Volgens appellante heeft haar man namens haar op 16 juni 1999 telefonisch aan gedaagde kenbaar gemaakt bezwaar te maken tegen het besluit van 10 juni 1999. Vervolgens is op 30 juni 1999 appellantes vader overleden, wat meebracht dat zij haar tijd, aandacht en steun diende te verlenen aan haar moeder. Volgens appellante is het bezwaarschrift op 21 juli 1999, derhalve vóór het einde van de bezwaartermijn, ter (gewone) post bezorgd. Daarop is door de PTT deze brief op 29 juli 1999 per abuis bij appellante terug bezorgd en niet bij gedaagde, waarna op 30 juli 1999 per aangetekende brief het bezwaarschrift wederom aan gedaagde is toegezonden.

Volgens appellante zou aan de retourbezorging van het bezwaarschrift mogelijk debet kunnen zijn de wijze waarop zij op de enveloppe geadresseerde en afzender heeft vermeld. In hoger beroep heeft appellante een verklaring van de postagent J.J.E. Debeije gedateerd mei 2000 in het geding gebracht, waarin deze verklaart zich te herinneren dat appellante over de onjuiste bezorging van de brief gericht aan gedaagde, de dag na de terugbezorging bij appellante, heeft gereclameerd. De oorzaak van de verkeerde bezorging moet gezocht worden in het sorteer- en bezorgtraject van de brief, aldus de verklaring van Debeije. Naar aanleiding van een vraag van gedaagde heeft appellante te kennen gegeven dat zij de enveloppe van de brief van 21 juli 1999 niet meer ter beschikking heeft.

De Raad stelt primair vast dat het namens appellante telefonisch gemaakte bezwaar niet voldoet aan het uit artikel 6:4, eerste lid, in samenhang met artikel 6:5, eerste en derde lid, van de Awb, blijkende vereiste dat het bezwaar schriftelijk dient te worden gemaakt.

De Raad zal vervolgens nagaan of door appellante voldoende aannemelijk is gemaakt dat het bezwaarschrift is verzonden op 21 juli 1999. De verzenddatum van het bezwaarschrift is van belang zowel voor het antwoord op de vraag of appellante de bezwaartermijn heeft overschreden, als, zo dat het geval mocht blijken te zijn, de factoren die in beschouwing moeten worden genomen bij de beantwoording van de vraag of de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar is.

De Raad stelt voorop dat de last om de datum van de verzending van een stuk aannemelijk te maken in beginsel rust op de verzender. De poststempel op de enveloppe waarin het geschrift is verzonden is in dat verband een essentieel bewijsmiddel. Appellante heeft evenwel de verifiëring van haar stelling dat zij het bezwaarschrift reeds op 21 juli 1999 ter post heeft bezorgd zelf in hoge mate bemoeilijkt, nu zij de enveloppe waarin het geschrift was verstuurd, na de retourbezorging, heeft versnipperd.

Ook anderszins acht de Raad door appellante niet voldoende aannemelijk gemaakt dat het bezwaarschrift reeds op 21 juli 1999 is verzonden. Meer in het bijzonder kan de Raad aan de verklaring van de postagent Debeije niet dat gewicht toekennen dat appellante daaraan gehecht zou willen zien. De Raad merkt op dat deze verklaring eerst dateert van mei 2000, derhalve bijna een jaar na het voorval in kwestie. Belangrijker nog is dat uit deze verklaring in het geheel niets kan worden afgeleid over de datum van de terpostbezorging van het bezwaarschrift in kwestie, terwijl overigens uit deze verklaring niet blijkt dat door Debeije een onderzoek is ingesteld naar de gestelde onjuiste bezorging van het onderhavige geschrift.

De Raad stelt vast dat als datum van de verzending van het bezwaarschrift moet worden uitgegaan van 30 juli 1999. Dat brengt mee dat de Raad in het midden kan laten de juistheid van de stelling van appellante dat het besluit van 10 juni 1999 mogelijk later dan op 10 juni 1999 is verzonden, nu dit besluit pas na het daaropvolgende weekend, mogelijk eerst op dinsdag, is ontvangen. Dienaangaande merkt de Raad op dat ook indien het besluit eerst op maandag 14 juni 1999 zou zijn verzonden, het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend.

De bezwaartermijn neergelegd in artikel 6:7 van de Awb is derhalve overschreven.

Resteert de vraag of gedaagde terecht heeft geoordeeld dat de overschrijding van de bezwaartermijn in dit geval niet verschoonbaar is.

De Raad merkt in dat verband op dat appellante aan de Raad niet duidelijk heeft kunnen maken waarom de door haar aangevoerde persoonlijke omstandigheden, het overlijden van haar vader en de daarmee gepaard gaande zorg voor de afwikkeling van de begrafenis en de zorg voor haar moeder, gezien de datum van het overlijden te weten 30 juni 1999, meebrachten dat appellante niet tijdig een, eventueel pro forma, bezwaarschrift had kunnen indienen.

De Raad concludeert dat de termijnoverschrijding in het onderhavige geval niet verschoonbaar is.

De Raad ziet dan ook gronden met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand te laten.

Ten overvloede overweegt de Raad het volgende.

Desgevraagd heeft de gemachtigde van gedaagde aangegeven dat het inhoudelijke geschilpunt, de hoogte van het dagloon, opnieuw door gedaagde bekeken zal worden. Indien de stelling van appellante dat dit dagloon veel te laag is vastgesteld juist blijkt te zijn, zal gedaagde de gemaakte fout herstellen en van het vastgestelde dagloon terugkomen.

De Raad vertrouwt erop dat gedaagde deze ter zitting gedane toezegging zal nakomen.

Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het volgende.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 32,22 aan reiskosten.

Andere op grond van dat artikel te vergoeden kosten zijn niet gevorderd en daarvan is de Raad ook niet gebleken.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in de artikelen 24 en 25, eerste lid van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat het door appellante zowel in eerste aanleg als in hoger beroep betaalde griffierecht door het Uwv dient te worden vergoed.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit alsnog gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 32,22 (ƒ 71,-), te betalen door het Uwv;

Bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde recht van € 104,37 (ƒ 230,-) vergoedt.

Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van S. van der Zee als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2002.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) S. van der Zee.

MvB